Verenigingsblad 2023-4
35E JAARGANG NR. 4 DECEMBER 2023
Vereniging Oud Scherpenzeel
Van de bestuurstafel 4
Van de penningmeester 5
Onze sponsoren voor 2024 5
VOA 50 jaar in Scherpenzeel 6
Daniël die niet wilde deugen?! (Deel 2) 12
Uitnodiging ledenvergadering 15
1923 ‐ Scherpenzeel een eeuw geleden ‐ 2023 16
Scherpenzeelse Boerderijen en hun bewoners 23
Ontvangen voorwerpen 36
Nieuwjaarswens 38
De kopij voor het maartnummer dient uiterlijk zaterdag 10 februari 2024 a.s. te zijn ingeleverd bij de redactie.
Omslag:
Boerderij Klein Kolfschoten, zie artikel ‘Scherpenzeelse boerderijen en hun bewoners’,
pag. 23 e.v.
Wim van den Berg, voorzitter
Sinds dit jaar houden we onze bijeenkomsten in De Breehoek. Daar zagen we eerst wel tegenop, omdat de sfeer bij Boschzicht toch anders was dan in De Breehoek het geval is. Daar kunnen we niets aan veranderen. We waren bang dat het een negatieve invloed op het aantal belangstellenden zou hebben. Maar dat is gelukkig helemaal niet het geval. De laatste twee avonden in oktober telden we beide keren maar liefst ca. tweehonderd geïnteresseerde bezoekers. En ook tijdens onze ALV in maart waren er ongeveer 130 leden aanwezig. De medewerkers van De Breehoek zorgen ervoor dat aan alle randvoorwaarden voor een geslaagde wordt voldaan. De samenwerking met hen is prettig. De bezoekersaantallen laten zien dat onze keuze voor de thema’s die centraal staan onze leden aanspreekt. Als u suggesties heeft voor onderwerpen dan houden we ons aanbevolen.
Henk Schuurman ontvangt de leerlingen in het Koetshuis
Ook in het Koetshuis organiseren we activiteiten. Bekend zijn de vier open dagen door het jaar heen. Daarnaast bezoeken leerlingen van groep 7 van de Scherpenzeelse basisscholen elk jaar kort na de zomervakantie ons documentatiecentrum in het Koetshuis in het kader van het project ‘Van Luchtkasteel tot Dassenburcht’. Een project dat natuur en cultuurhistorie onder de aandacht wil brengen. We laten de kinderen zien wat er bij Oud Scherpenzeel allemaal over de geschiedenis van ons dorp en over de inwoners te vinden is. De
leerlingen zijn blij verrast als we bijvoorbeeld een foto van een familielid uit het verleden kunnen laten zien. Werkman Schoonmaakbedrijf heeft aangeboden de goten van het Koetshuis schoon te maken. Daar maken we graag gebruik van. Hartelijk dank daarvoor!
Sinds 2012 beschrijven we in het juni‐ en decembernummer de geschiedenis van de Scherpenzeelse boerderij en hun bewoners. In dit blad staat de 25e aflevering in deze rubriek. De meeste boerderijen hebben geen agrarische bestemming meer en een aantal is zelfs helemaal verdwenen. Deze keer een verhaal over Klein Kolfschoten. Daar wordt tot op de dag van vandaag al ongeveer 600 jaar geboerd! En wat zijn de hoogtepunten uit de Scherpenzeelse geschiedenis in 1923? André Stuivenberg vertelt het ons in zijn verhaal ‘Scherpenzeel een eeuw geleden’. In dit verenigingsblad ook deel 2 over Daniël ter Burg, een verre voorouder van Evert‐ Jan ter Burg van de Mitra. Zijn echtgenote Elma ter Burg schrijft over Daniël, die een zeer bedenkelijke reputatie had. En tenslotte blikken we terug op 50 jaar VOA in Scherpenzeel. Stuk voor stuk interessante geschiedenisverhalen die ons leren hoe het er vroeger in Scherpenzeel aan toe ging. Veel plezier bij het lezen daarvan.
José Reussink
Halverwege 2023 ontving de vereniging een anonieme gift van € 750,‐ waar we de gever/ geefster heel hartelijk voor bedanken. We hebben momenteel 960 leden. Onze sponsoren maken het o.a. mogelijk ons verenigingsblad uit te brengen, onze ledenvergaderingen en andere activiteiten te organiseren. Veel stemmen hebben we gekregen bij Rabo ClubSupport, wat onze vereniging € 1.506,‐ opleverde. De gemeente Scherpenzeel steunt ons met subsidie, waar we onze huur deels van betalen. De gemeente beslist één dezer dagen over verhoging van de subsidie, die we aangevraagd hebben gezien de gestegen huurkosten. In 2022 was onze energierekening bijna €2.000,‐. Door zeer zuinig aan te doen kregen we in 2023 € 413,‐ retour.
We vroegen een uitkering van het winterfonds aan, die gehonoreerd werd met € 800,‐
Daardoor ziet de energierekening 2022/ 2023 er goed uit. In de algemene ledenvergadering vergadering van 21 maart 2023 is de voorgestelde verhoging van de contributie met €2,50 aangenomen. Per 1 januari 2024 bedraagt de contributie € 17,50.
Hartelijk dank!
Verenigde Olie Apparatenhandel
Wim van den Berg
Dit jaar is de VOA 50 jaar in Scherpenzeel gevestigd. Een mooie aanleiding om de geschiedenis van het bekende bedrijf (VOA, ’t beste voor de bouw) aan de Holleweg te beschrijven. Het was Aad van der Poel die als eigenaar/directeur in 1973 met zijn bedrijf, dat hij samen met zijn broer Nico runde, vanuit Driebergen naar Scherpenzeel kwam. Nu, 50 jaar later, is Aad er niet meer. Hij is op 24 augustus dit jaar op 74‐jarige leeftijd plotseling overleden. Het verhaal over de VOA, dat dankzij de medewerking van zijn zoon
Paul, de huidige eigenaar/directeur en Aads zeven jaar oudere broer Nico van der Poel tot stand is gekomen, is ook een eerbetoon aan Aad, die er in belangrijke mate voor gezorgd heeft dat de VOA is geworden wat het nu is: een prachtig bedrijf!
Vlnr: Cornelis, Aad en Paul van der Poel
Van olie naar plastic
De familie Van der Poel komt uit Wassenaar. Vader Cornelis is afgestudeerd als dominee, maar heeft nooit als predikant gewerkt. Hij wordt vertegenwoordiger bij de steenkolenmijn Maurits. Naast steenkool handelt Cornelis van der Poel later ook in olie waarin hij zich specialiseert. Het gezin met vier zoons verhuist naar Leiden waar een huis langs de gracht wordt gekocht. Schepen kunnen zo hun vaten met olie van het bedrijf Arnoco Motoroil uit Engeland aan huis bij Van der Poel lossen. De olie wordt in één en twee literverpakkingen overgeheveld en aan klanten verkocht. Uit olie worden plastics vervaardigd. Eind jaren vijftig begint Arnoco met de productie van zelfklevend plastic onder de naam Fablon, dat Van der Poel in Nederland gaat verkopen. Vanwege problemen met zijn longen is Cornelis van der Poel in 1955 met zijn gezin naar de bosrijke omgeving van Driebergen verhuisd. De rollen zelfklevende Fablon worden in de huiskamer in Driebergen opgeslagen.
Inmiddels is zoon Nico na terugkomst uit Nieuw‐Guinea, waar hij tijdens zijn militaire diensttijd verbleef, in 1963 zijn vader komen helpen in het bedrijf. Ook zijn broer Henk werkt een tijdje in de zaak. Er is veel belangstelling voor het nieuwe product Fablon dat vooral verkocht wordt aan hobbywinkels, schilderswinkels en doe‐het‐zelf zaken. Samen met andere leveranciers staat Nico van der Poel op een beurs in de Apollohal in Amsterdam.
Veel bezoekers zijn zeer geïnteresseerd in Fablon. De andere samenwerkende leveranciers zien die interesse met lede ogen aan en besluiten Van der Poel na een dag uit de stand te zetten. In allerijl wordt een nieuwe stand voor hem ingericht waar hij de volgende dag zelfstandig zijn klanten ontvangt. In één dag kan hij dertig nieuwe klanten vanuit het hele land noteren. Naast de verkoop van Fablon blijft Van der Poel ook olie verkopen. Om de oliedrums te kunnen leegpompen verkoopt hij daarvoor een apparaat. Het bedrijf krijgt de naam Verenigde Olie en Apparatenhandel, kortweg VOA in 1961. De VOA groeit gestaag, zodat in 1963 extra bedrijfsruimte in de Bosstraat in Driebergen wordt betrokken. Het bedrijf specialiseert zich steeds meer in kunststoffen en de naam wordt veranderd in ‘VOA Handelsmaatschappij Plastics’.
Nico en Aad van der Poel, 1973
Aad in het bedrijf
In 1966 komt Aad van der Poel op 18‐ jarige leeftijd bij zijn vader en broer in het bedrijf werken. Het zelfklevende plastic Fablon met talloze motieven en kleuren wordt ter verfraaiing o.a. geplakt op spaanplaat en tafels. Voor de afwerking hiervan gaat de VOA begin jaren zeventig kunststof profielen verkopen. Een gat in de markt. De vraag naar plakplastic, plastic folie en profielen groeit explosief. Tijdens een beurs in Düsseldorf ontstaat het contact tussen de VOA en een Griekse fabrikant
van kunststof (pvc), transparante golfplaten die o.a. gebruikt worden voor afdakjes. De golfplaten worden op een rol geleverd. In 1988, het jaar van het EK voetbal in Duitsland, komen Aad en Nico op het lumineuze idee een vrachtwagen vol met oranje gekleurde rollen golfplaten te importeren. Binnen de kortste keren is de hele partij verkocht.
De VOA importeert voor de waterafvoer van de golfplaten afdakjes kunststof dakgoten en ander toebehoren uit Japan. Het assortiment, dat vooral complementair is voor de montage van golfplaten e.d., wordt verder uitgebreid. In de jaren zeventig en tachtig richt de VOA zich steeds meer op de bouwwereld en verkoopt zij hun producten m.n. aan bouwmarkten. In de bouwmarkten vind je dan door de VOA zelf ontworpen stellingen en manden met VOA‐ producten zoals dakgoten, schrootjes, golfplaten en folie, allemaal gemaakt van kunststof. Cornelis van der Poel is altijd aan het bedrijf verbonden gebleven. Op latere leeftijd als adviseur. In 1980 is hij op 75‐jarige leeftijd overleden.
VOA in Scherpenzeel
Glashorst
Het bedrijf groeit uit haar jasje, zodat gezocht wordt naar een grotere locatie. Die wordt in 1973 in Scherpenzeel gevonden. De VOA huurt twee hallen van de W.S.B. aan de Glashorst. In dat jaar gaat Aad van der Poel in Scherpenzeel wonen en werken. Bij de twee hallen is helaas geen buitenterrein voor de opslag van materialen. De doe‐het‐zelf sector breidt in deze tijd enorm uit. De VOA levert producten aan Hubo, Karwei, Praxis, Houtland en ga zo maar door.
Eerste vestiging in Scherpenzeel
Dagelijks rijden drie vrachtauto’s van Expeditiebedrijf Druijff uit Woudenberg met bestellingen van klanten door het hele land. Nico van der Poel is verantwoordelijk is voor de verkoop, terwijl Aad bij uitstek geschikt is voor het waarborgen van een goede relatie met de klanten. Op zeker moment heeft de VOA bijna de hele Nederlandse doe‐het‐zelf markt in handen. Een stand op de Jaarbeurs in Utrecht zorgt voor een extra toename van het aantal klanten. De uitbreiding van het assortiment met dakbedekking blijkt een gouden greep, maar de verkoop van houten producten is minder succesvol, zodat daar al snel weer mee wordt gestopt.
Stationsweg/Marijkelaan
In 1985 koopt de VOA een grote bedrijfshal met veel ruimte daaromheen aan de Stationsweg en vertrekt het van de Glashorst. Op het buitenterrein mogen bezoekers van de Gereformeerde Gemeente op zondag hun auto parkeren. Het terrein is onverhard. De kerk biedt aan het bedrijfsterrein annex parkeerplaats op hun kosten te bestraten. Daar heeft iedereen voordeel van.
In de jaren tachtig is de tendens dat klanten veeleisender worden en de winstmarges komen onder druk te staan. Bovendien zien veel leveranciers de VOA als een luis in de pels. De VOA is goedkoper voor de klant dan de leveranciers. Meerdere bedrijven willen de VOA graag overnemen om zo hun concurrent uit te schakelen. Ook kunststoffenfabrikant Martens uit Oosterhout is geïnteresseerd. Uiteindelijk gaat de VOA in 1990 met dat bedrijf in zee. De deal is dat
Vestiging aan de Stationsweg/Marijkelaan (nu Prinsenhof)
de VOA niet in z’n geheel wordt overgenomen door Martens, maar wel enkele onderdelen. De VOA blijft bestaan, maar mag niet meer leveren aan doe‐het‐zelf zaken. Daarnaast moet één van beide directeuren mee naar Martens. In goed overleg besluiten Aad en Nico dat Aad zelfstandig verder gaat en Nico in dienst treedt bij Martens. De VOA heeft op dat moment ongeveer vijftien werknemers van wie er ook een aantal meegaan naar Martens. Aad van der Poel gaat met vijf vaste krachten zelfstandig verder. Het is een hele uitdaging om een nieuwe klantenkring op te bouwen. Aad zet zich in om een ander deel van de markt voor zich te winnen, waarbij hij zich steeds meer op de regionale markt van zakelijke klanten richt. De VOA koopt groot in en is grossier voor o.a. kleine ijzerwarenwinkels die ook kunststof materialen verkopen als pvc buizen en golfplaten.
Zijn visie blijkt succesvol. Loonwerkbedrijven, loodgieters en agrariërs uit de directe omgeving weten de VOA te vinden. Zij waarderen het dat ze bij de VOA in Scherpenzeel terecht kunnen voor steeds meer materialen. In deze tijd is de VOA nog niet gespecialiseerd in materialen voor bouwbedrijven. In 1985 neemt de VOA een golfrolmachine in gebruik waarmee golfplaten worden verwarmd tot 50 graden en kunnen worden opgerold.
Als zoon Paul van der Poel nog maar een jaar of acht is, staat hij soms al achter die niet ongevaarlijke machine. Het assortiment wordt tussen 1985 en 1995 uitgebreid, maar ook gewijzigd.
Holleweg
Als de VOA het bedrijfsterrein en – gebouw aan de Stationsweg goed kan verkopen, wordt besloten een nieuw pand te bouwen aan de Holleweg. De gemeente Scherpenzeel is blij met die ontwikkeling, omdat zij graag ziet dat bedrijven vertrekken uit de kom van het dorp en zich vestigen op een industrieterrein. Het terrein en gebouw aan de Stationsweg wordt deels verkocht aan de Gereformeerde
Gemeente, een deel aan de automaterialenzaak de Rema en voor een deel aan een projectontwikkelaar die daar een appartementencomplex (De Prinsenhof) realiseert. Samen met Bouwbedrijf Osnabrugge worden voor beide bedrijven nieuwe bedrijfsgebouwen gebouwd. In 1996 wordt het nieuwe pand aan de Holleweg in gebruik genomen. Twee jaar later gaat Paul van
der Poel bij zijn vader werken. Vanwege onderbezetting van personeel is het de bedoeling dat Paul in de zomervakantie de helpende hand biedt. Dat loopt toch anders, want Paul is sindsdien niet meer weggegaan bij de VOA. Zijn visie is dat de VOA het assortiment verder moet uitbreiden en bij wijze van spreken alles moet kunnen leveren. Het kost tijd om zijn vader Aad daarvan te overtuigen, maar uiteindelijk gaat hij mee in de gedachtegang van Paul. Zo verkocht de VOA voorheen bijvoorbeeld wel deuren, maar geen hang‐ en sluitwerk. Daar komt verandering in.
Nieuwe vestiging aan de Holleweg, 1996
Ook aannemers in de bouwwereld worden vanaf die tijd door de VOA op hun wenken bediend en kunnen terecht voor gips‐ en plafondplaten, isolatiemateriaal en allerlei andere bouwmaterialen. De producten worden vooral gebruikt voor afbouw en renovatie, niet voor nieuwbouw (dus geen dakpannen en stenen). Ook hoveniers die materialen als druppelslangen, drainagemateriaal, goten, koppelingen en zink nodig hebben bij het inrichten van een tuin kunnen nu bij de VOA terecht. Klanten zijn vooral zakelijke bedrijven (business to business), hoewel particulieren ook terecht kunnen. Nog steeds zijn kunststof producten het belangrijkst. In 1999 wordt vanwege de snelle groei van de VOA een extra bedrijfsruimte gebouwd, zodat een van beide ruimtes kan worden ingericht als shop en de andere gebruikt wordt voor isolatiematerialen en dakbedekking. Op het buitenterrein vind je alle pvc materialen.
Extra vestigingen
De uitbreiding met interieurproducten is aanvankelijk een schot in de roos, zodat besloten wordt in 2001 een vestiging in Rhenen te openen die hierin gespecialiseerd is. Als service verzorgt de VOA ook de montage van plafondpanelen, deuren, kastenwanden enzovoort. Dat wordt het bedrijf door diverse zakelijke klanten niet in dank afgenomen, want zo is de VOA concurrent van haar eigen klanten. Daar komt bij dat de VOA sterk is in de zakelijke wereld, maar niet zozeer in de particuliere markt. Het werk is daarnaast heel arbeidsintensief. Bovendien is de winkel gevestigd op een locatie waar andere woonwinkels zijn die zich richten op het hogere segment. Een andere doelgroep dan VOA voor ogen heeft. Al deze factoren zijn de reden dat de winkel na ruim vier jaar wordt gesloten.
In 2005 wordt Paul van der Poel voor 50% eigenaar van de VOA. Sinds dat jaar verkoopt de VOA ook persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals schoenen, helmen en stofmaskers voor werknemers in o.a. de bouwwereld. Maar ook verf en toebehoren is in het assortiment opgenomen. Daarnaast zijn gereedschappen van A‐merken verkrijgbaar. Kwalitatief hoogwaardig gereedschap voor professionals. Tal van lokale en regionale ondernemers uit de bouwwereld, de industrie, garagebedrijven en andere sectoren komen dagelijks bij de VOA over de vloer. De uitbreiding van de klantenkring tussen 2000 en 2010 betekent ook een toename van personeelsleden. In die periode komt er gemiddeld elk jaar een werknemer bij. Het jaar 2010 is een keerpunt. Door de economisch crisis is het rustig in de zaak. De VOA heeft toen echter niet gekozen voor inkrimping, maar juist voor uitbreiding. Dat is mogelijk omdat de jaren daarvoor een financiële buffer is opgebouwd. Het devies van Aad van der Poel is altijd geweest: eerst sparen, dan pas kopen. In 2013 opent de VOA een doe‐het‐zelf zaak in Driebergen. Paul van der Poel streeft naar drie vestigingen in de regio, zodat klanten hun leverancier dichtbij huis hebben. Toch blijkt na een paar jaar dat de vestiging in Driebergen niet aan de verwachtingen voldoet, zodat deze in 2016 wordt verkocht aan een geïnteresseerde klant.
In 2014 doet Aad van der Poel een stapje terug en gaat hij het wat rustiger aan doen, waarna hij in 2016 op 68‐jarige leeftijd helemaal terugtreedt. Dan wordt Paul voor de volle 100% eigenaar van de VOA. Van stilzitten is echter geen sprake, want in 2017 start Aad met zijn oud‐secretaresse de webwinkel ‘Poelweb’, gespecialiseerd in speelgoed, schoenen, kleding en meer. Poelweb heeft een kantoorruimte in het bedrijfspand van de VOA in gebruik.
VOA, 2023
De VOA sluit zich aan bij een inkooporganisatie waardoor er een grotere marge op de producten is en zij niet zelf een inkoper in dienst hoeft te nemen. De VOA kan zich hierdoor meer kan richten op de verkoop dan op de inkoop. Ook overleg met andere aangesloten bedrijven is een pré. De zelfstandigheid van het bedrijf blijft gewaarborgd. Daarnaast wil Paul van der Poel de VOA verder automatiseren. Er wordt een nieuw computersysteem in gebruik genomen. Het bedrijf richt zich ook steeds meer op de service aan de middelgrote klanten. Zo wordt hun voorraad bijgehouden
en aangevuld, waarmee de klant ontzorgd wordt. Daarmee doet de VOA aan klantenbinding. Dat is niet nieuw, want er zijn klanten die al meer dan veertig jaar zaken doen met het bedrijf. ‘Als het de klant goed gaat, gaat het ons ook goed’, aldus Paul van der Poel. Tot hun klantenkring behoren nu ook verschillende campings en landgoederen uit de regio. Grofweg 80% van de handel is geconcentreerd in de regio in een straal van zo’n twintig kilometer rond Scherpenzeel.
Speerpunten voor de nabije toekomst zijn:
- een webshop
- uitbreiding van het klantencontact
- verduurzamen van het bedrijf
- verder ontzorgen van klanten
In 2022 heeft Paul het bedrijfspand aan de Holleweg van zijn vader overgenomen. Op dit moment telt de VOA vijftien personeelsleden met veel kennis van zaken, waarvan sommigen al veel jaren in dienst zijn. Een teken dat er een prettige werksfeer in dit Scherpenzeelse familiebedrijf is.
VOA, 2023
DANIËL DIE NIET WILDE DEUGEN?! (DEEL 2)
Elma ter Burg
Vorig nummer heb ik in het bewogen leven van een voorouder van mijn (aangetrouwde) familie beschreven. Daniël ter Burg heeft zich met verboden activiteiten beziggehouden, stond bekend vanwege zijn slechte gedrag en bedrieglijke handelingen en werd zelfs veroordeeld als een crimineel. Hij kwam aan zijn einde, na 16 jaar gevangenisstraf, in het tuchthuis in Leeuwaren. In deel 2 ga ik verder in hoe het de vrouw van Daniël en zijn kinderen is vergaan. Ook daar valt namelijk wat interessants over te vertellen.
Echtgenoot
Daniël trouwde met Ida Vermeer op 20 oktober 1785 te Amsterdam. Het echtpaar krijgt 5 kinderen. Harmen (1786), Hermanus (1787), Evert (1789), Aaltje (1792) en Elisabeth (1794). Van de vijf kinderen bereiken alleen de jongste twee, de dochters, de volwassen leeftijd.
Voor wie zich bezighoudt met genealogie of historisch onderzoek doet, het is vast opgevallen dat er vaak weinig informatie te vinden is over de vrouwelijke voorouders in de vroegmoderne geschiedenis. Soms staat niet eens een achternaam vermeld of noemt men bij de doop van een kind alleen de vader. Als we wel informatie vinden over een vrouw is het vaak omdat zij, bijvoorbeeld van adel is of uitzonderlijke dingen heeft meegemaakt of gedaan. De reden waarom er wel het een en ander over de echtgenote van Daniël, Ida, te vinden is.
Ida werd geboren op 27 september 1759 in Wageningen, dochter van Gijsbert Vermeer en Elisabeth Geurtsen. Tot ongeveer haar 40ste levensjaar leeft zij een niet‐opvallend leven: ze trouwt en krijgt kinderen maar dat verandert in het jaar 1799:
Ida wendt zich tot een dorpsgenote genaamd Janna (Barten) van Doffelaar. Deze Janna heeft de bijnaam “Jent uit de put” in het dorp. Ida vraagt aan Janna om een recept voor een drankje waarmee een ongewenste zwangerschap beëindigd kan worden, Janna zou daar weet van hebben. Het cliché “Ik vraag het voor een vriendin” lijkt hier ook op te gaan, want Ida vertelt Janna dat het drankje niet voor haarzelf maar voor een vriendin van haar is genaamd Gerritje van Daatzelaar. De bedoeling was dat dit verzoek tussen de beide dames zou blijven maar Janna praat haar mond voorbij en de roddel van een ongewenste zwangerschap bij Gerritje gaat als een lopend vuurtje door het dorp en bereikt uiteindelijk ook Gerritje zelf. Die laat het hier niet bij zitten en klaagt Ida aan voor laster.
Laster
Over laster werd in de 18de eeuw niet lichtzinnig gedacht en dit kon dus ook zwaar bestraft worden. Iemands reputatie was erg belangrijk en als deze aangetast werd kon dit verre gevolgen voor iemand en diens nakomelingen hebben. En Gerritje vindt dat door deze roddel de hare is aangetast door Ida. Het wordt dusdanig serieus genomen dat er zelfs een huiszoeking volgt bij Ida en dat zij in voorlopige hechtenis wordt genomen. In de gevangenis blijkt dat het Ida zelf is die zwanger blijkt en dat dit ongewenst is voor haar is verklaarbaar. Haar man kon onmogelijk de vader van dit kind zijn, hij zit dan al drie jaar gevangen in het tuchthuis in Leeuwarden. En een buitenechtelijk kind van een andere man is wel het laatste wat de familie kan gebruiken, ze staat al slecht te boek door de daden van haar man. In de gevangenis in Arnhem bevalt Ida van een dochter, ze noemt haar Ida, en het meisje krijgt de achternaam Vermeer.
Wie de vader van dit kind is, vertelt de geschiedenis niet. Uiteindelijk blijft Ida 10 maanden in voorlopige hechtenis, bij gebrek aan bewijs wordt ze daarna vrijgelaten.
Dooprel
Ida zorgt nogmaals voor opschudding; via de burgemeester komt het verzoek haar dochtertje in Scherpenzeel te laten dopen. De kerkenraad weigert in eerste instantie dit verzoek, zij voorzien problemen. Niet zozeer omdat het om een buitenechtelijk kind gaat maar het meisje is in Arnhem geboren en moet volgens hen daar ook gedoopt worden. Voor ons klinkt dit misschien als een banaliteit maar in de 18de eeuw had het dopen van een kind gevolgen voor de kerk. Als de kerkenraad besluit dat het dochtertje van Ida in Scherpenzeel gedoopt mag worden dan nemen ze haar dus op in hun diaconie. Dat betekent dat als dit meisje (financiële) steun nodig heeft in de toekomst de diaconie van de kerk daar zorg voor moet dragen en dat kost hen geld.
De kans dat ze ooit dit meisje steun moeten bieden vindt de kerk aannemelijk. Zij hebben immers ook de twee anderen kinderen van Ida, Aaltje en Elisabeth, moeten opvangen en verzorgen toen hun moeder in voorlopige hechtenis zat. Hun vader was immers ook niet in beeld.
Niet alleen over de doop, ook over de andere twee meisjes ontstaat een geschil. De diaconie weigert langer het kostgeld voor de twee oudste dochters te betalen nu hun moeder weer thuis is. Het conflict loopt zelfs zo hoog op dat burgemeester van Scherpenzeel zich ermee gaat bemoeien. Hij vindt dat de kerkenraad hartvochtig is in haar oordeel jegens Ida. Hij vraagt het hof zelfs om hier een rechterlijke uitspraak over te doen. Het hof informeert na het verzoek van de burgemeester bij de kerkenraad, daaruit blijkt dat de kinderen van Ida nog steeds worden onderhouden door geld uit de kas van de kerk. Uiteindelijk doet het hof geen uitspraak in de zaak. Ida heeft immers niet zelf verzocht om de doop van haar kind. De oplossing voor het probleem is simpel. Het meisje wordt gedoopt en daarbij valt te lezen: “Het kind van Ida Vermeer is op den 11 januari op haar eigen verzoek en schuldbekentenis gedoopt”. De schuldbekentenis eist men omdat het hier om een buitenechtelijk kind gaat. Ida overlijdt op 17 december 1838, 74 jaar oud, te Scherpenzeel en wordt begraven op de begraafplaats aan de Glashorst.
Dochters
Zoals eerder beschreven hadden Daniël en Ida samen twee dochters. Zij zijn de enige kinderen van het echtpaar die de volwassen worden. De oudste dochter Aaltje, geboren op 5 maart 1792, trouwt op 22 juni 1816 in Renswoude met Cornelis Vermeer. Zij krijgen twee kinderen Jannigje Vermeer (1816) en Gerrit Vermeer (1818) Cornelis overlijdt al na 3 jaar huwelijk in mei 1819 en Aaltje blijft als jonge weduwe alleen achter met een peuter en een baby. En het noodlot slaat nog tweemaal toe; twee maanden na het overlijden van haar man overlijdt ook hun zoontje Gerrit als hij bijna 10 maanden oud is en drie jaar later verliest zij ook haar dochter Jannigje op 4 jarige leeftijd. Ondertussen is Aaltje hertrouwd op 3 mei 1820 met Aalbert Veldhuijsen. Wat een verdriet moet dat geweest zijn om twee kinderen en een echtgenoot op zo’n korte termijn te verliezen. Met haar tweede man, Aalbert, krijgt zij nog 4 kinderen: Gijsbertje (1821), Teunis (1826), Aalbertus (1828) en Gijsbert (1831). Op 26 januari 1832 overlijdt Aaltje op bijna 39‐ jarige leeftijd. Haar kinderen zullen dus moeten opgroeien zonder hun moeder en wat het nog wranger maakt is dat hun vader, Aalbert, 1 ½ jaar later ook jong overlijdt op 30 september 1833.
Onwettige kinderen
Elisabeth is de jongste dochter, zij is geboren op 16 juli 1794 en over haar valt ook het een en ander te vertellen. Elisabeth ter Burg trouwt nooit maar krijgt wel 3 zonen; Cornelis de Koning ter Burg (1818), Hermen Vermeer ter Burg (1822) en Evert Buurman ter Burg (1828) deze jongste zoon is de directe voorvader van de familie ter Burg die later Café Marktzicht gaat uitbaten.
Het valt op dat deze zonen allemaal een dubbele achternaam hebben. Dat heeft een reden; Elisabeth was ongehuwd zwanger geraakt en door de kinderen een tweede achternaam te geven maakt ze een verwijzing naar de vaders van de kinderen. Het is echter niet duidelijk wie deze mannen precies waren. We weten alleen hun achternaam. Ze hebben geen van drieën hun zoon erkend, want op de geboorteakten staat geen vader genoemd. Je kunt het zien als een statement wat Elisabeth hier maakt. Ondanks dat ze weigeren hun verantwoordelijkheid te nemen als vader laat zij hun naam wel voor eeuwig de geschiedenis ingaan met hun zonen.
De spinster, schilderij van Michael Sweertsca.1656
Wolkammer met gedichtje
Onwettige kinderen, zoals kinderen in die tijd die buiten het huwelijk om geboren werden genoemd, kregen de achternaam van hun moeder. Het aantal onwettige kinderen steeg explosief in de jaren 1750‐1850 in Nederland. Een verklaring daarvoor is onder andere dat de groep van de ‘volksklasse’ groeide. Verreweg de meeste onwettige kinderen werden in deze groep geboren. Moeders waren vaak spinster, fabrieksarbeidster enzovoort. En laat nou net het beroep van Elisabeth spinster zijn geweest. Ook de mindere sociale controle wordt als reden gevoerd voor meer buitenechtelijke kinderen, meisjes en vrouwen stond minder onder controle van hun familie, mede doordat naar de stad verhuisden. We weten dat dit bij Elisabeth slechts deels het geval is geweest. Ze bleef in ons dorp wonen maar of er echt sociale controle was op haar valt te bezien. Haar vader was immers gestorven in de gevangenis en haar moeder stond ook niet te boek als iemand met een smetteloze reputatie. Nadat ze haar eerste kind heeft gekregen en de vader van het kind niet met haar trouwt, is haar lot bezegeld. Geen man die er nu nog over denkt om haar te trouwen, Elisabeth zou het zelf moeten zien te rooien. Haar zonen worden allemaal volwassen en vervullen het beroep van wolkammer (Wolkammers hebben als beroep het kammen van de ruwe wol om vuil en oneffenheden te verwijderen.
Door de wol te kammen kwamen de vezels van de wol parallel te liggen. Dit leverde ruwvezelgaren op dat gesponnen kon worden door de spinsters tot garen. Wolkammers werden het best betaald in de textielindustrie in de 18de en 19de eeuw).
In 1853 laat Elisabeth, bejaard, ongehuwd en nog steeds werkzaam als spinster, haar testament opmaken. Haar zoon Hermen wordt haar erfgenaam, hij woont op dat moment bij haar in. De oudste zoon Cornelis is dan al, ongehuwd, op 30‐jarige leeftijd gestorven. Waarom haar jongste zoon Evert niet genoemd wordt is niet bekend. Uiteindelijk overlijdt zij 5 jaar later op 27 februari 1858. Ze zal misschien wel af en toe verguisd zijn in het dorp, maar omdat zij nooit trouwde heet de familie nog steeds Ter Burg. Ja, haar vader was een veroordeelde dief, en ook haar moeder heeft vastgezeten en heeft net als zij een onwettig kind gebaard, maar ze heeft haar naam aan ons doorgegeven.De 18de en het begin van de 19de eeuw was een boeiende periode uit de geschiedenis van de familie Ter Burg, dat staat wel vast.
Op dinsdag 19 maart 2024 houden we onze algemene ledenvergadering in Kulturhus de Breehoek, Marktstraat 59.
Aanvang 19.30 uur. De zaal is vanaf 19.00 uur open.
Agenda:
- Opening en mededelingen
- Vaststellen notulen ledenvergadering d.d. 21 maart 2023*)
- Jaarverslag secretaris*)
- Jaarverslag penningmeester*)
- Begroting 2024*)
- Verslag kascommissie.
- Benoeming kascommissie 2024.
- Bestuursverkiezing.
Aftredend en herkiesbaar zijn Piet Valkenburg en Gijs van Daatselaar. Tegenkandidaat‐ bestuursleden kunnen door leden worden voorgedragen. Een voordracht kan schriftelijk, ondertekend door minimaal 5 leden, worden ingediend tot uiterlijk 1 februari 2024 bij de secretaris.
*) deze stukken kunt u vanaf 15 februari 2024 inzien op de website: www.oudscherpenzeel.nl.
Bovendien zijn hiervan exemplaren te verkrijgen op de ledenvergadering.
Na de pauze verzorgen we een presentatie met het thema
Gemeentehuizen van Scherpenzeel
Nu het nieuwe gemeentehuis waarschijnlijk in de Breehoek komt, is het een mooi moment om aandacht te besteden aan voorgaande gemeentehuizen in ons dorp. In 1887 werd het eerste ‘echte’ gemeentehuis in gebruik genomen. Maar waar vergaderde de gemeenteraad voor die tijd? En na die tijd? Bijzondere verhalen over alle gemeentehuizen. Hoe ze zijn ontstaan, maar ook hoe ze zijn verdwenen. En ook plannen voor nieuwbouw die niet gerealiseerd werden. In een presentatie met fraaie beelden laten we u het allemaal horen en zien.
1923 – SCHERPENZEEL EEN EEUW GELEDEN – 2023
André Stuivenberg
Ook dit jaar blikken we terug op Scherpenzeel, een eeuw geleden. Door te putten uit het fotoarchief van onze vereniging, het archief van de gemeente Scherpenzeel en de hervormde kerk, maar bovenal uit de berichtgeving in De Holevoet kon weer een interessant verhaal ontstaan. Alle cursief gedrukte teksten zijn ‐ tenzij anders vermeld ‐ citaten uit deze krant.
Ansichtkaart van ons dorp A.D. 1923. De Openbare School zal juist zijn uitgegaan.
Grensgangers
Zoals algemeen bekend zijn de grenzen tussen de diverse Verenigde Staten (U.S.A.) beslist geen verwaarloosbare lijntjes op de landkaart. Zo worden in Texas jaarlijks meerdere misdadigers terechtgesteld, terwijl in het aangrenzende New Mexico de doodstraf is afgeschaft. In Kentucky is abortus een criminele daad, maar in de buurstaat Illinois is zwangerschapsafbreking legaal.
Als dergelijke verschillen ook in Nederland zouden bestaan, zouden Gelderse Scherpenzelers of Utrechtse Woudenbergers in voorkomende gevallen moeten uitwijken naar een andere provincie; vóór de grenswijziging van 1960 was dat vaak ‘simpelweg’ de overzijde van de straat! Dat dit geen al te absurde overdrijving is moge blijken uit diverse voorbeelden uit het jaar 1923, precies een eeuw geleden.
Sinds de oprichting van VV Scherpenzeel in 1918 trokken voetballers en supporters ’s zondags enkele meters de grens met Woudenberg over voor een wedstrijd op een ontgonnen heideveld op De Wittenberg, dat door eigenaresse mevrouw Royaards kosteloos ter beschikking was gesteld. Men ontvluchtte dus ons dorp, waar sport op zondag zwaar taboe was. Maar….
voetballen op zaterdag behoorde toentertijd niet tot de mogelijkheden, want er bestond nog een zesdaagse werkweek. De passie voor de voetbalsport maakte spelers en aanhang tot grensgangers.
Elftal VV Scherpenzeel, begin jaren ’20
Lokale voetbalvandalen
De voornaamste aanrij‐ en looproute naar het voetbalveld was de Smitssteeg (nu Willaerlaan). Aanwonenden die ’s zondagsmorgens ter kerke waren getogen, zagen ’s middags hoofdschuddend het voetbalpubliek langs hun huis trekken. ‘Daar rust geen zegen op’, was nog een tamelijk milde veroordeling.
Toen op 16‐02‐1923 het navolgende bericht in het Rotterdamsch Nieuwsblad verscheen, was dat koren op de molen van de veroordelaars.
N.B. De verslaggever wist niet dat het voetbalveld zich in Woudenberg bevond en schreef:
‘ ’t Schijnt Zondag danig gestormd te hebben op onze voetbalvelden. Na Den Haag en Maassluis, vinden we in het Utrechts Sportblad nog een fijn stukje, dat de toestanden schetst in Scherpenzeel, waar voor de 3e kl. G van de U.P.V.B. werd gespeeld de wedstrijd Scherpenzeel I – Zeister Boys. Het Scherpenzeelsche voetbalpubliek gedroeg zich, als steeds, zeer onhebbelijk, maar de maat liep over toen even vóór tijd de uitclub het winnende punt maakte. We citeeren: ‘Nauwelijks was het einde er met 0‐1 of er bleken honderd vuisten tot daden gereed. Ook messen, zelfs een revolver werden tevoorschijn gehaald. Er werd zoo geslagen en geschopt, dat de Zeisterspelers zich niet in Scherpenzeel durfden verkleeden, maar nog geheel of gedeeltelijk in hun voetbalpakje, wegvluchtten. Eerst bij het hotel Pyramide durfden sommigen hun bullen aantrekken, waarbij vrijwel allen iets kwijt geraakt bleken. Scheidsrechter v. Zutfen ‐ wiens hoed, naar men ons mededeelde, vol gaten was gestoken ‐ moest zelfs blootshoofds naar Zeist!’
Deze ongeregeldheden kregen zo landelijke bekendheid. Zeer opvallend was dat de plaatselijke courant De Holevoet niets over deze incidenten publiceerde, waarschijnlijk uit gevoelens van plaatsvervangende schaamte. Wél deed deze krant láter [08‐06‐1923] melding van de voorgeleiding van de zich misdragende voetbalfans: ‘Onderzoek. Gisteren zijn de beklaagden met de getuigen gehoord door den Rechter Com. te Utrecht inzake het voorgevallene op 11 Febr. 1923 toen een scheidsrechter der Zeister voetbalclub mishandeld werd op den dag van een wedstrijd‘. Opvallend in deze berichtgeving is dat De Holevoet de initialen W.v.L. van de voornaamste beklaagde niet vermeldde, kennelijk om deze makkelijk te herleiden voetbalfan te ontzien!? Het Amersfoortsch Dagblad noemde W.v.L. wél.
Standsverschil
Ook mevrouw Royaards was vanzelfsprekend buitengewoon ongelukkig met de gebeurtenissen op ‘haar’ voetbalveld en de ontstane ophef tot in de wijde omtrek. Zij was een geboren jonkvrouw [Backer], een dame van stand dus met grote afstand tot de opgewonden standjes op haar voetbalveld. Laatstgenoemden zouden op hun beurt niets begrijpen van de volgende advertentie die zij 16‐08‐1923 liet plaatsen in het Algemeen Handelsblad:
Vertaling: Mevrouw ROYAARDS VAN SCHERPENZEEL, Scherpenzeel (G.) vraagt een Zwitserse of Franse dame R.P. voor haar 10‐ en 12‐jarige meisjes die naar school gaan. Kennis van muziek en kostuumnaaien.
R.P. = response payé = reactie betaald
De meisjes Royaards groeiden in dat eerste kwart van de twintigste eeuw op in een welvarende omgeving. Hiervan getuigt bijvoorbeeld de ruime hoeveelheid foto’s waarop de jongedames in en rond Huize Scherpenzeel zijn vastgelegd. Afbeeldingen van doorsnee dorpsbewoners uit die tijd zijn vele malen schaarser of ontbreken zelfs; dit kan menige afstammeling met één blik in de schoenendoos bevestigen.
De schoolgaande dochters waarvoor mevrouw Royaards per advertentie een Frans sprekende dame zocht zien we op de foto links. Op de bank zitten van
v.l.n.r. Benudina Maria (*1912), moeder Magdalena Maria Royaards van Scherpenzeel‐Backer (*1880) en Theodora Philippina (*1911). Fotograaf kan burgemeester Royaards zelf zijn geweest.
Voor echte portretfotografie verkoos mw. Royaards eens de gerenommeerde Francis Kramer, die met het portretteren van de adel in Utrecht e.o. beroemdheid én vermogen verwierf. Met voldoening zal zij vernomen hebben dat Kramer in 1930 toestemming werd verleend de titel ‘Hoffotograaf van H.M. de Koningin’ te dragen.
Het voorgaande vormt een mooi bruggetje naar één van de belangrijkste gebeurtenissen in 1923, nl. het zilveren regeringsjubileum van koningin Wilhelmina. Eind 1922 was in ons dorp al een comité van negen notabelen gevormd, met als opdracht een viering te organiseren, waarvoor niemand zich zou ‘behoeven te schamen met festiviteiten die zoo gehoóren gehóuden te worden dat ze onze Vorstinne eeren’. [ds. Harthoorn].
Wederom een grensprobleem
In die geest zond de hervormde kerkenraad van Scherpenzeel in de zomer van 1923 één brief aan de gemeenteraad van Woudenberg en een tweede brief aan het eigen gemeentebestuur. In het schrijven aan de Woudenbergse raad verzocht men ‘om op de dagen waarop de Jubileumfeesten zullen worden gevierd te Scherpenzeel, [in Woudenberg] een algeheel tapverbod uit te vaardigen voor de café’s*) die dicht onder die gemeente gelegen zijn’. *) De herbergen van Johan Schimmel en weduwe Ter Burg aan de Holevoet.
De kerkenraad had zich er vooraf al van vergewist dat het eigen College van B & W vóór een tapverbod was. Daarop kwam vol vertrouwen het volgende verzoek: ‘(…) met het oog op de viering van het Regeeringsjubileum van onze Geëerbiedigde Vorstin (…) te verbieden alcoholische dranken te schenken of te verkoopen.
(…) daar anders (…) een waardige viering van deze voor Land en Volk zoo gewichtige gebeurtenis veel gevaar loopt te ontaarden in uitspattingen. Het zou toch diep treurig te noemen zijn, als die Herdenkingsdagen, aangevangen met een Dankstond, eindigen zouden op een wijze, welke de Gemeente Scherpenzeel tot oneer zou strekken’.
Op 12 juli besloot de raad van Woudenberg echter géén verbod uit te vaardigen. De burgemeester, baron van Heeckeren van Brandsenburg, betoogde: ‘De kans is groot, dat bij het instellen van een dergelijken maatregel de menschen te voren de drank met flesschen in huis nemen en als gevolg daarvan nog meer zullen drinken’.
Vijf dagen later, op 17 juli, vergaderde de Scherpenzeelse raad en burgemeester Royaards ‘deelt mede dat B & W aanvankelijk waren voor instelling van een dergelijk verbod, mits ook Woudenberg dit zou doen. Een verbod alleen voor Scherpenzeel heeft absoluut geen waarde, daar de beide aan den Zelfkant gelegen Café’s dan wel zouden mogen tappen, wat dus ten gevolge zou hebben, dat deze inrichtingen druk bezocht zouden worden en de andere soortgelijke inrichtingen in het dorp daarvan zeer veel nadeel zouden ondervinden, terwijl het doel: beperking van het drankverbruik, totaal gemist zou worden‘.
Ook hier zien we weer een voorbeeld van problemen die (zouden kunnen) ontstaan als wetgeving en beleid in gemeenten, provincies, landen en/of staten sterk van elkaar verschillen. Uiteindelijk kwam er nergens een tapverbod en zouden Oranjebitter en andere alcoholische versnaperingen de feestvreugde tot grote hoogte doen stijgen.
Overduidelijk is toch wel dat het beleid in Scherpenzeel behoudender was dan in buurgemeente Woudenberg. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1919 had in Woudenberg een aardverschuiving plaatsgevonden, waarbij vier leden werden weggestemd. Hun zetels werden ingenomen door vertegenwoordigers van gemeentepartijen. Er kwamen geen zondagse sport‐ en tapverboden en sluitingen in de horeca. Daarentegen probeerde de raad van Scherpenzeel met enige regelmaat strengere regelgeving door te voeren. Echter… pogingen om de sluitingstijd van horecagelegenheden van 23 naar 22 uur te brengen, en deze op zondag zelfs te sluiten, strandden vanwege het soepeler beleid in Woudenberg.
Ongewenst jubileumrepertoire Opmerkelijk is dat de festiviteiten in Scherpenzeel plaatsvonden op 29 en 30 augustus en die in Woudenberg op 12 en 13 september. De weergoden waren Woudenberg gunstiger gezind. Daar hield men het droog, terwijl de eerste, zéker voor de kinderen zeer geslaagde feestdag, in Scherpenzeel ’s avonds verregende. ’s Middags had de jeugd zich nog droog
vermaakt met ‘ezelprikken, zakloopen, prijsknippen, eierdragen, driebeenen, ballenwerpen, balkloopen en ringrijderij per fiets, maar de avondlijke lichtstoet viel in ’t water, letterlijk en figuurlijk.
Ware het weder stil en droog gebleven, de verlichting van ons dorp waarbij ’t Oosteinde schitterde met zeer schoone glanzen zou prachtig geslaagd zijn. De optocht der verenigingen verliep. ’t Werd een chaotisch gebrul van Hittepetit en Overal en de rij van afgezaagde deunen die velen meenen op zulke dagen te moeten uitbrullen. ’t Was jammer. ’t Had wat kunnen zijn, nu was het niets. “Houd de moed er maar in” werd nog lang uitgegalmd’.
Die avond kwam de hartenwens van ds. Harthoorn m.b.t. een waardige viering dus niet volledig uit. ’s Morgens zong men bij de opening van het feest nog het Wilhelmus en ‘Dankt, dankt nu allen God’ en nu dit… Een inwoner van Woudenberg schreef een ingezonden brief: ‘Tijdens de feesten te Scherpenzeel o.a. zag ik aan “den Zelfkant” (…) enkele reeds bejaarde mannen en vrouwen in een kringetje geschaard, letterlijk niets anders zingende dan (…) ‘Overal waar de meisjes zijn’. Hoe prettig zou het aangedaan hebben, indien zij daarbij een Vaderlandsch lied hadden gezongen. (…) Wij (…) hebben mooie liederen: O, schitterende kleuren van Nederlandsch vlag, Heb je wel gehoord van de Zilvervloot, en zoovele anderen’.
De volgende dag waren de gemoederen weer bedaard en liep men ’s ochtends uit voor een indrukwekkende historische optocht, waarbij de Achterstraat de hoogste ogen gooide met de inname van Den Briel door de Watergeuzen. ’s Middags amuseerde men zich met traditionele activiteiten, zoals ringsteken (met karretjes of op ’t losse paard), mastklimmen, balklopen, tobbetje steken, enz.. Om 22 uur volgde, op de met Bengaalsch vuur verlichte Dorpsweide, een door honderden mensen bijgewoond vuurwerk van 33 onderdelen, met op het laatst een ‘Slotdecoratie, bestaande uit een portret van H.M. De Koningin in eene stralenkrans van brillantvuur geflankeerd door 2 Chineesche Palmboomen’, gevolgd door ‘een Zwermpot; tegelijk opstijging van een Girandola van 50 pijlen’. Desondanks schreef De Holevoet tamelijk zuinigjes: ‘ ’t vuurwerk dat voor ons dorp heel aardig was’.
Doorgewinterde feestvierders konden twee weken later op herhaling in Woudenberg. Hier sprong men niet alleen vocaal uit de band, maar maakte men ook zodanige fysieke sprongen dat in café De Poort de vloer niet bestand bleek tegen de druk van de hossende menigte. Dit alles ter ere van de jubilerende Majesteit, die hiervan ongetwijfeld onkundig is gebleven.
Nog meer grensproblemen
Tot hiertoe kwam nog niet ter sprake dat óók de grenssituatie met Renswoude min of meer vergelijkbaar was met die met Woudenberg: de zuidkant van het Oosteinde was Renswoude en de noordzijde Scherpenzeel. Juist in ‘ons’ jaar 1923 vaardigden de laatstgenoemde twee gemeenten een vloekverbod uit, Renswoude in augustus en Scherpenzeel in september. Terwijl iemand aan de Woudenbergse kant van de Stationsweg ongestraft vloekend over straat kon lopen, moest hij ‐ om een bekeuring te voorkomen ‐ bij het oversteken abrupt met zijn godslastering stoppen. Bij het oversteken van het Oosteinde kon men, als de gemeentelijke veldwachters daar tegelijk zouden patrouilleren, zelfs twee boetes oplopen!
Nu was de Scherpenzeelse bevolking in 1923 voor 83% hervormd, 13% gereformeerd en 2,5% van de gereformeerde gemeente, dus zal de gemeentekas niet royaal gespekt zijn met geïnde boetes. Iedere zondag hoorde men immers vanaf de kansel: ‘Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt’ (Exodus 20). Pas in augustus 1924 werd de eerste overtreder geverbaliseerd: ‘Door de politie is proces‐verbaal opgemaakt tegen H.V. alhier, wegens het verwekken van nachtelijk burengerucht en overtreding van het vloekverbod’.
Het instellen van een vloekverbod maakte in onze overwegend christelijke gemeenschappen weinig tongen los. De verschillen in belastingdruk beroerden de gemoederen echter meer.
Door een besluit van de gemeenteraad van 19‐01‐1923 moesten bezitters van een waakhond (2e Klasse) aan de Renswoudse kant van het Oosteinde i.p.v. fl.1,00 voortaan fl.2,00 belasting betalen. In euro’s van 2023 een verhoging van €21,00 naar €42,00! In Scherpenzeel bleef een dergelijke hond fl.1,00 kosten en in Woudenberg slechts fl. 0,50. Met een hond uit de 1e Klasse, b.v. een schoothondje, was men in Renswoude ook duurder uit, nl. fl.4,00. Het is
begrijpelijk dat er meerdere malen bezwaar werd aangetekend tegen deze aanslagen. Zie bijgaand kartonnetje (officieel ingekomen stuk B22) waarop C. van Ekris bij de gemeente reclameerde.
Selectieve berichtgeving
Dankzij de gedigitaliseerde uitgaven van De Holevoet komen wij van de Scherpenzeelse geschiedenis veel te weten. Veel, maar niet álles. Dit blijkt b.v. uit het niet berichten over de voetbalrel op het veld van VV Scherpenzeel. Een ander voorbeeld is het niet melden van het ingrijpende ontslag van het personeel van De Driekleur. Onder de kop ‘Bedrijfsslapte’ berichtte De Volkskrant op 24‐01‐1923: ‘De stoomweverij De Driekleur te Scherpenzeel is wegens gebrek aan werk geheel stopgezet. Het personeel is ontslagen’. Daarentegen meldt De Holevoet ruim drie maanden later [04‐05‐1923] wél: ‘De stoomweverij De Driekleur, die voor korten tijd met beperkt personeel moest werken, werkt nu weer met volledig personeel. Ieder zal zich daarover verblijden, aangezien een belangrijk deel arbeiders hun kost moeten verdienen in bovengenoemd bedrijf (…).
Wat bij De Driekleur gebeurde, was geen op zichzelf staand, plaatselijk economisch drama. Alleen al in de maand januari van 1923, steeds onder de kop ‘Arbeidsslapte’, berichtte De
Volkskrant achtmaal over stopzetting productie, ontslag van arbeiders en loonsverlaging (tot 15%!) in diverse branches.
Personeel van De Driekleur in de twintiger jaren
Misschien moeten we aan de selectieve berichtgeving door De Holevoet niet te zwaar tillen. De krant verscheen maar eenmaal per week en in ons dorp van beperkte omvang verspreidde het nieuws zich vast en zeker vaak al als een lopend vuurtje en liep een weekkrant achter de feiten aan.
Tot slot
De impact die de grillige gemeentegrenzen op de ingezetenen hadden is de rode draad die door de voorgaande leesstof is geweven, om in ‘De‐Driekleur‐termen’ te spreken.
Veel net over de grens wonenden waren op Scherpenzeel georiënteerd. Zij deden hier hun boodschappen, vierden onze feesten mee, namen deel aan ons rijke verenigingsleven en gingen hier ’s zondags ter kerke.
Het is begrijpelijk dat meerdere malen verzoeken zijn ingediend om tot grenswijzigingen te komen, maar pas vanaf 1 januari 1960 konden ruim 800 grensgangers zich Scherpenzeler noemen. In het verenigingsblad van Oud‐Scherpenzeel van januari 2010 (22e jrg. nr. 1) is aan deze grenswijziging en de voorgeschiedenis daarvan ruim aandacht besteed.
SCHERPENZEELSE BOERDERIJEN EN HUN BEWONERS
Klein Kolfschoten
Henk van Woudenberg, Wim van den Berg
Klein Kolfschoten ligt ten zuiden van Groot Kolfschoten in het noordwesten van Scherpenzeel. West en zuid: De Haar en Kraaienoord; oost: Groot Kolfschoten en Groot Schaik; noord: Groot Kolfschoten. Eeuwenlang is het 34.91.20 ha groot.
Het woord kolf komt van Colve dat kolf, knots of knuppel betekent. Schoten is ‘een beboste hoek zandgrond uitspringend in moerassig terrein’, in dit geval blijkbaar in de vorm van een kolf. De naam komt voor het eerst voor in 1373 als Elys van Colvenschaten als getuige optreedt1 . De boerderijnaam wordt in 1378 vermeld.

Waar lag het oude Colverschoten?
Met deze vraag hield onze oud‐voorzitter Jan Klesser zich in 1993 al bezig2 . Hij kwam tot de conclusie dat het op de plaats van het vroegere Groot Kolfschoten moet hebben gelegen. Maar er is een nieuwe ontwikkeling. Op de overzichtskaart van Groot Kolfschoten is er aan de zuidgrens geen mooie strakke lijn, maar zit er halverwege een rare bobbel. Dit is een weiland dat hier en daar soms wel een meter boven het omringende land
uitsteekt. Vanaf de Kolfschoterdijk is dit goed te zien. Dit kan de knots zijn waar de boerderij naar genoemd is. Het hoort al eeuwenlang bij Klein Kolfschoten.
Wie via Google‐earth inzoomt op dit perceel ziet vage contouren van een cirkel in de zuidwesthoek en versnipperde verkleuringen in de noordoost‐ hoek. Hebben we hier te maken met een versterkte woontoren met boerderij? Lag hier het oude Colverschoten?
Als dat zo is, zijn er misschien nog sporen. Vaak zitten er nog stenen in de grond. Navraag bij de familie Werkman op Klein Kolfschoten brengt ons niet verder. Het weiland is nooit omgeploegd, niet door zoon, vader en ook niet door grootvader. We zullen dus geduld moeten hebben totdat er een gelegenheid is om nader onderzoek te doen.
Klein Kolfschoten, 1956
Groot en Klein Kolfschoten en De Haar zijn oorspronkelijk één boerderij. Tussen 1378 en 1426 vindt de splitsing tussen Groot en Klein Kolfschoten plaats3 . Het lijkt er op dat de gebroeders Jan en Gijsbert van Colveschoten het goed verdelen. Jan erft Groot Kolfschoten en Gijsbert erft Klein Kolfschoten, in die tijd nog samen met De Haar. Met Gijsbert is het waarschijnlijk slecht afgelopen. Mogelijk is hij geëxecuteerd. In Oud Scherpenzeel 2016 nr. 4 staat
beschreven hoe dat zo gekomen is. Gijsberts dochter Catharina van Colveschoten blijkt later eigenaresse van Klein Kolfschoten4 . Jkvr. Catharina van Colveschoten trouwt eerst met jkhr. Jan van Lantscroon en daarna met jkhr. Willem van Aller. Om er zeker van te zijn dat haar zoon Gijsbert van Lantscroon de boerderij zal erven wordt hij er in 1474 alvast mee beleend. Hij is dan nog onmondig, dus nog geen 25 jaar oud. Als hij in 1488 mondig is geworden laat hij officieel vastleggen dat hij de nieuwe eigenaar is5 . Als dank krijgt zijn moeder voorlopig de opbrengst. Niet voor lang overigens. Als hij kort daarna trouwt met Petronella Johansdr van de Haer krijgt zij het derde deel van de opbrengst6 . Met het overlijden van moeder Catharina in 1491 verdwijnt de naam Lantscroon voor zeventig jaar uit de Scherpenzeelse boeken. Maar omdat belangrijke familiepapieren bewaard zijn gebleven in het archief van Huis Ter Horst in het Gelderse Loenen kunnen we nagaan hoe de opeenvolging van eigenaren is geweest7 . De familie woont zelf in de stad Utrecht in een huis dat heel toepasselijk Huis Lantscroon heet8 .
Gijsbert van Lantscroon en Petronella Johansdr van de Haer krijgen in ieder geval drie kinderen. Zoon Jan van Lantscroon erft de boerderij. Na het overlijden van Jan wordt zijn broer Adriaen van Lantscroon de eigenaar. Adriaen trouwt in 1543 met Brechgen van Jutfaes. Uit dit huwelijk worden vijf kinderen geboren. Als vader Adriaen in 1562 overlijdt erft zoon Frans van Lantscroon “Cleijn Colverschoten mit die Haer mit alsulcken toebehoren, landt ende sandt, heijde ende weijde, bossche ende broeck”. Frans van Lantscroon, die zich voortaan deftig François noemt, trouwt in 1569 met Maria van Boschuysen. Weer zwijgen de Scherpenzeelse boeken voor zestig jaar. Maar dankzij de andere bron weten hoe het verder gaat. François en Maria krijgen twee zoons: Adriaen en Jacob van Lantscroon. Adriaen erft Klein Kolfschoten. Hij trouwt met jkvr. Vendelmoer van Brienen. In 1626 zijn zij allebei overleden en wordt oom Jacob van Lantscroon, heer van Kijfhoek er namens de kinderen mee beleend9 . Zij krijgen één zoon: Frans van Lantscroon. Als hij in 1640 meerderjarig is geworden, is hij voortaan eigenaar. In 1657 vindt hij de tijd gekomen om Klein Kolfschoten en De Haar te verkopen. Hij verkoopt Klein Kolfschoten aan de pachter Jan Rutgersz van Ginkel en De Haar aan de pachter Willem Gijsbertsen10 . Daarmee nemen we afscheid van de familie Lantscroon, ruim twee eeuwen lang eigenaar, en komen we nu bij de bewoners van Klein Kolfschoten.
De eerst bekende boer is Jacob Thijmensz. In 1526 is er een veetelling11 . Op zijn boerderij zijn vier paarden, drie koeien, twee huurkoeien, een pink, 40 schapen en een varken. Jacob moet heel jong zijn geweest want in 1566 komen we hem nog tegen. Het graan moet worden geteld vanwege een belasting12 .
Hij bezit 12 vimmen rogge, acht vimmen boekweit en vijftig vimmen haver. Hij behoort daarmee tot de kleinere boeren. Er staat ook bij vermeld dat er zes mensen op de boerderij wonen.
In 1647 bestaat de boerderij uit 8 morgen bouwland, drie paarden, vier koeien en betaalt de boer 130 gulden pacht per jaar13 . De volgende pachter komen we in 1657 tegen. Dat is Jan Rutgersz van Ginkel, de boer die Klein Kolfschoten in dat jaar van de eigenaar koopt. Jan woont er al als pachter14 . Jan heet Van Ginkel omdat hij op de boerderij ’t Hek is geboren. Deze boerderij ligt in de buurtschap Ginkel onder Leersum. Hij trouwt met Heijltje Everts, een boerendochter van Landaas. Hun tien kinderen noemen zich Van Kolfschoten. Als Jan in 1683 overlijdt gaat zijn weduwe nog een paar jaar door. Dan neemt de oudste zoon Evert Jansz van Kolfschoten de boerderij in 1686 over15 . Evert is een vechtersbaas. Diverse keren wordt hij door de schout beboet. Hij moet op een dag zijn meerdere erkennen in Mor Gerritsen. Deze heeft hem zo toegetakeld dat hij 7 gulden en 10 stuivers voor geneeskundige hulp moet betalen aan de chirurgijn. Hij komt tot rust als hij in 1698 trouwt met Trijntje Jans van Lambalgen, een timmermansdochter uit Scherpenzeel. Uit hun huwelijkse voorwaarden blijkt dat ze beiden niet onbemiddeld zijn. Evert brengt 600 gulden in en Trijntje 500 gulden16 . Het huwelijk heeft maar een paar jaar geduurd en er zijn geen kinderen geboren. Als Evert in 1701 overlijdt ziet Trijntje het niet zitten om de boerderij voort te zetten. Ze is nog maar 34 jaar oud, maar geen boerendochter. Everts jongere broer Hermen Jansz van Kolfschoten gaat vanaf 1702 verder als boer op Klein Kolfschoten17 . Die heeft het dan ook al twee keer aan de stok gehad met de schout. Niet vanwege vechten, nee hij heeft de nalatenschap van zijn vader geregeld zonder een voogd aan te stellen voor zijn onmondige jongste zusje. En hij heeft eigenmachtig de weg verlegd bij het erf van de buurboerderij Kraaienoord. Deze weg is toch zo gebleven en heet nu De Haar. Hermen is nog vrijgezel als hij de boerderij overneemt. Ook hij laat zijn vuisten wel eens spreken. Toch heeft hij aanzien in het dorp en wordt hij aangesteld als buur‐ en setmeester om de gemeentebelasting te regelen. In 1711 trouwt hij op 54‐jarige leeftijd nog met de veel jongere Grietje Gerrits uit Woudenberg. Zij schenkt hem twee dochters, Heiltje en Aaltje en een zoon die Jan heet. Als vader Hermen in 1739 is overleden, ruim 80 jaar oud, worden zijn kinderen eigenaar van Klein Kolfschoten18 . Zoon Jan, 23 jaar oud, gaat verder als boer. Hij trouwt in 1741 met Otje Gijsberts van de Haar, geboren op Groot Vlastuin in Woudenberg. Blijkbaar heeft hij het geld van zijn vrouw nodig om zijn zuster Heiltje uit te kopen want zij is mede‐eigenaar van Klein Kolfschoten19 . Op 27‐jarige leeftijd wordt Jan al verkozen tot schepen van Scherpenzeel. Alles lijkt goed te gaan, maar dat is maar schijn. In 1749 moeten Jan en Otje 500 gulden lenen van een boerenechtpaar uit de buurt en ook nog eens 400 gulden van de diaconie van Scherpenzeel20 . In 1750 moeten zij de boerderij verkopen voor 3600 gulden aan Sophia Charlotta van Westerholt, gravinne van Wartensleben, Vrouw van Scherpenzeel21 . Jan krijgt 1800 gulden, zijn zus Aaltje 900 gulden en zijn moeder Grietje Gerrits, wed. Hermen Jans ook 900 gulden.
In 1753 besluiten zij om de boerderij te verlaten. Voor 57 gulden kopen zij een huis met timmermanswerkplaats in de Achterstraat bij Scherpenzeel en daar worden de laatste twee kinderen van de acht geboren22 . Zou Jan toch liever timmerman zijn geworden dan boer? Na bijna 100 jaar verlaat de familie Van Kolfschoten de boerderij Klein Kolfschoten. Hun twee zoons hebben geen nageslacht dus de naam Kolfschoten van deze tak sterft uit.
De nieuwe boer, nu geen eigen baas maar pachter, is Claas Evertsz van Hoevelaken en zijn derde vrouw Aaltje Hermens. Zij komen in 1754 van de boerderij Groot Schaik. Claas is al 72 jaar als hij hier aan begint. De energie moet van zijn vrouw komen, zij is 30 jaar oud! Zij pachten de boerderij voor 150 gulden per jaar en moeten eens per jaar met paard en wagen klaar staan voor de eigenaresse23 . In 1760 worden zij opgevolgd door de Lunterse Jan Jacobsz van Manen die trouwt met de Woudenbergse Hanna Helmertsen Lokhorst. De pacht wordt verhoogd naar
160 gulden en ook nog steeds de wagendienst. Hun zeven kinderen worden op Klein Kolfschoten geboren. Inmiddels is de boerderij van eigenaar gewisseld. Frederik Burchard Lodewijk, baron van Westerholt heeft in 1774 de boerderij overgenomen van zijn moeder Sophia Charlotta van Westerholt, gravinne van Wartensleben24 . Hij wil de boerderij verkopen en vindt een jaar later een koper, Gijsbert Jacobsz van Koudijs. Deze wil zelf op de boerderij gaan boeren en daarom moeten Jan, Hanna en de kinderen een andere boerderij zoeken. Dat wordt de boerderij Mandersloot onder Maarn25 .
De nieuwe eigenaar Gijsbert Jacobsz van Coudijs en zijn vrouw Hendrikje Willems van Kolfschoten komen ook van Groot Schaik. Ze zijn niet onbemiddeld en in 1773 kunnen zij een mooi stuk land op Glashorst voor 1600 gulden kopen en in 1775 kunnen zij zelfs de boerderij Klein Kolfschoten voor 4370 gulden kopen26 . Ze verhuizen met hun twee dochters Neeltje en Aaltje, de andere drie kinderen zijn al overleden, naar hun nieuwe bezit. Daar overlijdt ook dochter Neeltje op 27‐jarige leeftijd. Gijsbert en Hendrikje blijven de rest van hun leven op de boerderij wonen. Aaltje, als enig kind over gebleven, trouwt in 1783 met Breunis Jansz van Wolfswinkel, geboren op Groot Orel. Twee jaar later is haar vader overleden en erft Aaltje de boerderij en het land op Glashorst27 . Aaltje gaat bij haar man op Groot Orel wonen en haar moeder Hendrikje gaat verder op Klein Kolfschoten28 . Hoe lang zij daar nog heeft gewoond is onbekend. Ook van de nieuwe bewoners weten we nauwelijks iets. In de bewonerslijst van 1795 komt ene Jan Cornelissen voor. Er wonen vier personen op de boerderij waarvan twee meerderjarig zijn, dus waarschijnlijk een echtpaar met twee kinderen29 . Tussen 1810 en 1819 laten Reijer Gijsbertsen van Hoevelaken en Hendrina Evertsen van de Pol vier kinderen dopen, waarvan er in ieder geval twee op Klein Kolfschoten zijn geboren.
De boerderij is nog steeds eigendom van Breunis Jansz van Wolfswinkel. Na zijn overlijden in 1819 blijft de boedel onverdeeld. Dat gebeurt pas in 184430 . Aaltje leeft nog steeds en woont in Lunteren. Uit de akte blijkt dat de inboedel en de leningen 34.000 gulden waard zijn en de onroerende goederen nog eens 20.500 gulden. Er is dus veel te verdelen, maar er zijn ook zeven kinderen. Klein Kolfschoten wordt toegescheiden aan zoon Johannes van Wolfswinkel voor 5000 gulden. Hij woont al op de boerderij. Wellicht al sinds zijn huwelijk in 1824 met Neeltje Ravesloot uit Woudenberg. Klein Kolfschoten bestaat uit een huismanswoning, bakhuis, wagenschuur, twee korenbergen, schapenhok, erf, werf, tuin en boomgaard en 34.91.20 ha land. Het gaat echter niet zo voorspoedig als het lijkt. Drie jaar na de boedelscheiding moeten Johannes en Neeltje 1500 gulden lenen van zijn broer Jacob. Nog geen jaar later slaat het noodlot toe. De schuur en twee korenbergen op het erf branden af. Deze klap komen ze niet meer te boven. In maart 1848 vindt in het Rechthuis van Scherpenzeel de openbare verkoop plaats van de boerderij en de tiend die bij hoort. Ze worden verkocht voor respectievelijk 7025 gulden en 2025 gulden31 . In januari 1849 worden ook inboedel en hout verkocht voor 1350 gulden32 . Het echtpaar vertrekt naar Renswoude waar Neeltje overlijdt. Johannes overlijdt in Lunteren, 88 jaar oud. Hun enige zoon Breunis zal in 1886 emigreren naar Amerika.
Klein Kolfschoten wordt gekocht door Aaltje van Dooren, weduwe van Willem Langelaar uit Renswoude. Met haar vier jongste kinderen van 11 tot 18 jaar gaat zij er wonen. Maar na drie jaar wordt Aaltje ziek. Zo ziek dat ze haar einde voelt naderen. In februari laat zij haar testament maken33 . Opvallend daarin is dat zoon Gijsbert Langelaar 175 gulden krijgt omdat hij zelf in dienst is gegaan en geen plaatsvervanger heeft gestuurd. Twee weken later staat Klein Kolfschoten te koop34 . De kopers worden Lubbert Wolswinkel, landbouwer op Voskuilen en zijn aanstaande bruid Aaltje van Wolfswinkel van Groot Schaik. Zij leggen er 7900 gulden voor op tafel. Dus bijna 900 gulden meer dan drie jaar eerder. Een maand later overlijdt Aaltje en een jaar later is het boelhuis en wordt de inboedel voor 2367 gulden verkocht. In juli 1852 worden ook de rogge en haver op het veld verkocht voor 605 gulden35 .
Lubbert en Aaltje zijn inmiddels getrouwd en gaan op Klein Kolfschoten wonen. Zij krijgen twee zoons, waarvan er één na een dag overlijdt. Er volgt een rustige tijd en hun enige kind, Cornelis, trouwt op 26‐jarige leeftijd met de Woudenbergse Maartje Apeldoorn van boerderij ’t Vliet. Nu worden er maar liefst 13 kinderen geboren. U kent ongetwijfeld hun nakomelingen. Een greep: de boer van de Lagemaat (Kees van Lubbert) in Woudenberg, de familie Blanken en bakker Wolswinkel in Scherpenzeel, de boer van Klein Ravenhorst in Renswoude en de meelboeren van de Zandbrinkermolen in Leusden.
De vader van Cornelis overlijdt in 1886 (64 jr.) en zijn moeder in 1893 (69 j.). Natuurlijk erft Cornelis als enig kind alles. De boerderij wordt geschat op 11.000 gulden36 . Het totale vermogen is bijna 40.000 gulden. Dat maakt Cornelis zo ongeveer de rijkste boer van Scherpenzeel. In 1897 koopt hij de boerderij Klein Schaik er bij en in 1912 de boerderij Klein Ravenhorst in Renswoude. In 1914 overlijdt Maartje en een jaar later Cornelis. Ze liggen op Glashorst begraven. De boerderij wordt tot augustus 1921 verhuurd aan Vlastuin. Van al hun kinderen wil niemand de boerderij overnemen en men besluit in 1915 om de boel te verkopen. Klein Kolfschoten wordt in twee delen verkocht: de boerderij met 15.60.50 ha land voor 13.300 gulden aan R. Treels uit Scherpenzeel en de resterende 9.13.20 bouw‐ en weiland en 9.70.30 ha heide voor 9.000 gulden aan H. Budding, W. Schimmel en J. van Wolfswinkel Cz.
De boerderij wordt verhuurd aan Albertus Wolswinkel, één van de zoons van de vorige eigenaar Cornelis Wolswinkel. In 1919 komen we Jan Teunis van Oostrum tegen37 . Hij komt uit Maartensdijk en trouwt de Puttense Gerritje van den Hazel. Hij heeft de boerderij gekocht. Van Oostrum heeft volgens overlevering in 1930 zelf zijn boerderij in brand gestoken om m.b.v. het verzekeringsgeld een nieuwe te bouwen. Zijn vier zoons sluiten zich in de oorlog aan bij de Hollandse SS. Eén van hen, Jan Teunis is in Letland gesneuveld.
Zijn broer Cornelis van Oostrum neemt de boerderij over. Hij komt in 1932 met zijn vrouw Aaltje Hoonhorst vanuit Putten naar Klein Kolfschoten. Niet voor lang want anderhalf jaar later vertrekt hij weer naar Nijkerk. Hij verhuurt de boerderij aan zijn oom Wulf Hoonhorst en zijn vrouw Maartje van Drie uit Nijkerk. Wulf is al 73 jaar oud en neemt zijn zoon Wulf jr. mee naar Scherpenzeel. Wulf jr. trouwt in 1934 met de Hooglandse Aaltje Lasseur. Een voordochter wordt geëcht en twee dochters worden op Klein Kolfschoten geboren. In 1937 gaat het gezin van de boerderij en wordt hun plaats ingenomen door Eibert Wilgenburg uit Zwartebroek met zijn tweede vrouw Elisabeth de Groot.
Eibert Wilgenburg en Elisabeth Wilgenburg‐de Groot op Klein Kolfschoten
De familie Wilgenburg heeft van 1940 tot 1956 op Klein Kolfschoten gewoond. Daarna is het gezin grotendeels naar Amerika geëmigreerd. Een van de kinderen, Arie Wilgenburg die in 1944 op Klein Kolfschoten is geboren en nu met zijn ook van oorsprong Nederlandse vrouw Sylvia van der Woude in Escondido, Californië woont, is bij de totstandkoming van het bijzondere verhaal over zijn familie een belangrijke informatiebron geweest. Samen met zijn familie heeft hij informatie verzameld die in dit verhaal is verwerkt. Ook Jossi Efrat die als Joods jongetje was ondergedoken op Klein Kolfschoten, heeft hieraan bijgedragen.
Sylvia en Arie Wilgenburg, 2023
Eibert Wilgenburg komt uit Zwartebroek waar hij in 1893 is geboren. Hij trouwt in 1922 met Francina Davelaar uit Barneveld
die in hetzelfde jaar als haar echtgenoot is geboren. Het jonge paar vestigt zich in Barneveld. In 1929 koopt Eibert samen met Jan Jacobus van den Born, ook uit Barneveld, de molen Crescendo in Achterberg. Dan verhuizen Eibert en Francina met hun twee zoons Jacob en Johan en hun dochters Truus en Bea naar Achterberg waar ze in de molen gaan wonen (Molenweg B 135)38 . Eibert wordt graanhandelaar. Het gezin wordt uitgebreid met twee dochters: Corrie en Jopie. In oktober 1935 slaat het noodlot toe als er bij de geboorte van zoon Gerrit complicaties optreden bij moeder Francina met als gevolg dat ze op 4 november 1935, vier dagen na de geboorte van Gerrit, op 42‐jarige leeftijd overlijdt. Eibert blijft achter met zeven kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. Hij kan niet voor zijn jongste zoon zorgen, zodat hij hem door zijn oudere broer Gerrit en schoonzus Cornelia aan de Scherpenzeelseweg in Barneveld laat opvoeden. Zij hebben samen maar één kind. Gerrit blijft totdat hij het huis
uitgaat bij zijn ome Gart en tante Kee wonen. Niet lang na het overlijden van Francina trouwt Eibert op 31 maart 1936 met de 18‐jarige Elisabeth de Groot uit Rhenen, die vermoedelijk daarvoor als huishoudster bij Eibert heeft gewerkt. Elisabeth is 24 jaar jonger dan Eibert. Een week later verhuist het gezin naar Woudenberg waar dochter Willy wordt geboren. Adresgegevens zijn niet bekend. Daar blijven ze niet lang. Al in 1937 vertrekt het gezin naar Driel waar in dat jaar dochter Jannie ter wereld komt en een jaar later
wordt broertje Ed daar geboren. Vlak voor de oorlog, in
Eibert en Elisabeth Wilgenburg, 1936
januari 1940 koopt Eibert de boerderij voor 29.660 gulden van Cornelis van Oostrum39 . Voordat Eibert en Elisabeth naar Scherpenzeel verhuizen krijgen ze op 29 februari 1940 een tweeling: Jacoba en Ans. Een paar dagen later overlijdt Jacoba kort na haar geboorte op 4 maart in Driel. Twee maanden later, in mei 1940, wanneer ze nog maar net in Scherpenzeel wonen, moeten Eibert en Elisabeth met hun 10 kinderen evacueren naar Noord‐Holland. Het moet een bijzonder zware periode zijn geweest voor Eibert en zijn gezin. Nadat zijn eerste vrouw is overleden verhuist het gezin in een paar jaar tijd maar liefst drie keer, de evacuatie in 1940 niet meegeteld.
Klein Kolfschoten is in die tijd een agrarisch bedrijf waar Eibert Wilgenburg 16 koeien melkt en aardig wat kippen en varkens houdt. De varkens worden in de schuur naast de boerderij gefokt.
Arie en Wim (Bill) Wilgenburg, gemeentehuis Scherpenzeel
De melk en de eieren zijn een belangrijke bron van inkomsten. Eibert gaat wekelijks naar de markt in Scherpenzeel. De boerderij staat op 16 ha eigen grond. Het land wordt bewerkt door twee paarden. In de boomgaard staan appel‐, peren‐ en pruimenbomen. In de grote moestuin teelt Eibert naast groenten ook veel aardappels. De boerderij is aangesloten op het elektriciteitsnet, maar water moet worden opgepompt. Er is veel werk te doen op de boerderij. De kinderen worden o.a. ingezet bij het melken, eieren uithalen, kleren naaien, varkens voeren, hooien en knollen oogsten. Het is bittere noodzaak dat iedereen zijn steentje bijdraagt. Het
gezin breidt in de oorlogsjaren uit met Cobi, Nelly en Arie. Nelly overlijdt kort voor haar 3e verjaardag op 5 december 1945. Daarna viert familie Wilgenburg het Sinterklaasfeest nooit meer op 5 december, maar een dag later.
Boodschappen worden in Scherpenzeel gedaan, waar je ook voor nog geen 50 cent je haar kan laten knippen. Het lukt Eibert en Elisabeth ondanks hun grote gezin de eindjes aan elkaar te knopen. De kinderen gaan op de fiets naar de lagere school op De Glind, waar het gezin ook naar de Gereformeerde Kerk gaat. Elke week zitten ze vlakbij Gerrit en zijn pleegouders in de kerk. Hoewel Gerrit bij zijn oom en tante blijft wonen zijn de contacten met hem altijd goed geweest en beschouwen ze hem als lid van het gezin. Na de lagere school gaan de kinderen naar de landbouwschool in Scherpenzeel en naar vervolgopleidingen in Barneveld en Amersfoort. Als de afstand te groot wordt om te fietsen, wordt gebruik gemaakt van de bus en de trein. Een auto bezit de familie niet.
Evacués en Joodse onderduikers
Op bevel van de Duitsers moeten de inwoners van Arnhem en omgeving in september 1944 tijdens operatie Market Garden evacueren. Twee gezinnen van familie Middendorp uit Renkum vinden onderdak op Klein Kolfschoten, waar Eibert en Elisabeth Wilgenburg dan met 13 kinderen wonen. Bij de gezinnen Middendorp zijn twee Joodse kinderen ondergedoken. Het zijn Elma van Adelsberg en Jopie Voet. Elma is 18 jaar en leerling van het Joods Montessori Lyceum in Amsterdam. Ze heeft een (vals) persoonsbewijs met haar schuilnaam J. (Johanna) T. van Haalte. Haar vader en moeder, Salomon en Gertrud Betty van Adelsberg‐Cohn, zijn kort nadat
Elma in september 1943 is ondergedoken opgepakt en allebei in 1944 in Auschwitz vermoord, Salomon op 31 maart en moeder Gertrud op 19 november. Elma’s jongere broer Martin is ook ondergedoken, maar bij een ander gezin.
Jopie Voet komt uit Amsterdam. Zijn ouders, Joseph Voet en Geeltje Gerda Voet‐Haalman, en hun drie kinderen moeten in 1943 onderduiken. Ouders en kinderen worden gescheiden.
Elma van Adelsberg Jopie Voet
Jopie komt in Renkum terecht, zijn ouders in Almelo. Jopie Voet is
4 jaar als hij in 1943 op zijn onderduikadres bij familie Middendorp wordt gebracht. Jopie Voet en Elma van Adelsberg komen vanwege de familiebanden van hun onderduikouders vaak met elkaar in aanraking. Bij dreigend gevaar schuilt de hele familie Middendorp in dezelfde schuilkelder.
Vals persoonsbewijs
Op Klein Kolfschoten wonen van september 1944 tot de Bevrijding alles bij elkaar 24 (!) personen. Het lijkt onmogelijk om alle monden te voeden, maar toch slaagt men daarin. Er zijn voldoende aardappels die bij het ontbijt, het middag‐ en avondeten op het menu staan. De ene keer als soep, een andere keer als puree of gewoon gekookt. Van de melk van de koeien wordt kaas en pap gemaakt. Ook slacht Eibert soms een varken.
De meeste kinderen van Eibert en Elisabeth hebben donker haar, waardoor Elma en Jopie niet echt opvallen als Joodse kinderen. Als de Duitsers met veel machtsvertoon op Klein Kolfschoten komen op zoek naar iemand, zitten alle kinderen inclusief Elma en Jopie aan de keukentafel, zonder als onderduikers te worden opgemerkt door de Duitsers. Ook komen ze soms langs om bijvoorbeeld een varken te vorderen.
Na de Bevrijding vertrekken de evacués weer naar Renkum. Elma gaat op de fiets naar Amsterdam waar ze op zoek gaat naar familieleden die de oorlog overleefd hebben. In 1953 trouwt ze met Hugo Stibbe, die in de oorlog vier jaar gevangen zat in Nederlands‐Indië in een Japans kamp. Kort na hun huwelijk vestigen Elma en Hugo zich in Israël waar ze de rest van hun leven blijven wonen. Ze krijgen twee kinderen, dochter Naomi en zoon Eytan Stibbe, die in 1958 is geboren. Hij haalt tot twee keer toe het wereldnieuws. In 1982 schiet Eytan als piloot van het Israëlische leger in één luchtgevecht drie vijandige Syrische straaljagers uit de lucht. Twee jaar later verlaat hij het leger en beproeft hij zijn geluk in de zakenwereld. Niet zonder succes. Eytan Stibbe verdient een vermogen. Dat stelt hem in 2022 in staat op eigen kosten een ruimtereis van twee weken te maken naar het ruimtestation ISS, waarmee hij voor de tweede keer wereldwijd in het nieuws komt.
Na 5 mei 1940 gaat familie Middendorp op zoek naar de ouders van Jopie Voet in Almelo. Zij hebben de oorlog ook overleefd. Jopie wordt met zijn ouders, die hij niet direct als zodanig herkent, herenigd. Zijn broer is inmiddels zo vervreemd van zijn biologische ouders en gehecht aan zijn onderduikouders, dat hij niet terug wil naar hen. Dat is dramatisch. In 1949 emigreert Jopie Voet met zijn ouders naar Israël waar hij tot op de dag van vandaag woont. Hij krijgt drie dochters: Zohara, Ronit en Daphna. Later verandert Jopie Voet zijn naam in Jossi Efrat.
Emigreren
In 1947 emigreert Jacob (Jack), de oudste zoon van Eibert en zijn eerste vrouw, op 24‐jarige leeftijd naar Amerika om daar zijn geluk te beproeven. Een paar jaar later gevolgd door zijn jongere broer Johan (Joe). Beiden vestigen zich in Caledonië in de staat New York. Op Klein Kolfschoten wordt in 1947 zoon Willem geboren. Na hem komen er nog twee zoons: Bert en Hans. Jack ‘ontdekt’ in Californië een Nederlandse gemeenschap waarvan veel leden een melkveebedrijf hebben en zijn aangesloten bij de Christian Reformed Church. In 1954 komt Jack op familiebezoek op Klein Kolfschoten.
Inschepen familie Wilgenburg
Hij is enthousiast en weet zijn ouders te overtuigen Klein Kolfschoten te verkopen en ook naar Amerika te emigreren. Twee jaar later is het zover. Op 17 maart 1956 vertrekt de inmiddels 62‐jarige Eibert Wilgenburg met zijn vrouw Elisabeth en de kinderen met het schip de Westerdam van de H.A.L. naar Amerika. De kinderen
Truus, Corrie en Gerrit blijven in Nederland. Zij zijn volwassen en leiden
hun eigen leven. In Californië begint familie Wilgenburg opnieuw met een melkveebedrijf. Zowel de ouders als de kinderen in Nederland en Amerika bezoeken elkaar in de jaren daarna regelmatig over en weer. De kinderen zijn later bijna allemaal in de land‐ en tuinbouw terecht gekomen. Ze worden succesvolle ondernemers in de pluimvee industrie en zuivelindustrie met voor Nederlandse begrippen heel grote bedrijven. Eibert Wilgenburg
overlijdt in 1966 op 72‐jarige leeftijd in San Marcos, Californië. Zijn tweede echtgenote Elisabeth is in 2008 in Visalia, Californië op 90‐jarige leeftijd overleden. Het nageslacht van Eibert Wilgenburg, zijn eerste vrouw Francina en zijn tweede echtgenote
Eibert en Elisabeth Wilgenburg, 1956
Elisabeth Wilgenburg‐ de Groot
Eerbetoon
Elisabeth is talrijk. Van de 18 kinderen die zij kregen, zijn er nog 9 in leven. Gerrit is in januari 2023 overleden. In Nederland wonen meer dan dertig nakomelingen, terwijl er in Amerika en Canada van noord naar zuid en van oost naar west meer dan 150 nakomelingen van Eibert Wilgenburg zijn.
De contacten tussen Elma van Adelsberg, familie Middendorp en familie Wilgenburg zijn door wat zij samen hebben doorstaan altijd zeer hecht gebleven. Elma en Jossi hebben meerdere keren een bezoek gebracht aan familie Wilgenburg in Amerika, terwijl Elisabeth Wilgenburg hen in 1978 heeft bezocht in Israël. Als eerbetoon aan de familie Wilgenburg heeft Jossi Efrat een boom geplant in het Westerweel Woud. Dat heeft Elma van Adelsberg ook gedaan. Jossi is regelmatig terug geweest op Klein Kolfschoten, in 1975 samen met Elma van Adelsberg. Op 5 augustus 2023 heeft Jossi met zijn dochter Ronit en haar drie kinderen Klein Kolfschoten bezocht.
Elma van Adelsberg op Klein Kolfschoten, 1975
Certificaat eerbetoon voor familie Wilgenburg
Struikelstenen familie Van Adelsberg Jossi Efrat met zijn dochter en kleinkinderen op Klein
Kolfschoten, 5 augustus 2023
Elma van Adelsberg is in 2022 op 97‐jarige leeftijd in Israël overleden. In december 2022 zijn er aan de Ruyschstraat 27 in Amsterdam vier ‘Struikelstenen’ voor het huis waar de familie Van Adelsberg heeft gewoond gelegd. De kinderen van Elma, Naomi en Eytan, en al haar kleinkinderen en verdere familieleden die overal ter wereld wonen, waren daarbij aanwezig. Ook vertegenwoordigers van familie Wilgenburg waren toen in Amsterdam.
Familie Werkman op Klein Kolfschoten
Helmes Werkman, zoon van Willem en Arisje Werkman‐van Ravenhorst, is in 1919 op De Haar in Scherpenzeel geboren. Het gezin van Willem en Arisje telt negen kinderen, zes zoons en drie dochters. Helmes trouwt in 1947 met Janna van Ravenhorst. Het jonge echtpaar gaat aan de Lange Steeg in Leusden wonen, waar ze een bescheiden agrarisch bedrijf beginnen. De eerste jaren van hun huwelijk zijn vervuld van verdriet. In december 1947 wordt de tweeling Jan en Arisje geboren. Beide kinderen overlijden binnen een maand na hun geboorte. Hun derde kind Wim komt in 1951 gezond ter wereld.
Helmes en Janna Werkman, 1991
In 1956 kopen Helmes en Janna boerderij Klein Kolfschoten met ongeveer 16 ha grond van Eibert Wilgenburg voor ca. 100.000 gulden. Vijf ha verkoopt Helmes vrijwel direct door: 2 ½ ha aan zijn broer Arie en een even groot stuk aan zijn zus Arisje, zodat ook zij
zich dichtbij hun ouderlijk huis op De Haar kunnen vestigen met een agrarisch bedrijf. Helmes melkt zijn 16 koeien handmatig in de buitenlucht. Later kunnen de koeien op een betonplaat staan, die weer later wordt overkapt. ’s Winters staan de koeien op de deel. De twee zeugen die Helmes aanvankelijk heeft verdwijnen al snel van Klein Kolfschoten. Helmes houdt ook tweeduizend kippen in koloniehokken. Zoon Wim zorgt ervoor dat de kippen ’s avonds gelijkmatig over de hokken worden verdeeld. Het houden van legkippen is in die tijd geen vetpot. Daarom schakelt Helmes over op de productie van broedeieren die hij aan Blanken in Scherpenzeel verkoopt. Daar verdient hij meer aan. Het bedrijf breidt uit en Helmes Werkman bouwt een kippenschuur en een stal voor het jonge rundvee. Het duurt nog tot midden jaren zeventig voordat de tractor zijn intrede doet. Tot die tijd heeft Werkman een paar werkpaarden in dienst. Eerst een schimmel en later fjordenpaarden.
Klein Kolfschoten, 1978
In 1978 bouwen Helmes en Janna een bungalow op eigen grond bij Klein Kolfschoten waar ze sinds dat jaar gaan wonen. Die verhuizing heeft er alles mee te maken dat zoon Wim in hetzelfde jaar trouwt en zijn intrek neemt op de boerderij. Wim helpt zijn vader van jongs af aan op het bedrijf. Hij gaat naar de lagere school op De Glind, maar verzuimt de lessen vaak omdat hij thuis niet gemist kan worden. Zijn vader kan door een aandoening aan zijn handen lange tijd niet zelf melken. In overleg met de burgemeester van Scherpenzeel en het hoofd van de lagere school krijgt Wim dispensatie en krijgt hij gedeeltelijk vrijstelling van de leerplicht. Na de lagere school gaat Wim twee jaar naar de landbouwschool in Barneveld, maar ook dan moet hij de lessen vaak verzuimen vanwege de thuissituatie. Helmes Werkman blijft tot 1988 op het boerenbedrijf op Klein Kolfschoten werken. Helmes is in 1999 op 80‐jarige leeftijd overleden, zijn echtgenote Janna twee jaar daarvoor in 1997 toen ze 76 jaar was.
In 1978 trouwt Wim met Ans Ridder uit Nijkerk. Haar ouders hebben een boerderij en haar vader is naast boer ook veeoppasser in polder Arkemheem. Veel boeren weiden daar hun jongvee ver van huis, zodat een toezichthouder noodzakelijk is. Dagelijks wandelt Ans’ vader vele kilometers rond tientallen ha weiland. Van huis uit wandelt hij ook met zijn stier naar de polder om tochtige pinken te laten bevruchten. Inmiddels groeit de veestapel op Klein Kolfschoten gestaag en zijn er rond 1980 ongeveer 60 koeien. Om al het vee te kunnen huisvesten worden achtereenvolgens twee nieuwe kippenschuur in 1990 en 1997 gebouwd en een nieuwe koeienstal in 2007. De koeien staan allang niet meer op de deel. Wim en Ans krijgen vier kinderen: Jolanda, Helmes en de tweeling Annemarie en Jan‐ Willem die in 1981 wordt geboren. Jan‐Willem treedt later in de voetsporen van zijn opa en vader en is daarmee de derde generatie van familie Werkman die op Klein Kolfschoten boert.
Wim en Ans Werkman, 1991
Boven vlnr: Jolanda, Ans en Helmes; onder vlnr: Jan‐Willem, Wim en Annemarie, 1991
Hij gaat in Scherpenzeel naar basisschool De Boskamp, maar als die school in 1990 wordt gesloten verhuist hij naar basisschool De Glashorst. Hierna volgt Jan‐Willem twee jaar de mavo in Scherpenzeel. Dan zet hij zijn opleiding voort aan het Groen van Prinsterer College in Barneveld. Zodra hij van school afkomt gaat Jan‐Willem thuis bij zijn vader op de boerderij werken. In 2005 trouwt hij met Mariëlle van de Weerd uit Zwartebroek. Ook haar ouders hebben een agrarisch bedrijf. Als vanwege de aanleg van autoweg A30 in Ede hun boerderij moet wijken, verhuizen ze naar Zwartebroek. Jan‐Willem en Mariëlle gaan in de bungalow die opa Helmes en oma Janna hebben laten bouwen wonen. Ze hebben vier kinderen: Diane, Hanna, Julia en Willem. Nu runnen Jan‐Willem en Mariëlle samen met Wim en Ans Werkman het bedrijf. Inmiddels hebben ze van woonruimte gewisseld, zodat Jan‐Willem en Mariëlle met hun kinderen op de boerderij wonen en Wim en Ans Werkman in de bungalow.
Jan‐Willem en Mariëlle Werkman, 2023
Boven Jan‐Willem en Mariëlle; midden Hanna en Diane; onder Willem en Julia, 2023
Op Klein Kolfschoten zijn nu ongeveer 120 melkkoeien die met een melkrobot worden gemolken. Daarnaast zijn er 16.000 kippen. Bij Klein Kolfschoten hoort ca. 13 ha eigen grond. Ook wordt er gras‐ en akkerland gehuurd. Klein Kolfschoten is aangesloten bij de Coöperatieve Vereniging Meerwaarde Ei, een organisatie van pluimveehouders die de grootste aanbieder van biologische eieren in Nederland is en waarvan ruim veertig pluimveehouders lid zijn. De vereniging is in 2014 opgericht. De rolverdeling op Klein Kolfschoten is duidelijk: Wim Werkman is verantwoordelijk voor het pluimvee en Jan‐Willem Werkman voor de koeien.
1 Bijdragen tot de geschiedenis der heeren en der
heerlijkheid van Scherpenzeel, door J. Louise, A. Terpstra en J.W. Wijndelts, blz. 272; 02‐07‐1373. In: Bijdragen en mededelingen Gelre, deel 14 (1911). De besproken stukken komen uit het familie‐archief Op ten Noort. Het origineel is verbrand bij het bombardement van Middelburg in 1944. Volgens vriendelijke mededeling van jkhr. J. op ten Noort in Zeist.
2 J.C. Klesser. Waar lag het oude Colverschoten? In:
Scarpenzele jg 1 (1993), blz. 7‐10.
3 Rekeningen van het Bisdom Utrecht, 1378‐1573. Deel
1. Blz. 17: in 1378 moet Colveschoten jaarlijks twee mud rogge aan de bisschop betalen. De koster van Leusden moest deze ophalen en naar Utrecht brengen. Blz. 247, 291: in 1426 is sprake van ‘tween goeden tot Colvenscoten’. De voorgeschiedenis staat ook al beschreven bij de geschiedenis van De Haar in Oud Scherpernzeel jg 32 nr. 4, 2020.
4 Leenboek Huis Scherpenzeel 107, fol. 1; 01‐10‐1474.
5 Leenboek Huis Scherpenzeel 107, fol. 27; 20‐07‐1448,
04‐12‐1488.
6 Leenboek Huis Scherpenzeel 107, fol. 26; 09‐05‐1490. 7 HGA; Inventaris 0405 Huis Ter Horst, 1.3.1 Van
Lantscroon, nr. 199‐216.
8 Het lag aan de westzijde van de Oude Gracht in
Utrecht.
9 Volmacht voor notaris Van Zijp te Leiden d.d. 08‐02‐
1626. Leenboek Huis Scherpenzeel 141, fol. 159; 18‐05‐ 1626.
10 Leenboek Huis Scherpenzeel 142, fol. 13; 01‐07‐1657. 11 HGA, Hertogelijk Archief 1363; 1526.
12 HGA; Hof van Gelderland 2563, Graantelling 1566.
13 HGA, Archief Westerholt 252‐1, nr. 1; Landcedulle
1647.
14 In 1652 betaalt Jan op Cleijn Colffschoten 8‐0‐0 (HGA,
Archief Westerholt 013‐45: “Cedulle nopende de generaelle verpachtange van anno 1652 vuert landt”).
15 Leenboek Huis Scherpenzeel 148, fol. 41; 05‐02‐1686. 16 AE; Not. Amersfoort AT023b002; 15‐04‐1698.
17 Leenboek Huis Scherpenzeel 143, fol. 42; 05‐07‐1702.
18 Leenboek Huis Scherpenzeel 144, fol. 63vo; 13‐07‐
1739.
19 Leenboek Huis Scherpenzeel 144, fol. 67vo; 25‐11‐
1741.
20 Van Gijsbert Hendriks van Schaik en Hendrikje
Cornelissen van Huigenbosch. Leenboek Huis Scherpenzeel 144, 119; 14‐01‐1749. Voor de lening van de diaconie moeten zij behalve de rente ook jaarlijks twee voer turf leveren voor de armen. (Archief Grote Kerk 156, fol. 7).
21 Het jaartal wordt genoemd in: HGA, Archief
Westerholt 249‐2, nr. 18, Inventaris nalatenschap Sophia Charlota van Westerholt, gravinne van Wartensleben, fol. 9vo; 13‐08‐1771. Leenboek Huis Scherpenzeel 145, fol. 29; 09‐09‐1758. Afschriri in: HGA, Archief Westerholt 013‐28.
22 AE; BNR 0001.01 Stadsarchief 1536; 28‐03‐1753.
23 HGA, Archief Westerholt 271, Rekening 1754 en 1759. 24 Leenboek Huis Scherpenzeel 143, fol. 99; 16‐06‐1773. 25 AE; Notarieel Woudenberg 2462, Nr. 9, fol. 53‐56vo;
02‐10‐1774.
26 Leenboek Huis Scherpenzeel 145, fol. 114; 22‐04‐
1775.
27 Leenboek Huis Scherpenzeel 146, fol. 1; 28‐09‐1786;
03‐09‐1789 en fol. 2; 04‐12‐1793.
28 Archief Grote Kerk 209, inning gararoren; sept. 1785. 29 HGA; Bataafs Frans Archief nr. 235; 27‐10‐1795.
30 Notarieel Scherpenzeel 4129, nr. 6; 26‐02‐1844.
31 HGA; Notarieel Scherpenzeel 4131, nr. 11; 08‐03‐1848 32 HGA; Notarieel Scherpenzeel 4131, nr. 2; 08‐01‐1849 33 HGA; Notarieel Scherpenzeel 4132, nr. 8; 24‐02‐1851. 34 HGA; Notarieel Scherpenzeel 4132, nr. 10; 13‐03‐
1851.
35 HGA; Notarieel Scherpenzeel 4132, nr. 8; 18‐02‐1852,
nr. 13; 06‐07‐1852.
36 HGA; Notarieel Scherpenzeel 4147, nr. 29; 25‐08‐
1886.
37 Lidmaten Scherpenzeel: Jan Teunis van Oostrum en
Gerritje van den Hazel, met a aestatae van Pu aen 24‐02‐ 1919, met a aestatae vertrokken naar Barneveld mei 1935.
38 Oud Rhenen, mei 1999
39 Not. A.J. Bok te Barneveld; 05‐01‐1940.

