Doorgaan naar inhoud
Lid worden?
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact
YouTube
Facebook
Lid worden?
YouTube
Facebook
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact

Verenigingsblad 2023-3



35E JAARGANG NR. 3 SEPTEMBER 2023






Vereniging Oud Scherpenzeel

Van de bestuurstafel 4

Uitnodiging maand van de Geschiedenis 5

Uitnodiging najaarsbijeenkomst 6

Justitie in vroeger tijd: de zaak van het vermiste schaap 7

Dolf Blok (1888‐1960) 10

Daniël die niet wilde deugen?! (Deel 1) 14

Johannes Wagenaar 18

Zonnehof 23

Mimi Duim vertelt 28

De kopij voor het decembernummer dient uiterlijk zaterdag 11 november 2023 a.s. te zijn ingeleverd bij de redactie.

Omslag:

Zonnehof aan de Stationsweg, zie artikel ‘Zonnehof’, pag. 23 e.v.

VAN DE BESTUURSTAFEL

Wim van den Berg, voorzitter

Vindt u bij terugkomst van uw vakantie weleens een envelop met € 750,‐ op de deurmat? Onze penningmeester wel! Niet voor haarzelf, maar voor onze vereniging. Een anonieme gulle gever heeft ons dat bedrag geschonken. Daar zijn we ontzettend blij mee. Een persoonlijk bedankje is vanwege de anonimiteit niet mogelijk, maar vanaf deze plaats bedanken we deze weldoener hartelijk. We zullen de gift op een verantwoorde manier besteden. Een andere meevaller was de opbrengst van de statiegeldactie van Jumbo Mudde die het mooie bedrag van €210,‐ heeft opgeleverd.

Gemeente Scherpenzeel heeft geld beschikbaar gesteld voor een project over de Lambalgerkeerkade. Onlangs is een nieuwe watergang langs deze keerkade aangelegd en een grenspaal van het voormalige Ministerie van Oorlog, die daar al sinds het midden van de 19e eeuw staat, goed in het zicht gebracht. Om de aandacht te vestigen op dit cultuur historisch erfgoed werkt Oud Scherpenzeel i.s.m. de Stichting Grebbelinie in het Vizier aan een informatiepaneel over dit Rijksmonument.

Provincie Gelderland biedt ons de mogelijkheid een Mediatour door Scherpenzeel te ontwikkelen, zodat wandelaars met hun smartphone informatie in de vorm van beeld‐ en geluidsfragmenten over historisch interessante plekjes in Scherpenzeel krijgen. Ook daaraan wordt op dit moment hard gewerkt.

Aan de bibliotheek van Rozet in Arnhem zijn de afgelopen tijd de verenigingsbladen van 2017‐ 2020 toegevoegd, zodat nu de jaargangen 1 t/m 32 eenvoudig digitaal doorzoekbaar zijn. Bent u op zoek naar informatie over de geschiedenis van Scherpenzeel, dan kunt u gemakkelijk met een zoekwoord alle verenigingsbladen doorzoeken. Dat werkt zo:

Ga naar www.rozet.nl; klik aan Erfgoedcentrum; klik aan Zoek rechtstreeks in het Gelders deel van de catalogus; vul een trefwoord in en vervolgens verschijnen o.a. de verenigingsbladen waarin over het onderwerp is geschreven. Bijvoorbeeld: als u invult ‘Scherpenzeelse boerderijen’ dan zijn er 27 resultaten. De treffers tot en met 2020 zijn digitaal beschikbaar. Daarna verschenen artikelen liggen ter inzage bij Rozet. Daarnaast zijn in www.archieval.nl alle lokale kranten die van 1918‐2000 zijn verschenen doorzoekbaar. De geschiedenis van ons dorp wordt steeds toegankelijker gemaakt. Natuurlijk kunt u ook elke dinsdagavond tussen 19.00 uur en

21.00 uur voor informatie terecht in ons documentatiecentrum in het Koetshuis.

Het documentatiecentrum is vanbinnen toe aan een schilderbeurt. We zijn op zoek naar vrijwilligers die ons komende winter willen helpen met het aanbrengen van een likje verf. Als u zich geroepen voelt, neemt u dan contact op met een van onze bestuursleden.

De komende tijd staan er interessante activiteiten op het programma waarvoor u in dit verenigingsblad uitnodigingen vindt. We hopen u daarbij te ontmoeten.

We zijn er dankzij de medewerking van meerdere leden o.i. weer in geslaagd een mooi blad voor u samen te stellen. De hoogste tijd om hun verhalen te gaan lezen!

UITNODIGING MAAND VAN DE GESCHIEDENIS

Thema: Scherpenzeel is veranderd.

Woensdag 4 oktober organiseren we i.s.m. Bibliotheek Scherpenzeel een avond in het kader van de Maand van de Geschiedenis. Evenals voorgaande jaren gaat Martien Heijting in gesprek met personen die hun ervaringen met u willen delen.

Tussen de interviews door wordt als inleiding op het gesprek een korte presentatie rondom het gespreksonderwerp vertoond.

Medewerking wordt verleend door:

  • Rinus van Bommel (over in 50 jaar van SOS naar SWO, van ouderen‐ naar welzijnsorganisatie)
  • Wim Schimmel (over de grenscorrectie in 1960 toen een deel van Woudenberg bij Scherpenzeel kwam)
  • Jan Hardeman (over het ophalen van groente‐ en fruitresten als schillenboer)
  • Hans Thielemans (over de ontwikkeling van het dorp als nieuwkomer in Scherpenzeel in 1964)
  • John Vermeulen (over de ontwikkeling van horeca en toerisme in Scherpenzeel)
  • Piet van Elst (over de veranderingen van ijzerwarenwinkel naar doe‐het‐zelf winkel)

De avond begint om 19.30 uur in de Breehoek en eindigt rondom 22.00 uur. Vanzelfsprekend is er in de pauze koffie. U bent van harte welkom!

UITNODIGING NAJAARSBIJEENKOMST

Op dinsdag 17 oktober 2023 is onze najaarsbijeenkomst in De Breehoek, Marktstraat 59. Aanvang 19.30 uur. Koffie en thee staan vanaf 19.00 uur voor u klaar.

We hebben een leuk programma voor u samengesteld. Het thema van de avond is

`Scherpenzeel Mobiel`

Waar maakten Scherpenzelers in het verleden gebruik van als ze vanuit Scherpenzeel reisden? En waarmee kwamen de middenstanders langs de deur? Scherpenzeel kent veel transportbedrijven. Ook daaraan besteden we aandacht.

Wat kunt u verwachten?

Presentaties:

Spoorlijn Amersfoort‐Kesteren, toegespitst op Station Woudenberg‐Scherpenzeel

door Henri Blotenburg

Vervoer in Scherpenzeel

door Piet Valkenburg

Busmaatschappijen en transportbedrijven

door Wim van den Berg

Van harte welkom!

JUSTITIE IN VROEGER TIJD:

DE ZAAK VAN HET VERMISTE SCHAAP

Willem van Maren

Als er tegenwoordig een overtreding of misdrijf wordt gepleegd komt eerst de politie in actie. Vervolgens beslist de officier van justitie wat er verder moet gebeuren. Als de zaak ernstig genoeg is treedt de officier op als aanklager bij de rechtbank en de rechter bepaalt of er eventueel een straf opgelegd moet worden. Tenslotte moet justitie er voor zorgen dat het vonnis wordt uitgevoerd. Het lijkt ingewikkeld dat er zoveel partijen bij betrokken zijn, maar dit moet garanderen dat er objectief en onafhankelijk over de kwestie geoordeeld wordt. In vroeger tijd waren al die functies niet of maar gedeeltelijk van elkaar gescheiden. De schout trad op als politie en aanklager. De schepenen van een dorp of stad bepaalden de straf, meestal met de schout als voorzitter. Daarna was de schout weer verantwoordelijk voor de uitvoering van het vonnis. Hoe ging dat er in Scherpenzeel aan toe?

In januari 1792 verneemt het Hof van Gelre in Arnhem dat er in de omgeving van Scherpenzeel onlangs enkele schapen zijn verdwenen waarvan sommige later gevild zijn teruggevonden. Als eerste was dit bij de boerderij Groot Orel gebeurd. Vervolgens wordt er een gevild schaap gevonden bij de boerderij Langelaar, in het ambt Barneveld, maar aan de grens met Scherpenzeel. Ook wordt er een schaap vermist op de boerderij Groot Gooswilligen in Scherpenzeel. Het Hof neemt het ernstig op en geeft op 17 januari de schout opdracht om de zaak te onderzoeken. Uit de adressering van de brief blijkt meteen al hoe beperkt de betrokkenheid van de regering in Arnhem is met de lokale besturen, want de secretaris van het Hof kent de naam van de schout niet.

De schout is Aart van Lutzenburg en hij heeft zich tot dat ogenblik niet druk gemaakt over de diefstallen, maar nu moet hij wel in actie komen. Vier dagen later stuurt hij een verslag naar het Hof. De enige kwestie waarvan details bekend zijn is die van het gevilde schaap van de boerderij Groot Orel. Op de boerderij woont de landbouwer Breunis van Wolfswinkel. Op zijn grond staan ook twee of drie schaapskooien. Begin januari miste Breunis een jong schaap dat in de achterste

schaapskooi thuishoorde. Op 4 januari komt zijn buurman Jacob Hendriks, landbouwer op Klein Orel, hem vertellen dat hij een kleine tweehonderd meter vanaf de schaapskooi een gevild schaap heeft gevonden. De schaapherder die bij Breunis in dienst is loopt meteen naar het karkas en hij herkent het vermiste schaap aan de kop. De herder is een echte speurder want hij merkt ook op dat het schaap door iemand met mannenschoenen moet zijn weggehaald. In de sneeuw kunnen de sporen van de dader en het schaap gevolgd worden vanaf de schaapskooi tot de plaats waar het schaap door Jacob Hendriks is gevonden.

“De boerderij Groot Orel.” Detail uit een kaart van Jan van Diepenem in 1636. (Gelders Archief, 0002‐286)

Wie is de dader? In een klein dorp als Scherpenzeel weet men veel van elkaar. Zo krijgt de schout te horen dat diezelfde week een schapenvacht is verkocht door de jood Hartog Abrahams aan de wolkammer Daniel ter Burg. Daniel zegt niet te weten van wie hij de vacht gekocht heeft. Dit klinkt heel onwaarschijnlijk maar de schout neemt er genoegen mee. De schout weet dat Daniel en andere wolkammers af en toe een schaapsvel kopen, dat is niets bijzonders. Ook is bekend dat Hartog Abrahams regelmatig een schaap, koe of kalf slacht. Ook niets bijzonders, maar is Hartog misschien de dader? Hiertegen pleit dat een knecht van de boerderij Oudenhorst in Woudenberg gezegd had dat Hartog de vacht gekocht zou hebben van ene Gerrit aan de Haar, een boer die in Maarsbergen of Leersum woont. Scherpenzeel ligt tegen de gemeente Woudenberg aan, maar Woudenberg, Maarsbergen en Leersum zijn niet Gelders maar liggen in het gewest Utrecht, het Sticht. De schout mag als Gelders ambtenaar niet zomaar een criminele zaak in het Sticht onderzoeken.

Het Hof reageert direct en draagt de schout op om bij Daniel ter Burg verder door te vragen. Als het schaapsvel door Hartog Abrahams is verkocht dan moet hij verhoord worden en in hechtenis worden genomen. Ook moet de woning van Hartog worden doorzocht. Verder vraagt het Hof om de kop van het gevilde schaap op te halen en te kijken of die bij de vacht past.

Twee dagen later schrijft schout Van Lutzenburg dat hij de wolkammer Ter Burg onder ede heeft verhoord en dat Hartog Abrahams is verhoord en gevangen gezet. De woning van Abrahams is doorzocht maar er is niets verdachts gevonden. Tenslotte is ook de kop van het gevilde schaap opgehaald bij Breunis van Wolfswinkel en bij de vacht gelegd die Ter Burg had gekocht. Wat heeft dit opgeleverd? De schout schrijft “waardoor mij gebleken is dat gemelde Kop niet aan dit Vel is passende, vermits daar aan vast zit het Vel van de Kop van ’t Schaap daar dit Vel van gehaald is, zoo dat ’t zelve in ’t geheel geene overeenkomst met die Kop heeft.” Weer twee dagen later op 27 januari geeft het Hof opdracht om Hartog Abrahams onmiddellijk vrij te laten, hij heeft dan vier dagen ten onrechte vastgezeten. Ook moet de schout blijven opletten want de zaak is nog niet opgelost.

Anderhalve maand later op 15 maart 1792 wordt er bij de boerderij Heintjeskamp in Scherpenzeel in een sloot opnieuw een gevild schaap gevonden. Het karkas moet er enige tijd gelegen hebben want het was al aangevreten door honden of vogels. Er wordt achterhaald dat de ontbrekende vacht al op 3 maart is gekocht door de wolkammer Dirk Overeem, nadat die al eerder was aangeboden aan Willem Gijsberts Renes. Overeem verklaart dat hij de verkoper wel eens eerder had gezien maar dat hij hem verder niet kende. De schout en twee schepenen bezoeken vervolgens alle wolkammersbedrijven in Scherpenzeel, dat zijn er dertien. De wolkammers worden ondervraagd en zo komt men er achter dat de verkoper van het laatste vel een bezembinder uit het Rhenense Veen, niet ver van Veenendaal is geweest. Rhenen ligt niet in Gelderland. Om de verkoper te kunnen verhoren zou eerst contact moeten worden opgenomen met de hoofdschout van de stad Rhenen in zijn functie als officier van justitie. Van Lutzenburg wil of durft dit zelf niet te doen en laat het stilzwijgend over aan het Hof. Het Hof stuurt daarna een gedetailleerde instructie naar Scherpenzeel. Alle betrokkenen, de boeren, schaapherders en wolkammersbazen moeten onder ede verhoord worden. Terwijl de schout daarmee bezig is komt hij op straat toevallig de zoon van de bezembinder uit het Rhenense Veen tegen. De schout schrijft “… liep ik de Besemkruijer voorbij na mijn Huijs daar denzelven aankwam, vraagende of er Besems noodig waren; ik hield hem aan de praat, vraagende waar hij vandaan kwam. ’t Antwoord was, uit ’t Veen [= Veenendaal].

Of hij de Besems zelfs maakte. Hierop antwoorde hij, Neen die maakt mijn Vader. Toen, of zijn Vader niet zelve met de Besems plag te komen? Hij antwoorde Ja. Waar ze de Heijde tot die Besems haalden? Hij zeijde, in ’t Rhenense Bosch. Eindelijk, waar zijn Vader in ’t Veen woonde? Hier op zijde hij, op ’t Zand daar Doctor Ambeek woond. ’t Welk onder de Jurisdictie [rechtsgebied] der Stad Rheenen behoord. Gaarne had ik hem nog gevraagd na zijn Vaders naam, dog vreezende dat zulks nadenken [argwaan] kon verwekken liet het daarbij blijven. Hebbende voorts van die persoon niet naders kunnen gewaarworden; alleen dat men zeijd dat toen hij nog zelve met de Besems hier kwam hij wel meer gewoon was een stuk Brood toe te bedingen, en gedebiteerd [verteld] word dat hij een slegt Character is”.

Handtekening van Aart van Lutzenburg, schout van Scherpenzeel. (Gemeentearchief Ede, 903‐11)

Uit dit alles blijkt dat schout Aart van Lutzenburg geen actieve en doortastende persoon was. Hij kwam pas in actie nadat hij een opdracht van het Hof van Gelre had ontvangen. Daarna liet hij Hartog Abrahams gevangen zetten hoewel het toen al vrij zeker was dat Hartog onschuldig

was. Hartog werd pas vrijgelaten nadat het Hof hiervoor opdracht gaf. Ook had de schout kunnen doorvragen toen hij met de zoon van de bezembinder sprak.

Op 29 maart 1792 komt er een besluit van het Hof van Gelre. De ingenomen schaapsvellen mogen worden teruggegeven. De schout moet bij dit soort zaken blijven proberen meer te achterhalen. Ook moet hij contact houden met de vele wolkammersbazen in Scherpenzeel over eventueel verdachte aanbiedingen van schapenvachten.

Het Hof laat de zaak verder rusten, ook al is er een duidelijke aanwijzing naar de Rhenense of Veenendaalse bezembinder als dader. Vermoedelijk vindt het Hof het teveel gedoe om de magistraat in Rhenen te benaderen. De mogelijke dader komt immers niet uit Gelre maar uit het gewest het Sticht of Utrecht. De twee gewesten zijn beiden deel van de Republiek der Verenigde Nederlanden, maar formeel onafhankelijk. Gelre mag zich daarom niet zomaar bemoeien met een misdadiger die in het Sticht woont. Hartog Abrahams heeft vier dagen onschuldig vastgezeten. Heeft hij compensatie of excuses aangeboden gekregen? Welnee, zoiets deed men toen niet, dat is iets van de 21e eeuw.

De zaak is niet voor het gerecht gekomen, ondanks het feit dat men de mogelijke dader kende. Het voorval toont dat de overheid zich destijds niet graag druk maakte. De schout deed niets totdat hij opdracht kreeg. Het Hof van Gelre maakte er aanvankelijk van werk van maar liet de zaak gaan toen bleek dat het bestuur in het gewest Utrecht ingeschakeld zou moeten worden. Zouden de boeren van wie een schaap was gestolen anders verwacht hebben?

Bron:

− Gemeentearchief Ede, Oud‐Rechterlijk Archief Scherpenzeel, toegang 903, inv. nr. 11.

DOLF BOLK (1888-1960)

Martin Wassen

(deel 3 over kunstschilders die in Scherpenzeel en omgeving hebben gewerkt of gewoond)

We mogen kunstschilder Bolk gerust rekenen bij de Scherpenzeelse schilders. Een groot gedeelte van zijn leven woonde hij weliswaar in Amersfoort en Woudenberg maar hij was sinds 1932 vooral ook georiënteerd op Scherpenzeel. Dit was o.a. vanwege de kortere afstand naar het centrum van ons dorp. Door een grenswijziging op 01 januari 1960 werd hij ook daadwerkelijk een Scherpenzeler.

Amersfoort en Amsterdam

A.A.M.C. (Adolph Alexander Marie Cornelis) Bolk werd op 30 oktober 1888 geboren in Waalwijk als zoon van een zeer bemiddelde notaris. Het gezin Bolk vertrok naar Amersfoort en woonde in 1899 aan de Soesterweg.

Zijn werkzame periode begon in 1905 en de jonge Dolf werd lid van het Amersfoorts Kunstenaars Genootschap.

In 1909 slaagde hij voor zijn toelatingsexamen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam en studeerde daar tot 1917.

In 1912 vertrekt hij uit Amersfoort om zich in Amsterdam te vestigen.

In het weekblad De Amsterdammer (1914) werd echter abusievelijk, n.a.v. ingezonden oplossingen van ingewikkelde puzzelprijsvragen, achter zijn naam als woonplaats ’Amersfoort’ vermeld.

De jonge Dolf.

Het is bekend dat hij in 1918 aan de P.C. Hoofdstraat 131 in Amsterdam woont.

Eind 1918 keert hij voor ongeveer zes maanden terug naar Amersfoort, Snouckaertlaan 7, maar in juni van het volgende jaar vertrekt hij weer naar zijn oude adres aan de P.C. Hoofdstraat.

De Oldehove

Dolf trouwt in 1920 op 31‐jarige leeftijd in Amsterdam met Elizabeth (Bep?) Petronella Willemsz en het stel gaat bij de Pothbrug in de gemeente Woudenberg wonen. In 1932 laat hij een grote villa met rieten kap bouwen op het terrein van de voormalige boomkwekerij van Wattez, toen Voskuilerstraatweg 502 Woudenberg. Dit fraaie ‐ inmiddels verbouwde ‐ pand bestaat nog steeds, op adres Voskuilerweg 2 in Scherpenzeel. Bolk noemt zijn huis de Oldehoeve, maar op vier grote stukken natuursteen bij de ingang stond OL DE HO VE. In die periode is het een merkwaardig huis. Het is oorspronkelijk gebouwd rondom een enorm en hoog atelier over twee verdiepingen met een zeer groot raam op het noorden. Wanneer de Duitsers in 1945 de Pothbrug laten opblazen, wordt men gewaarschuwd om alle ramen open te zetten.

Het grote atelierraam kan echter niet worden geopend, met als gevolg dat het wordt vernield bij de explosie. De tuin bij het huis is in die tijd ook opmerkelijk. Middendoor de grote tuin, met tafeltjes en bankjes, loopt dan nog een restant van een oude veekering met dubbele sloten en een wal ertussen. Over de sloten zijn houten bruggetjes gemaakt. Verder is er een grote vijver met goudvissen en uiteraard de enorme Azalea mollis struiken (rododendron). Hoe groot de tuin in die tijd moet zijn geweest was te zien aan een lindeboom aan de overkant van de rotonde, die vroeger binnen de tuin heeft gestaan.

Woonhuis van Bolk

Samen met andere belanghebbenden heeft Dolf in 1937 bezwaar gemaakt tegen de geplande bouw van een watertoren op een ezelsweitje nabij ’t Vlaskampje. Deze toren zou in de onmiddellijke nabijheid van het atelier van de schilder komen waardoor het noorderlicht voor hem zou worden bedorven.

Bolk was lid van de zogenaamde Ooievaarscommissie, die als doel had ooievaars te lokken met een nestpaal op Bruinhorst. Op foto’s uit 1957 staat hij samen met enkele Scherpenzeelse notabelen zoals veearts Stotijn, burgemeester Hoytema van Konijnenburg, H. Valkenburg, J. Renes, meester Verkerk en E. Blanken.

Ooievaarscommissie

Hij schildert overwegend landschappen (als genre), portretten en stillevens. De Leersumse plassen, bloemen en azaleastruiken zijn onderwerpen die vaak terugkeren in zijn werk. In de woonkamer van zijn huis bevond zich een muurschildering waarop volgens zeggen mevrouw Bolk zonder kleren levensgroot was afgebeeld.

Leersumse Veld Azaleastruiken

Huwelijken en overlijden

Mevrouw Elizabeth Bolk‐Willemsz schildert ook. In het begin van de oorlog krijgt zij een slepende ziekte, waardoor zij uiteindelijk continue verzorging nodig heeft. Hiervoor wordt een verpleegster aangetrokken. Op 3 juli 1943 overlijdt mevrouw Bolk in Amersfoort. In 1946 hertrouwt Bolk in Harderwijk met de verpleegster die zijn vrouw zo lang heeft verzorgd. Adriana van der Linden (Jeane) was volgens hun buurman (P. van der Most) een uitermate zorgzame vrouw voor de wat wereldvreemde Bolk. Zij overlijdt echter helaas al in 1958. De weduwnaar lijkt daarna te vereenzamen en hij schildert nauwelijks meer. Hij lijdt aan een soort eczeem die zich ontwikkelt tot huidkanker en waaraan hij na een lange verpleging in het academisch ziekenhuis in Utrecht op 14 augustus 1960 overlijdt. Bolk is dan 71 jaar. De teraardebestelling vindt plaats op begraafplaats Rusthof te Leusden. Op zijn graf staat een grote natuursteen met daarop twee keer de naam BOLK. Er staan geen data op.

Graf Bolk

Excentriek

Volgens een krantenartikel (de Nieuwe Holevoet ‐ 18 augustus 1960) was Bolk tijdens zijn leven een markante verschijning in Scherpenzeel, die zich zeer door de natuur en alles wat daarmee samenhing aangetrokken voelde. Dit kwam ook tot uitdrukking in zijn schilderstukken, die veelal stillevens of landschappen tot onderwerp hadden. Bloemmotieven hadden daarbij zijn duidelijke voorkeur. Hij was gedurende ongeveer 25 jaar bestuurslid van de Scherpenzeelse VVV. In dit verband trad hij ook vele jaren op als jurylid van de Scherpenzeelse tuinschouw. Verder was hij een verwoed filatelist.

Bolk heeft nooit een schilderij willen verkopen. Omdat het huis na zijn overlijden moest worden leeggemaakt, werden de schilderijen bij de buren (familie Van der Most) in de gang opgesteld en mocht iedere belangstellende er één meenemen. Er zouden dus nogal wat schilderijen in Scherpenzeel aanwezig kunnen zijn. In november 1960 werd in Arnhem, bij een openbare verkoop, het restant ter veiling aangeboden.

Oudere inwoners van Scherpenzeel kunnen zich hem herinneren als een excentrieke meneer met een lange baard die op een oude sportfiets voorovergebogen door het dorp reed. ‘Daar heb je Raspoetin’ werd er weleens gefluisterd.

De kunstschilder was weliswaar een wat excentrieke maar uitermate vriendelijk persoon. Hij bezocht diverse malen samen met dhr. P. van der Most tentoonstellingen in Arnhem en zij waren ook bij de eerste beeldententoonstelling in Sonsbeek. Met de groene bus van de NBM reisden ze naar Arnhem met soms veel commentaar van de inzittenden waar hij altijd leuk op reageerde. Men vroeg hem weleens of hij Sinterklaas was, waarop Bolk antwoordde dat hij een neef van de Sint was.

Bolk komt ook voor in een boek van de destijds bekende schrijver

A.M. de Jong. Deze beschrijft een situatie in de Eerste Wereldoorlog waarbij een aantal oudere mannen alsnog in militaire dienst moesten. Bolk was er daar een van. Hij had toen al een baard die een officier niet mooi vond. Die eiste dat de baard afgeschoren werd waar Bolk zich tegen verdedigde door te stellen dat hij de baard op medische gronden droeg, omdat hij anders last van bronchitis zou krijgen.

Zelfportret

De kunstschilder heeft weinig geëxposeerd, slechts één tentoonstelling is mij bekend, namelijk in 1934 in de zalen van Armen de Poth te Amersfoort. In een krantenartikel werd hij een vaardig schilder van bloemen genoemd. Bolk is nooit doorgebroken en was niet zo getalenteerd als bijvoorbeeld de kunstschilders Jan van Essen en Willem Steelink. Maar een aantal werken zullen zeker tentoongesteld worden op een toekomstige expositie van Scherpenzeelse kunstschilders.

Bron: o.a. dhr. P.F.J. van der Most Kerk Scherpenzeel

DANIËL DIE NIET WILDE DEUGEN?! (DEEL 1)

Elma ter Burg

Zwarte Schaap

Families maken er wel eens grapjes over ‘het zwarte schaap’ van de familie. Iemand die buiten de toon valt ten opzichte van zijn/haar familieleden vanwege diens gedrag, uiterlijk, opleiding of welk verschil dan ook. In mijn (aangetrouwde) familie was er zeker ook zo’n zwart schaap: Daniël ter Burg. Hij was een verre voorouder van mijn man Evert‐Jan ter Burg en schoonvader Evert ter Burg die de meesten mensen kennen van Café Marktzicht van vroeger en nu van Mitra ter Burg. We zullen het de kastelein van Marktzicht maar niet aanrekenen, Daniël is immers 7 generaties verwijderd van hem en is zijn oudgrootouder waar hij ongeveer (maar) 1.5 % DNA mee deelt.

Daniël ter Burg wordt gedoopt op 21 januari 1759 in de grote kerk in Scherpenzeel. Hij is de tweede zoon en derde kind van Evert Daniëls ter Burg en Aaltje van ‘t Voort. Hij heeft een oudere broer Cornelis en een oudere zus Jannetje die op jonge leeftijd overlijdt. Na Daniël wordt nog een dochter geboren genaamd Grietje. Er is wat onduidelijkheid over haar geboortejaar (in ieder geval voor oktober 1761). Zijn moeder overlijdt als Daniël rond de twee jaar is. Zijn vader hertrouwt in oktober 1761 met Anna van Manen die dus zijn stiefmoeder wordt. Ook uit dat huwelijk worden kinderen geboren.

Uit niets blijkt dat Daniël, geboren als een doodgewone jongen in een wolkammersgezin, later bekend zal staan als het uitschot van het dorp, diegene die niet wilde deugen, zich met schimmige zaakjes bezighield en uiteindelijk zelfs voor diefstal veroordeeld zou worden en alleen, ver van huis, zou komen te overlijden.

Amsterdam

Daniël trouwt op 20 oktober 1785, hij is dan 26 jaar, in Amsterdam met Ida Vermeer, zij komt uit Wageningen. De reden dat dit huwelijk in Amsterdam plaatsvindt is dat Daniël op dat moment woont in onze hoofdstad. Wanneer Daniël zich vestigt in Amsterdam is niet bekend. Wat wel bekend is, is dat hij daar woont aan de Nieuwe Leliestraat. Deze straat bestaat vandaag de dag nog steeds en ligt in de ‘volks’ buurt de Jordaan.

We komen hem een aantal keren tegen in de archieven van Amsterdam. De eerste keer is hij getuige van een doop van een meisje IJda Maria in de Westerkerk op 21 mei 1784. Ook zijn, toen, verloofde Ida Vermeer is hier getuige van. Op 30 december 1793 duikt Daniël op in de notariële archieven in Amsterdam. Hij verkoopt aan ene Jan Aurik een sleperij (sleepbedrijf) met paarden een ezel en toebehoren. Daniël heeft dus een eigen bedrijf gehad in Amsterdam. Daniël en Ida krijgen 5 kinderen. Harmen (1786), Hermanus (1787), Evert (1789), Aaltje (1792) en Elisabeth (1794). Alle kinderen worden geboren in Scherpenzeel. Hun oudste zoon, Harmen, sterft al binnen een maand na zijn geboorte in oktober 1786 en ook de zonen daarna bereiken niet de volwassen leeftijd. In de kerkelijke boeken wordt in 1799 melding gemaakt van het overlijden van een kind van Daniël ter Burg, dit is Hermanus of Evert geweest. Alleen de twee dochters van het echtpaar bereiken de volwassen leeftijd.

Gestolen schaap?

Dat Daniël het niet zo nauw neemt met de regels blijkt in 1792. Hij krijgt dan een boete omdat hij kaartspelers in huis heeft op zondag en daarbij ook alcohol (jenever) verkoopt/schenkt. Hij had een vriend opdracht gegeven om een fles jenever te gaan kopen, iets wat blijkbaar niet onopgemerkt bleef, het wordt dus bestraft met een geldboete.

In hetzelfde jaar is Daniël nogmaals de ‘fout’ ingegaan: Op 7 januari (1792) wordt een afgevild schaap gevonden achter de schaapskooi van Geurt Arissen, boer op de Langelaar. Het dier blijkt in de voorafgaande nacht gestolen. Het is niet de eerste keer dat dit in het dorp gebeurt. De schout Aart van Lutzenburg gaat de zaak onderzoeken. (De meeste mensen kennen een schout voornamelijk als iemand die rechtspreekt en zelfstandig handelt. In dorpen, zoals Scherpenzeel, ligt dit anders. Dorpen maken deel uit van een heerlijkheid (gebied dat eigendom is van de heer), zo hoorde Scherpenzeel bij het hertogdom Gelre. De hertog bemoeide zich niet met de dagelijkse gang van zaken in een dorp maar stelde daar een schout voor aan. Deze ambtenaar werd belast met het handhaven van de openbare orde, ook was hij hoofd van het opsporingsapparaat en openbaar aanklager) De schout gaat alle opkopers van schapenvellen in het dorp langs en treft bij Daniël ter Burg een vers vel aan. Deze verklaart het de vorige dag te hebben gekocht van Hartog Abrahams een, in Scherpenzeel, geboren, jood. Hartog wordt gevangengezet maar blijkt later toch onschuldig of in ieder geval valt het niet te bewijzen. Heeft Daniël zich hier schuldig gemaakt aan heling? Het hof van Gelderland laat in ieder geval de zaak rusten.

Paardendiefstal

Vooralsnog waren dit kleine vergrijpen in het leven van Daniël, een boete en verdenking van heling. Het grootste wat op hij op zijn kerfstok gaat hebben moet nog komen: In de archieven van het jaar 1796 van de rechtbank in Utrecht komen we Daniël weer tegen, dit keer wordt hij verdacht van een serieus vergrijp namelijk paardendiefstal. In de beschrijving van de zaak staat dat Daniël in zijn woonplaats al niet goed bekend staat vanwege ‘slegt gedrag’ en bedrieglijke handelingen, wat die precies zijn is niet beschreven. Wellicht heeft het te maken met wat hierboven beschreven staat. In ieder geval heeft Daniël geen beste reputatie. Hieronder volgt een beschrijving van de misdaad waarvoor Daniël terecht staat:

Op 16 juni 1796 gaat Daniël naar boer Willem Petersen te Leusden. Hij wil van Willem graag kalveren kopen maar helaas heeft Willem deze niet beschikbaar. Drie dagen later komt Willem erachter dat twee van zijn paarden, die een eindje van zijn boerderij staan, zijn gestolen.

Herberg het zwaantje Loenersloot

Het gaat om een vierharige merrie, bruin met een witte vlek op het voorhoofd en een zwarte zesjarige ruin met een barst in de hoef. Het blijkt dat Daniël deze paarden heeft gestolen en hij wil ze meenemen naar Amsterdam. Onderweg naar Amsterdam stopt hij in Loenersloot bij de herberg ‘het Zwaantje’ en daar verkoopt hij de merrie aan ene Johannes Gaalesloot. Bij de verkoop heeft Daniël aan Johannes verteld dat het gaat om legerpaarden en dat hij zelf uit Heusden komt. Willem, de eigenaar van de paarden, laat het er niet bij zitten en volgt het spoor van Daniël, waarschijnlijk heeft hij dit gedaan door steeds navraag te doen tijdens zijn tocht, een man die met twee paarden onderweg is, waarvan één kreupel valt op. Willem komt ook aan bij de herberg en herkent zijn merrie direct en wil deze uiteraard terughebben. Johannes is nu ook gedupeerd door Daniël want hij is verplicht het paard terug te geven en is, tenzij hij Daniël vindt, zijn geld kwijt. De mannen besluiten de achtervolging verder in te zetten en Willem en Johannes gaan, samen met de broer van Johannes, op zoek naar Daniël. Uiteindelijk vinden de mannen hem ergens in de buurt van Ouderkerk.

De zwarte ruin heeft hij nog steeds bij zich, het dier blijkt onverkoopbaar vanwege de kreupelheid. Ze proberen hem staande te houden maar Daniël laat snel het paard los en zet het op een lopen. Even later wordt hij toch door de mannen gevonden nadat hij zich in de bosjes had verstopt.

In zijn verklaring naar de rechtbank geeft Daniël aan de paarden eerlijk gekocht te hebben. Zijn verklaring rammelt aan alle kanten, hij kan immers niet vertellen van wie hij de paarden gekocht heeft en voor welk bedrag. Verder is zijn verklaring vol tegenstrijdigheden en hij wordt dan ook niet geloofd door de rechter.

Tuchthuis

De straf die Daniël opgelegd krijgt is niet mals: Met een strop om de nek, onder de galg, gegeseld worden, 25 jaar gevangenisstraf in het tuchthuis, gebrandmerkt worden (brandmerken gebeurde op het voorhoofd of op de wang, hierdoor was iemand voor altijd herkenbaar als een banneling en/of dief. Gelukkig voor Daniël werd vanaf halverwege de 17de eeuw brandmerken in het gezicht bij wet verboden. Voortaan deed men dit op de schouder, rug of bovenarm. Pas in 1854 werd deze strafmaatregel geschrapt uit het strafrecht), verbanning en het betalen van de proceskosten.

Rijks tuchthuis

Blokhuispoort tekening uit 1783

Na (publiekelijk) zijn lichamelijke straf te hebben ondergaan wordt Daniël opgesloten in het tuchthuis ‘De Blokhuispoort’ te Leeuwarden. Na bijna

16 jaar daar gevangen te hebben gezeten krijgt Daniël een verkorting van zijn straf, hij zal vervroegd worden vrijgelaten op 1 april 1812. Helaas voor Daniël haalt hij deze datum niet, hij sterft op 8 oktober 1811.

Blokhuispoort Leeuwarden

Hoogstwaarschijnlijk is Daniël begraven op het misdadigerskerkhof in Leeuwarden. Men was van mening dat criminelen niet “het lichaem der begraefenisse werd gegund” de lichamen van misdadigers werden soms ook buiten de stadspoort opgehangen. Dit als afschrikmiddel voor de bevolking om vooral op het rechte pad te blijven. Er is niks meer over van dit kerkhof, het is in de jaren ’30 van de vorige eeuw compleet geruimd. Wie weet zijn toen ook wel de botten van Daniël opgegraven. Een roemrucht einde voor een persoon die zeker als kleurrijk beschreven kan worden. Hoe het zijn vrouw en kinderen vergaat vertel ik in een volgend deel.

JOHANNES WAGENAAR

Piet Valkenburg

Johan Wagenaar was een aan het begin van de 20e eeuw vooraanstaande componist en directeur van het Koninklijk Conservatorium. Hij is de niet‐erkende zoon van Cypriaan Gerard Berger van Hengst, rechter, later raadsheer te Utrecht en Johanna Wagenaar, dienstmeisje. Johan leefde van 1862 tot 1941.

Ik hoor u denken: “Wat heeft dit met Scherpenzeel te maken?” Dat zou ik ook hebben gedacht, maar in een artikel in NRC Handelsblad uit 1989 over Johan Wagenaar wordt vermeld dat een dochter, Johanna vertelde dat “de moeder van Johan, Johanna Wagenaar, een eenvoudige landelijke vrouw was, zij kwam oorspronkelijk uit een heel klein huisje in Scherpenzeel”. Oftewel: dat was het uitzoeken waard!

Wagenaar is natuurlijk geen Scherpenzeelse naam. Na wat zoeken in de door Henk van Woudenberg opgemaakte genealogieën kom je er al snel achter dat er eigenlijk maar één Wagenaar in Scherpenzeel heeft gewoond: Neeltje Wagenaar. Zij is geboren in Jutphaas in 1806 als dochter van Dirk Wagenaar, steenbakker van beroep en Neeltje van Erkel. Neeltje Wagenaar trouwt op 36‐jarige leeftijd op 21 oktober 1842 in Scherpenzeel met de dan bijna 30‐jarige Jan Jacob Sterk, geboren te Scherpenzeel op 27 december 1812, schilder van beroep en een zoon van Olivier Sterk, burgemeester van Scherpenzeel en Antje Renes. Jan Jacob Sterk is behalve schilder ook diaken van de Grote Kerk in Scherpenzeel. Het gezin krijgt vier kinderen: Antje (1843), Dirk (1845), Olivier (1846) en Merretje (1849).

Johanna Wagenaar wordt in de Scherpenzeelse archieven dus nergens genoemd als kind van Neeltje of als inwoonster van Scherpenzeel. Moeder Neeltje wordt wel genoemd in het lidmatenregister van de Ned. Hervormde Kerk, maar pas als zij is getrouwd. Na wat zoekwerk blijkt Johanna geboren te zijn in Jutphaas op 14 oktober 1829 als dochter van de ongehuwde 24‐ jarige Neeltje Wagenaar en een onbekende vader. Getuige bij de geboorteaangifte is Dirk Wagenaar, oud 61 jaar. Inderdaad: de vader van Neeltje.

Mr. Johannes Sebastiaan van Naamen

Als Neeltje met Jan Jacob Sterk trouwt is dochter Johanna dus al 13 jaar oud. Hoe Neeltje in Scherpenzeel terecht kwam is onduidelijk. In alle aktes wordt zij vermeld als “zonder beroep”, maar het is niet onwaarschijnlijk dat zij als dienstmeisje werkzaam was bij een gegoede familie. Misschien bij de familie Sterk? Vader Olivier Sterk was immers burgemeester van Scherpenzeel en als rentmeester in dienst bij de Heer van Scherpenzeel: Johannes Sebastiaan van Naamen. Het is echter ook niet ondenkbaar dat Neeltje Wagenaar in dienst was bij Van Naamen. Johannes Sebastiaan studeerde eerst rechten in Utrecht en vestigt zich als advocaat, later als rechter in Amsterdam. Hij gebruikt in die tijd Huize Scherpenzeel als zomerhuis. Binnen de familie Wagenaar wordt de naam van Johannes Sebastiaan van Naamen genoemd als mogelijk de vader van Johanna Wagenaar.

Deze mondelinge overlevering wordt gesterkt door een archiefstuk uit het Gelders Archief, een brief uit 1847, waarin Johannes Sebastiaan zijn beklag doet over de kwaliteit van het beheer van het familiebezit door rentmeester Olivier Sterk. Van Naamen onderneemt hiertegen echter geen enkele actie want hij vreest “vele onaangenaamheden met de familie Sterk en anderen in Scherpenzeel”. Moeder Neeltje is dan al vijf jaar getrouwd met Olivier Sterk en familiegeheimen moeten misschien bewaard blijven?

Johanna groeit dus op in Scherpenzeel in het gezin van Jan Jacob Sterk en moeder Neeltje. We weten niet exact waar zij woonden, maar opa Olivier Sterk heeft in 1832 twee huizen op naam staan, beiden op de Dorpsstraat. Eén recht tegenover de Grote Kerk, waar nu de huisnummers 188 en 190 te vinden zijn en een huis aan de zijde van de kerk, ongeveer bij nummer 207A, nu het pand van Bij Lon damesmode. Was dat het “hele kleine huisje in Scherpenzeel” waarover de familieoverlevering gaat?

Johanna groeit dus op net naast de school, die in die tijd tegenover de kerk stond. Mogelijk is zij daar naar school gegaan. Ook Johanna gaat als dienstmeisje in betrekking bij een gegoede familie: de in Utrecht woonachtige patriciërsfamilie Berger van Hengst. Hendrik Wolter Berger van Hengst, getrouwd met Carolina Jacquelina Pesters woont in een fraai pand aan de Muntstraat in Utrecht en zij hebben één zoon: Cypriaan Gerard, geboren op 14 mei 1828. Een jaartje ouder als Johanna. In die tijd is het niet ongebruikelijk dat een dienstmeisje al op jonge leeftijd in dienst gaat bij een familie en we mogen dus aannemen dat Johanna rond haar 16e jaar in kwam wonen bij het gezin Berger van Hengst, dus zo rond 1845. Wat blijkt: Hendrik Wolter Berger van Hengst overlijdt vroegtijdig, op 43‐jarige leeftijd op 23 november 1845. Is Johanna getuige van dit gezinsdrama? Of is zij juist hierna als dienstmeisje in dienst genomen?

Als Cypriaan Gerard wat ouder wordt krijgt hij een eigen huis aan de Ambachtsstraat in Utrecht. Dit huis ligt recht achter de ouderlijke woning en de huizen staan met de tuinen met elkaar in verbinding. Op 24‐jarige leeftijd krijgt Cypriaan een besmettelijke ziekte en Johanna krijgt de opdracht om hem te verplegen. De verpleging is zo intensief dat wanneer Cypriaan na een poosje genezen is, Johanna zwanger is. In die tijd zijn de sociale verschillen tussen de verschillende standen nog groot en een relatie aangaan tussen de standen is onbespreekbaar. De zwangere Johanna trekt aan het kortste eind, wordt ontslagen en staat op straat.

Toch trekt Cypriaan zich het lot van Johanna aan en hij besluit een huis voor haar te kopen aan de Twijnstraat. Een huwelijk zit er echter niet in, juist vanwege het grote standsverschil. Als ongehuwde patriciër een relatie onderhouden en kinderen verwekken bij je voormalige dienstmeisje is in die tijd echter geen probleem om te kunnen blijven functioneren. Cypriaan blijft dus bij Johanna over de vloer komen en zorgt voor haar levensonderhoud.

Johanna Wagenaar Cypriaan Berger van Hengst

Uit de relatie worden acht kinderen geboren: Johanna Cornelia (1852‐1853), Johanna Cornelia (10‐05‐1854), Gerard (09‐03‐1857), Carel Willem (22‐03‐1860), Johannes (01‐11‐1862), Maria Marianna (31‐12‐1865, vroeg overleden op 18‐05‐1867), Maria Adriana (04‐11‐1868) en Willem (11‐04‐1872). Volgens een beschrijving vanuit de familie zou de eerstgeboren, Johanna Cornelia na 8 maanden al overleden zijn. Bijzonder is echter dat ik over deze eerstgeborene niets terug kan vinden in de Utrechtse Archieven.

Cypriaan Berger van Hengst zou dus nooit met Johanna Wagenaar trouwen, maar hij is ook nooit een relatie met een ander aan gegaan. Cypriaan bleef Johanna trouw. Op zich is dat bijzonder. Cypriaan studeerde rechten en wordt als lid van de Gedeputeerde Staten en waarnemend Commissaris van de Koning lid van de Utrechtse Upper Class. Zijn relatie met Johanna is nooit heimelijk geweest en iedereen weet dat hij zes kinderen bij haar heeft. Ook na het overlijden van zijn moeder (in 1891), dus nadat het familiekapitaal is veilig gesteld, wordt er niet getrouwd.

Cypriaan koopt een volgend huis voor Johanna aan de Nieuwegracht 165 in Utrecht, waar zij redelijk op stand woont met haar zes kinderen. Johanna neemt zelfs een eigen dienstmeisje aan. Om de andere dag komt Cypriaan langs en blijft dan de nacht over. Moeder Johanna is ouderwets van leer en wil niet dat Cypriaan aan komt lopen: alle buren kunnen dat zien! Daarom komt Cypriaan verplicht het korte stukje met de koets om vlak voor de deur uit te stappen. De buren horen de koets van verre aan komen denderen over de kasseien…..

De kinderen Wagenaar krijgen een goede opleiding en uiteindelijk ook goede banen als huisarts (Willem), boekhouder (Carel Willem) of chef van een steenoven (Gerard). Johannes is degene die opvalt. Hij is een brutale jongen, die moeilijk te handhaven is op school, maar desondanks wel goed leert. Johan is erg geïnteresseerd in muziek en dat begint bij de Utrechtse draaiorgels en de orgelbespelingen van Richard Hol in de Domkerk. Nadat dit ook moeder Johanna opvalt mag hij op 13‐jarige leeftijd al muzieklessen nemen aan de Utrechtse muziekschool. Johan volgt compositieleer en muzieklessen bij gevestigde namen, waaronder orgelles bij Richard Hol, piano bij Willem Petri en viool bij Gerrit Veerman.

De woning aan de Nieuwegracht 165 te Utrecht

Johan Wagenaar op jonge leeftijd

In 1885 behaalt Johan het toonkunstdiploma en wordt hij aangenomen als pianoleraar aan de Utrechtse muziekschool. Het is het begin van een klinkende carrière. In 1888 volgt hij Richard Hol op als organist van de Domkerk, in 1904 wordt hij directeur van de Utrechtse muziekschool en later dirigent van het Toonkunstkoor Utrecht. In 1916 ontvangt Johan het eredoctoraat in de letteren van de Utrechtse universiteit vanwege zijn vele verdiensten voor het Nederlandse muziekleven. In 1919 wordt Johan directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Als componist is hij bijzonder veelzijdig en zijn muzikale oeuvre omvat liederen, kamermuziek, werken voor koor en voor orgel, orkeststukken, cantates en opera’s. Johan staat ook bekend om zijn humoristische stukken, waaronder de cantate “De Schipbreuk” (1889). Johan is leraar piano aan de Utrechtse muziekschool als hij in 1889 een relatie krijgt met één van de koorleden, de muziekschool‐leerling Dina Petronella van Valkenburg.

Johan Wagenaar en Dina Petronella van Valkenburg

Weer een relatie met Scherpenzeel zou je bijna kunnen denken, ware het niet dat Dina Petronella is geboren op 23 juli 1869 in Winschoten. De ouders van Dina zijn van redelijk gegoede stand: vader Coenraad van Valkenburg is hoofdonderwijzer en het echtpaar Van Valkenburg leidt in Winschoten een pension voor gymnasiumleerlingen. Vader Coenraad is fel tegen de verhouding van Dina met een simpele pianoleraar, vooral vanwege de onechte afkomst van Johan. In 1890 escaleert dit zodanig dat vader Coenraad zijn dochter terug laat komen naar Winschoten. Na enige heimelijke briefwisselingen komt er een voorlopig einde aan de relatie in 1891, maar de relatie bloeit weer op ná 1895, na het overlijden van vader Coenraad. Op 23 juli 1897 vindt vervolgens het huwelijk plaats tussen Johan Wagenaar en Dina Petronella van Valkenburg.

Johan met zijn 2 dochters Nelly (links) en Johanna

Het stel krijgt twee kinderen: Nelly (27‐11‐1898) en Johanna (13‐01‐1900). De dochters treden in de voetsporen van hun bekende vader, want Nelly wordt concertpianist en docent aan het Amsterdams Conservatorium en Johanna wordt componist en docent aan het Haags conservatorium. Beiden krijgen echter nooit kinderen, zodat deze tak van de familie Wagenaar uitsterft.

De vraag is natuurlijk of Johan Wagenaar een trouw bezoeker was aan zijn oma Neeltje en zijn stiefopa Jan Jacob Sterk in Scherpenzeel. In de stukken is hier niets over te vinden, maar onwaarschijnlijk is het zeker niet, gezien de familieoverlevering over het “kleine huisje in Scherpenzeel”.

Moeder Johanna Wagenaar overlijdt op 20 april 1900 te Utrecht. Volgens overlevering is Cypriaan gebroken door verdriet. Cypriaan zelf overlijdt op 24 april 1903 te Utrecht. In de overlijdensadvertentie wordt nergens vermeld dat hij een relatie heeft gehad en zes kinderen heeft. Tijdens de uitvaart wordt zelfs uitgesproken dat het jammer is dat Cypriaan geen nakomelingen heeft en hierdoor de naam Berger van Hengst uitgestorven zal zijn. De kinderen worden echter wel meegenomen in de erfenis en erven ieder het voor die tijd forse bedrag van 13.000,‐ gulden.

Johannes Wagenaar overlijdt op 78‐ jarige leeftijd op 17 juni 1941 in Den Haag. Dina van Valkenburg volgt drie maanden later: op 72‐jarige leeftijd op 16 september 1941. Johan Wagenaar wordt herdacht in een door een familielid geschreven biografie en de naar hem genoemde Johan Wagenaarkade in Utrecht.

Bronnen:

  • NRC Handelsblad dd 05‐05‐1989
  • Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
  • Resources.huygens.knaw.nl
  • Johannes Wagenaar en Jaap van Benthem: “Johan Wagenaar” (2004).
  • www.Valkenburgh.nl

ZONNEHOF

Woonhuis, pension en rusthuis

Gerard Bakker, Marjo Mijnlieff en Wim van den Berg

Zonnehof in aanbouw. Chris Middeldorp (met hoed) in het midden, 1920.

Woonhuis Zonnehof

Gerard Bakker

In 1913 komen mijn oma en opa, Grietje van Setten en Christoffel Middeldorp, in Scherpenzeel wonen. Opa gaat als onderwijzer op de School met den Bijbel, de Glashorst, werken. Ze huren een woning in de Achterstraat (Vlieterweg) van de heer Blanken. Dirkje van Setten, een jongere zus van oma, trekt bij hen in. Twee kinderen van Grietje en Christoffel, Dickie en Fietje, worden in het huis aan de Achterstraat geboren. Fie zal later mijn moeder zijn. Ze is getrouwd met smid Gerard Bakker aan de Dorpsstraat (later ijzerwarenwinkel). In 1920 verhuist familie

Zonnehof aan de Stationsweg zal binnen afzienbare tijd verdwijnen. Het pand wordt gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe woning. Tijd om terug te blikken op de geschiedenis van Zonnehof. Dat doen we met Gerard Bakker, wiens opa en oma daar met hun gezin hebben gewoond en met Marjo Mijnlieff‐de Jong. Zij is daar geboren en haar ouders hadden daar een rusthuis.

Middeldorp naar de Stationsweg. Daar hebben ze Zonnehof laten bouwen. Eind jaren twintig kocht

Het eerste Zonnehof (1920‐1933)

opa een te grote bok met een karretje. Het bleek geen succes, de bok was vals en de kinderen waren bang voor het beest. De familie werd in het dorp nageroepen met Bokkie bèèèh.

Er komen meer kinderen: Andries, Nans, Dien Gré en Henk. Het huis wordt te klein. In 1932 brengt een grote erfenis van een oom van Grietje van Setten, die naast een huis ook een grote som geld aan haar nalaat, uitkomst. Zonnehof wordt in 1933 afgebroken. Op dezelfde plaats wordt een nieuwe, grotere woning met dezelfde naam gebouwd. Veel materialen van de ‘oude’ woning zijn hergebruikt. Tijdens de bouw gaan Grietje en Chris met hun gezin tijdelijk in Doorn wonen. In 1933 kan de familie terug naar Scherpenzeel als Zonnehof klaar is. Kort daarvoor is de jongste zoon Gerrit Hendrik (Gert) geboren, die naar de overleden ´suikeroom´ is vernoemd.

Oma was druk met de kinderen en het huishouden. Opa met school, de kerkenraad en de Teekenschool waar hij in de avonduren les gaf. Ook de grote moestuin achter Zonnehof nam veel tijd in beslag. In de voortuin bloeiden elk jaar pioenrozen en een prachtige blauwe regen.

De bokkenwagen met Chris Middeldorp en een deel van zijn gezin

Familie Middeldorp voor Zonnehof

Zonnehof na 1933

Midden jaren dertig kocht opa bij garage Van Ekris een Hupmobile, een soort uitgerekte T‐ Ford. Samen met Van Ekris reed opa naar De Poort in Woudenberg, waarna hij zijn rijbewijs kreeg. Op vakantie naar Katwijk aan Zee konden er 6 kinderen in mee. Mijn moeder ging met haar verloofde met het openbaar vervoer. Met Siem Valkenburg heeft opa een keer een wedstrijd gedaan wie het eerst aan de kust zou zijn. Ze haalden elkaar links en rechts in. Mijn ooms en tantes spraken er jaren later nog schande van.

In de studeerkamer van opa Chris Middeldorp stond ook een harmonium. Daar gaf hij orgelles. Er werd in huize Middeldorp veel gezongen en bijna alle gezinsleden zaten op Soli Deo Gloria of het kinderkoor van Jan Bartelsman. Dick en Fie speelden net als opa viool en zaten in een orkestje in Doorn. Tijdens de mobilisatie kwamen er ook in Scherpenzeel gelegerde soldaten op Zonnehof musiceren. In de meidagen van 1940 zijn de violen gestolen, ook die van de militairen.

De eerste ‘vrijers’ kwamen al in 1938 over de vloer. Mijn vader al in 1938. Tijdens de bezetting moest hij vanwege spertijd altijd weer op tijd naar huis. De nachtwacht die controleerde of de verduistering in het dorp ‘s avonds in orde was, vergezelde mijn vader vaak naar zijn ouderlijk huis aan de Dorpsstraat.

Uit verveling belde mijn oom Andries Middeldorp in het laatste oorlogsjaar buurman Ten Broek op en zei met de stem van Sinterklaas: ‘Ten Broek, het is zo donker, kom met een lantaarntje naar buiten. Ik heb een pakje voor je.’ Vanuit de serre zag familie Middeldorp even later met enig leedvermaak Ten Broek met zijn lantaarntje naar buiten komen.

Aan het eind van de oorlog vlucht familie Middeldorp samen met familie Bakker naar Voorthuizen. Na de Bevrijding keren ze terug. Dochter Nans heeft dan TBC. Ze ondergaat een kuur en wordt door Canadese soldaten overladen met chocola. Feike Asma, de bekende organist, logeerde bij mijn opa en oma toen hij eens een concert gaf in Veenendaal. Mijn zieke tante Nans kon het concert niet bijwonen. Voor haar ging Asma achter het harmonium in Zonnehof zitten en zei tegen haar: ‘Zeg maar wat je mooi vindt.’ Vanuit Zonnehof trouwen meerdere dochters van Grietje en Chris. Na ruim 40 jaar onderwiis gaat mijn opa in 1954 met pensioen. De meeste kinderen en kleinkinderen wonen dan in Alphen aan de Rijn waar opa en oma in 1955 naar toe verhuizen.

Chris en Grietje Middeldorp, 1954

Toen oma en opa verhuisden was ik een manneke van twee jaar. Wat ik me wel kan herinneren is dat ze bij ons kwamen logeren in de Dorpsstraat. Oma kreeg dan dames uit het dorp op bezoek die hun hoedjes ophielden, zoals mevrouw Steinman, Adrie Schinkel, Mina Wittenberg, Jansje Valkenburg en mevrouw Vlastuin‐Schimmel. Bij mijn opa kwamen bekende mannenbroeders als Van Steenbergen, Van de Hoef, Van Kampen, Westerhuis, Brand Valkenburg, kapper Rein van de Pol, Jonker en meester Klei. Mijn vader zei dan als ze weer vertrokken waren: ‘Nu doen we weer gewoon.’

Mijn oma en opa zijn begin jaren zestig in Alphen a/d Rijn overleden.

In de jaren tachtig ging ik bij de familie De Jong op bezoek. Meneer De Jong was een fervent verzamelaar van ansichtkaarten die ik wilde bekijken. Ik vroeg mijn moeder of ze mee wilde. ‘Oh nee’, zei ze ‘ik krijg nog de lucht van VIM in mijn neus, wat heb ik daar lopen poetsen, in dat rare, grote huis.’ Wel ging ze met plezier naar haar oude buurmeisje Mien ten Broek met haar man Jan om verhalen van vroeger op te halen en naar haar slaapkamertje met balkon te kijken.

Rusthuis Zonnehof

Marjo Mijnlieff‐de Jong

Izak de Jong is in 1917 in Blaricum geboren. Zijn ouders hebben daar een melkveebedrijf. Izak gaat ‘de boer op’ om de melk aan de man te brengen. Zo komt hij ook een paar keer in de week bij een particulier verzorgingshuis voor welgestelden in Laren. Daar werkt Wil van Rijswijk als verpleegkundige. Zij komt uit Dordrecht waar ze in 1920 is geboren. Tussen Izak en Wil bloeit iets moois, ze krijgen een relatie. Wil droomt ervan zelf een verzorgingstehuis voor mensen met een geestelijke beperking te stichten. Samen met Izak gaat ze op zoek naar een geschikte locatie. Die wordt uiteindelijk gevonden in Scherpenzeel waar Zonnehof van eigenaar Pieter Christoffel Schutte en zijn echtgenote Maria Petronella Greve te koop staat. Zij hebben in Zonnehof enkele jaren een pension gehad, bestemd voor ‘mensen op stand’. Izak en Wil kopen Zonnehof in 1961, ze zijn dan nog niet getrouwd. In dat jaar komt Wil naar Scherpenzeel. Izak de Jong verhuist pas na het huwelijk met Wil van Rijswijk in mei 1962 naar Zonnehof. Tot die tijd komt hij in het weekend met de bromfiets vanuit Blaricum naar Scherpenzeel. Burgemeester Hoytema van Konijnenburg is heel positief over de vestiging van een rusthuis in Scherpenzeel. Dat zal ertoe hebben bijgedragen dat hij het huwelijk tussen Wil en Izak zelf heeft voltrokken. In Zonnehof wonen in die tijd nog twee pensiongasten die daar al meerdere jaren verblijven.

Het zijn de Scherpenzeelse oud‐dierenarts Stotijn en mevrouw Gorter‐de Weerd. Zij blijven tot 1968 in Zonnehof wonen. Ze behoren niet tot de doelgroep waarvoor Zonnehof door echtpaar De Jong is bedoeld. Ze verhuizen naar het pas geopende bejaardenhuis het Huis in de Wei.

Zonnehof, 1962

In 1961 komen de eerste bewoners naar Rusthuis Zonnehof. Het zijn mensen met een geestelijke beperking of dementerende ouderen, in leeftijd variërend van ca. 40 tot 80 jaar. In het rusthuis wonen

12 gasten, 11 dames en 1 heer. Dat is de heer Van Drumpt die elke week de bestelling bij slagerij Bakker ophaalt. Gemeente Scherpenzeel is blij met de komst van Rusthuis Zonnehof. Het is goed voor de middenstand. Wil en Izak doen bewust de meeste boodschappen in Scherpenzeel. Daar varen o.a. groenteboer Stuivenberg, bakker Verweij en vishandel Firet wel bij. Gerrit Geytenbeek verzorgt als pedicure de voeten van bewoners, terwijl kleding bij Modehuis Methorst aan Plein 1940 wordt gekocht. Dokter Van Vulpen legt wekelijks op vrijdag een visite af bij Zonnehof. Bij de groothandel in Amersfoort

worden levensmiddelen en andere artikelen in grootverpakking gehaald. De rolverdeling tussen Wil en Izak is duidelijk: Wil heeft de algehele leiding en is als verpleegkundige verantwoordelijke voor de lichamelijke zorg van de gasten. Gegevens van de bewoners worden in een kaartenbaksysteem opgetekend. Izak verzorgt de administratie en onderhoudt de tuin, waarin graag gewandeld wordt. In 1964 wordt Marjo, dochter van Wil en Izak, geboren en twee

jaar later, in 1966, breidt het gezin uit met de geboorte van zoon Gerard.

V.l.n.r.: Izak, Marjo, Gerard en Wil de Jong

Marjo en Gerard worden ’s avond door Izak voorgelezen en naar bed gebracht. Izak is a.h.w. een huisman avant la lettre. Hij kweekt groenten in de achtertuin en in de kas die vanzelfsprekend bij de maaltijd opgediend worden. In de kelder staan weckflessen waarin producten voor het winterseizoen worden bewaard. Bloemenzaad wordt gewonnen en het volgende seizoen weer gezaaid. Van de bloemen uit de tuin maken de bewoners leuke bloemstukjes. Izak plukt samen met zijn kinderen bosbessen, aalbessen, rozenbottels en bramen in de omgeving waar jam en sap van gemaakt werd.

Wil de Jong is maatschappelijk betrokken. Ze zet zich in voor het Rode Kruis, is lid van de Plattelandsvrouwen en later voorzitster en helpt als ouder op de Holevoetschool waar haar kinderen naar school gaan. Wil is een sterke, doortastende en voor die tijd moderne vrouw.

Aannemer Van den Broek bouwt een extra kamer voor Marjo en Gerard. Er wonen dan 16 personen in Zonnehof, dat weliswaar een groot huis is, maar voor zestien personen is het woekeren met de beschikbare ruimte. Tien bewoners hebben een eigen kamer die is voorzien van een wastafel, een zithoek en een bed. Twee kamers zijn geschikt voor bewoning door twee

personen. Er is een gemeenschappelijke douche. In 1966 wordt Zonnehof gemoderniseerd. Elektricien Jonker legt nieuwe bedrading aan en loodgieter Den Hartog vervangt de olie gestookte ketel voor een gasketel. In 1970 wordt Zonnehof uitgebreid met een aanbouw achter het bestaande bijgebouw waarin een schuur en werkplaats komt. In het bijgebouw (de Hut) naast het hoofdgebouw woonden tot 1961 de vorige eigenaren, de familie Schutte. Later is daar de privéhuiskamer, en is er een extra douche met boven twee logeerkamers.

De bewoners die dat kunnen en willen helpen met aardappels schillen en andere werkzaamheden in de keuken. De maaltijd bestaat traditiegetrouw uit soep, een hoofdgerecht en een toetje. Lenie Hazeleger, Willie Huijgenbos, Alie Lansing en Magda ter Burg werken jarenlang in de verzorging.

De maaltijden worden door de meeste bewoners gezamenlijk beneden in de woonkamer genuttigd, maar enkele bewoners kiezen ervoor op hun eigen kamer te eten. Behalve op hoogtijdagen, dan is er een gezamenlijk diner waarbij iedereen aanschuift. Bij verjaardagen van de bewoners van het rusthuis wordt steevast de vlag uitgehangen. Tijdens feestdagen versieren Wil en Izak, later geholpen door Marjo en Gerard, het hele huis in bijvoorbeeld kerstsfeer. Op iedere kamer staat in december een kerstboompje. Elk jaar wordt er een uitje georganiseerd en gaat iedereen met de lijnbus naar bijvoorbeeld het dierenpark in Amersfoort. Familie De Jong en de bewoners vormen samen één grote familie. Rusthuis Zonnehof streeft naar een normale gezinssituatie. De meeste mensen wonen lange tijd in Zonnehof, er is weinig verloop. Sommige bewoners krijgen regelmatig familiebezoek, maar dat geldt niet voor iedereen.

Zonnehof, 2022

In de loop der jaren worden steeds hogere eisen gesteld aan het rusthuis. Er moeten brandtrappen worden gerealiseerd en het doen van allerlei cursussen is een vereiste. Marjo verlaat Zonnehof in 1982 als ze gaat studeren. Gerard gaat begin jaren 90 het huis uit.

Eind jaren tachtig stopt familie De Jong met het rusthuis. Wil en Izak hebben dan de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots overschreden. De laatste twee bewoners, mevrouw Stegeman en mevrouw Gazan, verhuizen naar andere verzorgingstehuizen. Wil en Izak hebben daarna nog lang mogen genieten van elkaar en het wonen in Zonnehof. In 2009 is Izak op 93‐ jarige leeftijd overleden. De laatste 2 weken voor zijn overlijden verbleef hij in een verpleeghuis. Wil de Jong‐van Rijswijk is op de laatste dag van 2019 op 99‐jarige leeftijd overleden in Huis ter Heide waar zij het laatste half jaar van haar leven in een verpleeghuis heeft gewoond. Daarna wordt Zonnehof niet meer bewoond. In 2023 verkopen de erfgenamen het huis dat zal worden gesloopt en plaats zal maken voor een nieuw te bouwen vrijstaand huis.

MIMI DUIM VERTELT

Piet Valkenburg

Het maartnummer 2020 van ons verenigingsblad is het themanummer “Verzet in de Tweede Wereldoorlog”. In dit nummer wordt het verhaal verteld van Gijs van de Burgt onder de titel “Brieven uit het Kamp”. Het artikel is grotendeels een weergave van een in 1967 verschenen artikel in dagblad De Vallei. In het artikel wordt verteld over de inval in 1943 op de boerderij van Gijs van de Burgt aan de Hopeseweg. Tijdens die inval zaten er twee onderduikers ondergedoken: Geert Jaspers uit IJmuiden en Mimi Kopuit uit Amsterdam. Aan het einde van het artikel vermeld ik: “Zowel Mimi Kopuit als Geert Jaspers overleven de oorlog. Mimi leefde enkele jaren geleden nog, maar wat er verder van haar geworden is, is mij onbekend”.

En juist die laatste opmerking bleef een beetje aan mij knagen. Maak ik me hier er niet een beetje al te makkelijk vanaf, want waar heb ik die naam Mimi eerder gehoord…..?

Eigenlijk kwam ik daar vrij vlot achter. In het archief van Vereniging Oud Scherpenzeel hebben we ook aardig wat opslag van filmmateriaal en daartussen zit een DVD met het opschrift “Joodse onderduikster Mimi Duim‐van Loenen vertelt”. Nu komt de naam Mimi niet zo heel veel voor, dus binnen 5 minuten film kijken werd mijn vermoeden bevestigd.

Tijdens wat nader onderzoek naar Mimi kwam ik terecht op de website www.Kopuit.nl, waar de familiestamboom is te vinden. Via een contactformulier kwam ik vervolgens in contact met Martin Kopuit, de zoon van Mimi Duim en dus een welkome bron van informatie. Al met al voldoende om eens te vertellen wat Mimi heeft beleefd en wat er van haar is geworden.

Mimi wordt op 19 april 1920 op de Nieuwe Achtergracht in Amsterdam geboren als Mary Duim. Zij is een dochter van Joseph Duim die op 17 december 1913 in Zaandam trouwde met Selly Groenstad. Vader Joseph is schoenmaker van beroep, hij heeft een zaak aan de Utrechtsedwarsstraat. Het gezin krijgt drie kinderen: Cato, Mimi en Wim Duim. Het is al volop oorlog als de Joodse Mimi op 19 maart 1941 in Amsterdam trouwt met de eveneens Joodse Alexander Kopuit. Hij is geboren in Amsterdam op 9 december 1915 als zoon van Marcus Kopuit en Sara Trompetter.

Nieuwe Achtergracht Amsterdam Cato (To), Mimi en Wim Duim

Mimi tijdens het interview

Op 30 juni 1996 wordt Mimi van Loenen‐Duim in haar woning in Amsterdam geïnterviewd door Oeke Hoogendijk van de Visual History Foundation als onderdeel van het inventariseringsproject “Survivors of the Shoah”. Later wordt Mimi in het kader van “Verzetshuizen” in het Amsterdamse filmtheater Kriterion nog eens geïnterviewd.

Hieronder het verhaal door Mimi zelf:

“Ik ben geboren en opgegroeid in de Plantagebuurt in Amsterdam en heb daar m’n hele leven gewoond, met uitzondering van de oorlogsjaren. Het was een leuke buurt om op te groeien. Vooral de Weesperstraat was heel gezellig, veel Joodse bewoners en Joodse winkels. Ik kom uit een orthodoxe familie en een heel fijn gezin. We gingen altijd naar de synagoge, de hoge Duitse sjoel, aan het Joost Daniël Meijerplein in het gebouw waar nu het Joods historisch museum is. We zaten bovenin en op de eerste rij, omdat we een grote familie waren en nogal vroom waren.

Het huidige Joods Historisch Museum

Tijdens de Sjabbat (de wekelijkse rustdag voor Joden, de Shabbos) kwam de familie altijd bij elkaar bij mijn grootouders, waar we gezamenlijk de maaltijd gebruikten. Na de maaltijd was het tijd voor thee en daar kregen we een schoteltje pinda’s bij. Er werd gebeden en gezongen, Broche gezegd en Shabbos gemaakt. Een gezellige tijd.

De Palacheschool (later: Brugmaschool)

Ik volgde de Joodse Palacheschool in de Lepelkruisstraat en daar leerde ik Hebreeuws. Ik had hoofdzakelijk Joodse vriendinnetjes. Dat was normaal. Ook het Jood‐zijn was heel normaal, daar stond je niet bij stil. Toch gingen we ook wel om met

christen mensen, maar in de wijk woonden toch vooral Joodse mensen. Een leuk uitje was iedere zaterdag met de hele familie met grootouders en al naar Artis en dan gingen we in de Koningszaal wat drinken. Iedereen netjes gekleed. Ik weet nog dat ik een keer een foto liet maken, door zo’n fotograaf daar en toen kreeg ik een standje, want dat mocht niet op de Shabbos.

In de aanloop naar de oorlog werd er natuurlijk over de ontwikkelingen in de jaren ’30 in Duitsland gesproken. Mijn grootouders woonden in de Kerkstraat en daar kwamen Duitse vluchtelingen te wonen. Gezinnen, maar ook opvallend veel jonge Joodse mannen. Die vluchtelingen werden meteen geaccepteerd en in de gemeenschap opgenomen. We vonden het verschrikkelijk wat er in Duitsland gebeurde en we leefden mee, maar we dachten allemaal: “Dat gebeurt hier in Holland niet, dat bestaat niet”.

Mijn eerste man Lex Kopuit heb ik leren kennen in de Bijenkorf. Ik was daar verkoopster op de herenafdeling en hij kwam op een zaterdagavond als klant binnen. Ik moest tot 10 uur werken en Lex stond buiten op mij te wachten. Ook hij was Joods en toen wilde ik ook alleen maar met een Joodse man trouwen.

Ik was al verloofd toen we in mei 1940 op de Weteringschans liepen en er allemaal vliegtuigen over kwamen, het begin van de invasie. We dachten direct: “Hemel, als die Moffen hier komen, dan krijgen we die ellende hier ook”. Maar hadden we toen echt angst? Nee, niet echt. Van liever lede kwamen er echter wel allerlei maatregelen tegen de Joden. Je mocht bijvoorbeeld bepaalde winkels niet meer in en je durfde amper meer op straat omdat je bang was om opgepakt te worden. Je had toen Zwartjes, een schoenenzaak die als één van de eersten een bord in de etalage had staan “Joden niet gewenst”. Die zaak bestaat nog steeds, helaas. Toen ik daar langs liep en het bord las, Ja, dat was een hele schok.

Ook nu bestaat schoenhandel Zwartjes nog, dit jaar al 140 jaar. Maar ook nu nog heeft de Amsterdamse winkel te maken met de ‘foute’ reputatie, die maar niet lijkt te verdwijnen. In 20216 wijdde dagblad De Parool er nog een serie artikelen aan.

Pas in de tijd dat Lex en ik in ondertrouw gingen, in 1941, kwamen de eerste razzia’s. We werden een keer door Hollandse politiemensen gewaarschuwd dat we niet de buurt in moesten gaan, want het was niet veilig. Dat was de eerste keer dat ik meemaakte dat er jonge mannen werden opgepakt op het Waterlooplein en het Daniël Meijerplein.

Lex liep op een gegeven moment in de Leidsestraat. Hij had een uitgesproken Joods uiterlijk en op een zeker moment kwam er een NSB’er naar hem toe lopen, zo’n WA‐man, en die zei: “Kom Jood, je moet mijn koffers dragen”. En dat moest Lex ook doen, hij kon gewoon niet weigeren.

In 1941 zijn Lex en ik getrouwd en wij waren het laatste Joodse bruidspaar wat in het Stadhuis mocht trouwen. Na mijn trouwen zijn we op de Plantage Kerklaan gaan wonen.

Op een gegeven moment stond ik in begin 1942 bij de bakker in de winkel. Ik was zwanger en ik werd “gepakt” door een Duitser, een groene politieman, “Grüne Polizei”. (noot: in het interview wordt hier niet verder op in gegaan). De vrouw van de bakker was ook zwanger, dus hij voelde helemaal met mij mee. De bakker heeft mij toen naar huis gebracht.

Het kersverse echtpaar woonde op nummer 4 op de Plantage Kerklaan, op de hoek met de Plantage Muidergracht. Op de foto’s de vroegere en huidige situatie.

In die tijd hebben we al gesproken over onderduiken, wat we uiteindelijk ook hebben gedaan. Mijn moeder en mijn broertje kwamen daar niet aan toe. Nog voordat zij konden onderduiken zijn zij door de Duitsers weggehaald. Natuurlijk sloeg hierna de angst toe. De razzia’s, de borden “Judenviertel” waarmee de Joodse wijk werd afgezet, je voelde je opgesloten. Je mocht niet meer reizen, niet meer naar bioscopen, uiteindelijk mocht je als Jood

niets meer. Waar nu de studio van de VPRO is, was een soort bevolkingsregister en daar moest je je melden. Je kreeg een “J” op je persoonskaart en de ster die je op je kleding moest dragen. Ik vond het een verschrikkelijke vernedering maar je stond machteloos. Ik durfde het ook gewoon niet om zonder ster op te lopen, bang om opgepakt te worden.

Mijn zoon Robbie werd geboren op 8 augustus 1942. Op een gegeven moment woonden er bijna geen niet‐Joden meer in de wijk. Ik weet nog wel dat er weer eens razzia’s waren en toen ben ik met mijn pasgeboren zoontje via de zolders naar een ander gedeelte van het huizenblok gevlucht. Ik werd toen binnen gehaald door één van de weinige niet‐Joodse vrouwen die er nog wel woonden. Er gebeurden verschrikkelijke dingen tijdens die razzia’s. Ik heb gezien dat ze mijn bejaarde onderbuurvrouw, mevrouw Schaap, afvoerden. Mevrouw Schaap woonde 2‐hoog en zij wilde niet mee, maar ze hebben haar gewoon de trap afgesleurd.

Mijn man Lex deed in die tijd al illegaal werk en we besloten om niet meer thuis te slapen, maar bij mijn schoonvader te slapen of bij Jan en Jopie Zwiers. Jan was een oude schoolvriend van Lex en zij woonden toen in de Utrechtsestraat. Op een gegeven moment kwamen we ’s morgens eens thuis en toen stonden de buren op de hoek van de straat op ons te wachten en zij vertelden dat we niet meer naar huis konden, want ’s nachts waren de Duitsers geweest om ons te halen. Zij wisten te vertellen dat Lex werd gezocht. Lex verspreidde in die tijd illegale bonnen en de illegale krant Het Parool.

We konden dus niet meer naar ons eigen huis en waren ook gelijk al onze bezittingen kwijt. Die aardige buurvrouw die mij eerder tijdens een razzia in huis haalde, heeft toen al mijn spullen ingepikt, ze heeft m’n hele huis leeg gehaald.

We hebben hierna een paar maanden bij de familie Zwiers ingewoond. De man van mijn zus Cato had een zwager, Jan Bakker, die in Scherpenzeel woonde. Deze Jan Bakker stond weer in contact met ome Hannes van de Boogaard (Johannes van de Boogaard). Ome Hannes is in mijn ogen de grootste verzetsstrijder in Nederland geweest. Hij heeft wel vier‐, vijfhonderd Joodse kinderen gered. Hij heeft ons toen geholpen. Mijn zoon Robbie is als eerste met mijn zwager naar ome Hannes gegaan. Zij gingen naar Wormerveer. Daar hadden we geen keus in, dat moest nu eenmaal voor de veiligheid van Rob zelf. Rob was toen nog maar een half jaar oud, maar we wilden hem in veiligheid brengen. Ik heb hem niet eerder terug gezien dan toen hij twee jaar oud was.

Op een gegeven moment wilde ik met mijn zwager op de trein stappen, zonder ster op de kleding, zonder persoonsbewijs. Op het Centraal Station was er controle. Ik zei tegen mijn zwager: “Laat mij nu alleen gaan, want jij hebt een Joodse vrouw en als jij gepakt wordt, dan wordt zij ook gepakt”. Maar hij wilde per se doorgaan. Iedereen werd gecontroleerd, maar toen ik aan de beurt was, keek de man mij aan, lachte tegen mij en knipoogde ik naar hem, waarop hij zei: “Loop maar door”.

Gijs v.d. Burgt

We gingen met de trein naar Scherpenzeel. Op het station stond Jan Bakker te wachten, hij zat in de omgeving van Scherpenzeel in de illegaliteit. Jan Bakker bracht mij naar de familie Van de Burgt. Ik werd opgenomen in dat gezin. De familie Van de Burgt was een hele fijne familie, heel christelijk, maar het was daar geweldig. Ik had de opkamer tot mijn beschikking en ik sliep op de deel, samen met de dochters van het gezin. Ik moest natuurlijk niet opvallen. Als de familie visite kreeg kon ik daar bijvoorbeeld niet bij zijn en ging ik het trappetje op naar de opkamer. Daar zat ik dan urenlang in m’n eentje in die kleine ruimte. Dat opgesloten zijn, dat staat me nog goed bij. Tot heden ten dage kan ik niet tegen kleine ruimtes en kan ik niet slapen met de slaapkamerdeur dicht.

Ik hielp gewoon mee op de boerderij. Dat was heel leuk, varkens voeren, de koeien melken en ik liep op klompen. Mijn haar was

blond gemaakt en ik sprak uiteindelijk ook gewoon “boers”. Er was ook een persoonsbewijs voor me geregeld, op naam van Truus Zwiers. Het verhaal was dat ik uit Wageningen kwam en vanwege de honger naar het platteland was gekomen. Zat ik in spanning? Nee, eigenlijk niet echt. Ik had de vaste overtuiging dat ik met mijn man en kind de oorlog zou overleven. Vraag me niet hoe ik dit wist, maar ik was nooit bang dat er iets met ons zou gebeuren.

Ik respecteerde volledig dat het gezin Van de Burgt streng christelijk was. Dat was soms weleens vreemd voor mij. Zo stond ik eens voor de spiegel mijn haar te doen, toen vrouw Van de Burgt zei: “je moet niet te vaak in de spiegel kijken, want dat is ijdel”. Ook een gewoon boek lezen kon niet. Dat was wel vreemd voor mij, maar we respecteerden en accepteerden elkaar en ik raakte snel ingeburgerd in hun leven. Ik werd echt één van hen, ook omdat het een buitengewoon fijn gezin was.

Natuurlijk was ook daar de oorlog dichtbij. We zagen bijvoorbeeld eens hele rijen mannen voorbij komen lopen over de Hopeseweg, die waren opgepakt voor de Arbeidseinsatz. Wij zaten op dat moment net te eten en toen zijn we met onze borden met eten naar buiten gelopen om die mannen wat eten te geven, maar we werden weggejaagd door de Duitsers.

Groepsfoto bij V.d. Burgt. Mimi zit midden links (met baby op de arm)

Het is echter heel tragisch verlopen met de familie Van de Burgt. Ze werden verraden doordat ik werd gezocht. Onder het bed op de deel waar ik sliep

was een luik gemaakt. Als er gevaar was kon ik gelijk door het luik en dan lag ik onder de deel, maar wel in de koeienmest. Toen ik er ongeveer een jaar was (noot: najaar 1943) kwam er een inval van de Duitsers. Ik ging gelijk door het luik onder het bed en verstopte me daar dus. De Duitsers vroegen naar een meisje met donker haar. Het geluk was dat één van de dochters, Corry van de Burgt, ook donker haar had. De Duitsers werd daarom verteld “dat is Corry geweest”.

De Duitsers onderzochten nog de hooiberg, waar ze met bajonetten instaken. Daar had Dirk Jaspers zich verstopt. Hij was ondergedoken voor de Arbeidseinsatz. Ook hij werd niet gevonden. De hele familie Van de Burgt moest naar de kelder. Ze hebben een pistool tegen het hoofd van boer Van de Burgt gezet in het bijzijn van zijn kleine kinderen. “Als je niet zegt waar dat Jodinnetje is dan schieten we je vader dood”. Vrouw Van de Burgt zei toen: “Laten we allemaal bidden” en het hele gezin ging op de knieën en in gebed. Ze zeiden het Onze Vader op. Dat maakte zoveel indruk op die Duitsers dat ze vertrokken.

Ik weet door wie ik verraden ben. Dat was een man die Johnny de Droge werd genoemd. Die trok als marskramer langs de boerderijen en huizen, ook om te kijken of er onderduikers zaten. Toen hij eens bij de boerderij kwam vertelde vrouw Van de Burgt: “Ik heb geloof ik nog iemand die elastiek nodig heeft” en toen liep ze naar de kamer waar ik zat en die marskramer liep achter haar aan en zag mij daar. Die Johnny de Droge is tijdens de oorlog nog door de illegaliteit doodgeschoten. Het was een vreselijk slechte man.

Nadat ik bij Van de Burgt ben vertrokken kwam ik terecht bij Weenink, een bloemist. Op een gegeven moment wilde ik naar de familie Van de Burgt lopen, maar werd ik tegen gehouden toen ik de Holleweg (noot: Hopeseweg) op wilde lopen. Ik gaf aan dat ik naar Van de Burgt wilde lopen, maar toen werd me gezegd dat ik zeker niet moest doen, omdat er wapens waren gevonden in het bos daarachter.

Afbeelding: de boerderij van V.d. Burgt anno nu

Van de Burgt en allemaal andere mensen daar in de buurt zijn ter plekke doodgeschoten. (noot: dit deel van het verhaal klopt niet. Van de Burgt werd afgevoerd en kwam uiteindelijk terecht in kamp Wöbbelink, waar hij is overleden).

Ook bij bloemist Weenink kon ik niet blijven want hij had een zwager die fout was. Ik werd daar opgehaald door ome Hannes ven we zijn door de bossen naar Bennekom gefietst. Daar dook ik onder bij de familie Van Laren. Dat was eind 1943. Het gezin Van Laren was ook erg christelijk, maar ook heel fijne mensen. Ik kon vrij rondlopen, ik leefde immers als evacuee. Ik had een eigen kamer, werd opgenomen in het gezin en ging zelfs mee naar de kerk.

In die tijd kwam ook mijn zoontje Robbie weer in beeld. Ik ging eens met mevrouw Van Laren boodschappen doen toen we langs een kwamen huis en ik daar een jongetje zag zitten, netjes een zwart fluwelen pakje aan, wit bloesje eronder. Ik zeg tegen Elspeet van Laren: “Moet je eens kijken, dat lijkt mijn kind wel”. Hij was ook sprekend zijn vader. Ik pakte het fotootje erbij wat ik van ome Hannes had gekregen. Op dat fotootje kon ik de kapper in die straat zien en nog een raam en ik zeg: “Dat kan niet anders zijn, dan…”. We belden aan bij die woning en dat was natuurlijk dom wat we deden. Ik zei: “Mag ik me even voorstellen ik ben Mimi Kopuit en dat is mijn kind die ik daar zie, die is gebracht door ome Hannes”. Die vrouw aan de deur werd woest en ontkende natuurlijk alles. Naderhand kwam ome Hannes een keer langs en toen hebben we het verteld. Ome Hannes zorgde er toen voor dat we contact met die mensen kregen. Robbie noemde mij tante in die tijd. Hij kende mij niet meer; hij is immers als baby bij mij weg gegaan. Die mensen woonden eerst in Den Helder. Toen ze hoorden dat ze een baby als onderduikertje zouden krijgen heeft die vrouw eerst een poos met een kussen voorgebonden gelopen, zodat het leek alsof zij zwanger was. Toen Robbie er eenmaal was werd hij op hun trouwboekje bijgeschreven onder een andere naam.

Robbie was vreselijk verwend door die mensen, het was een vreselijk verwend joch geworden. Maar het waren schatten van mensen en ik kwam natuurlijk veel bij hun thuis. Ik zag Rob dus heel vaak. Dat was soms ook wel moeilijk, want dan mocht ik Rob ’s avonds naar bed brengen en zei hij: “Nee, mama moet het doen”. Dan moest je echt je verstand blijven gebruiken, want zijn veiligheid stond natuurlijk voorop.

Mimi met zoontje Robbie

In Bennekom heb ik de slag om Arnhem meegemaakt. In die septemberdagen stonden we op een gegeven moment bij de schuur om de fietsen te pakken en er kwamen allerlei vliegtuigen over. Je zag die vliegtuigen open gaan en je zag

allemaal soldaten, parachutisten naar beneden springen. “We worden bevrijd”, riepen we tegen elkaar. Het was wel een verwarrende tijd, eerst waren we Duits, toen weer Engels en uiteindelijk toch weer Duits.

Ik was een keer in Wormerveer blijven slapen bij mijn man Lex, die daar ondergedoken zat, met als resultaat dat ik weer zwanger raakte. Max is mijn tweede zoon en hij is in oktober 1944 in Bennekom in het ziekenhuis geboren. Dat was heel bijzonder, want er werd volop in de omgeving gevochten en we hoorden de kanonnen bulderen. Het ziekenhuis had ook geen elektriciteit, dus het ging heel primitief. Natuurlijk moesten we hier ook een goed verhaal hebben, want er werd gelijk gevraagd waar mijn man dan was. Ik vertelde dat hij was opgepakt

tijdens een grote razzia in Wageningen. Die razzia was er daadwerkelijk geweest, dus iedereen geloofde dat verhaal. Kleine Max moest voor zijn eigen veiligheid ook gelijk onderduiken. Ik wist zelfs niet waarheen, want ook dat heeft ome Hannes allemaal verzorgd.

Dokter J.H. Renken

Vanwege de slag om Arnhem moest heel Bennekom evacueren en toen kwam ik weer in Scherpenzeel terecht. Daar kwam ik bij dokter Renken in huis, hij woonde op de grens van Woudenberg en Scherpenzeel (noot: op de Holevoet). Daar had ik het ook heel erg goed, ik had een eigen kamer en redelijk wat vrijheid, ik was immers een evacuee. Ik heb ook nooit honger geleden, want dokter Renken kreeg van alles van de boeren uit de omgeving.

Er ontstond hier wel een bizar verhaal: op een gegeven moment werd er verplicht een Duitse officier ingekwartierd bij dokter Renken en deze man werd verliefd op mij. Dat was wel erg, want ik wist mij hier geen raad mee. Die man was ,geloof ik, de obercommandant in Scherpenzeel. Hij gaf mij zelfs een brief, een soort vrijgeleide, die ik moest laten zien als ik eens gecontroleerd zou worden. Op een gegeven moment vroeg hij of ik nog familie in de stad (noot: Amsterdam) had wonen. Ik zei: “Ja”, want in zijn ogen was ik natuurlijk een christelijke vrouw. Ik was toen Truus Zwiers en ik had me ook helemaal in die rol ingeleefd.

Ik werd door de obercommandant meegenomen naar het gemeentehuis en daar kreeg ik manden vol met eten. Toen werd ik door mannen van de SA met een vrachtauto naar Amsterdam, naar mijn zus gereden. Zat ik daar tussen die mannen met bruine overhemden met hakenkruizen erop. Bij mijn zus in de Mercatorstraat werden die manden met eten uitgeladen. Mijn zus schrok zich natuurlijk dood, maar zij was gemengd gehuwd en dus redelijk veilig. Maar zo kwam ik dus weer even in Amsterdam terecht. Het viel me toen in Amsterdam wel op dat de mensen erg mager waren en er soms gewoon groen uitzagen. Ik had dat allemaal niet meegemaakt in Scherpenzeel, ik heb geen honger geleden.

Door die mannen van de SA werd ik die volgende dag weer opgehaald en terug gebracht naar Scherpenzeel. Na afloop van de oorlog moesten mijn zus en zwager, die nota bene een grote verzetsstrijder was geweest, nog wel aan de politie uitleggen waarom in de oorlog de SA bij hen eten was komen brengen. Dit was door de buren doorgebriefd.

Verzetsmonument aan de Weteringschans

Begin 1945 moesten we ook weer vertrekken uit Scherpenzeel, want er zou daar ook weer gevochten gaan worden. Met de auto ben ik naar Amsterdam, naar mijn zus Cato aan de Mercatorstraat gegaan en daar ben ik in huis gekomen als de evacuee Truus Zwiers. Ik kreeg nota bene zelfs iedere maand evacueegeld en dat moest ik halen op de Weteringschans. Tijdens één van die tochtjes maakte ik mee dat er mensen werden doodgeschoten op de Weteringschans, daar waar nu het verzetsmonument staat. Er werden mensen uit de gevangenis gehaald. Dat waren illegale werkers.

Voorbijgangers werden verplicht om erbij te gaan staan om te kijken. In die tijd voer daar nog een pontje en de pontbaas trok mij gewoon het pontje op en voer snel weg zodat ik daar niet naar hoefde te kijken.

Gelukkig hebben we bij mijn zuster geen honger hoeven te lijden. Mijn zwager kwam veel bij een groenteman in de markthallen. Die groenteman was NSB’er, maar die gaf mijn zwager dan bijvoorbeeld een kist met appels mee, waarbij hij zei: “Hier neem mee voor je vrouw en je schoonzuster”, dus hij wist waarschijnlijk wel dat er wat met mij aan de hand was.

Ik heb tot de bevrijding in mei 1945 bij mijn zuster ingewoond. Op de verdieping beneden mijn zuster woonde een politieman, maar die was wel safe. Opeens belde hij aan en riep hij: “We zijn bevrijd!”, Hij had het als eerste doorgekregen op het politiebureau. Waarschijnlijk vermoedde hij al iets over mij, want tegen mij zei hij: “En jij ook!”.

Beeld van de bevrijding: intocht van Canadese troepen in Amsterdam. De foto is genomen op het Damrak t.h.v. de Prinsenkade

Direct na de bevrijding was er nog veel onzeker. Ik wist dat mijn man Lex nog leefde, dat mijn zoon Rob nog leefde, maar ik wist ook dat mijn broer en mijn moeder waren afgevoerd, dat had ik van ome Hannes gehoord, maar ik wist niet waar ze naar toe waren gebracht. Na de oorlog kon je dit opvragen via het Rode Kruis. Van mijn moeder kwam ik te weten dat zij naar Sobibor was gebracht, maar verder wist ik het niet. Ik wilde het ook niet weten, want ik kreeg een envelop en die heb ik verscheurd, ik wilde niet verder lezen. Van mijn broertje Wim is nooit meer iets bekend geworden, hij is compleet van de aardbodem verdwenen.

Mijn man Lex kwam terug uit Wormerveer en liep op een gegeven moment langs de Stadsschouwburg en daar stond een hele rij opgepakte NSB’ers, sommigen nog in het uniform van de WA. Lex herkent in één van die mannen opeens de man van wie hij in de oorlog verplicht de koffers had moeten dragen. Lex stapt op die man af en vraagt of hij zich het voorval met de koffers nog kon herinneren. “Kom nu maar de rij uit en nu moet je wat voor mij dragen”.

Na de bevrijding kregen we een huis op de Nieuwe Keizersgracht. We hadden geen enkele bezittingen meer, maar we kregen wat oorlogsgeld en één grauwe paardendeken per persoon. Van een aantal familieleden die niet terug gekomen waren, kregen we een voorschotje op de erfenis en daar konden we de eerste meubels van kopen. Lex was handelsman en ging ook direct weer aan het werk. Samen met een collega begon hij een lederwarenwinkeltje op de Utrechtsedwarstraat, Cohen en Kopuit, kortweg CoKo geheten.

Pas na enige tijd druppelde de informatie over de concentratiekampen binnen, wat er allemaal was gebeurd. Dat was ongelofelijk, onbeschrijfelijk. Je ging lijsten doorlezen om te kijken wie er wel of niet teruggekomen waren. We hadden veel vrienden van wie man, vrouw of kinderen niet waren teruggekomen. Dat gaf onderling soms wel spanning, want wij waren als gezin natuurlijk compleet gebleven en daar kregen we soms zelfs verwijten over. Sommige vrienden wilden ons zelfs nooit meer zien. In het begin voelden we ons soms zelfs schuldig over het feit dat wij het wel overleefd hadden.

De drie zonen van Mimi: Robbie, Max en Martin.

Ons derde kind, Martin werd in 1946 geboren op de Nieuwe Keizersgracht. Het was een gelukkige tijd, maar na 12 ½ jaar huwelijk zijn Lex en ik gescheiden. De lederwarenfabriek ging failliet en wij moesten hals over kop scheiden, omdat er veel op mijn naam stond gesteld. We bleven wel gewoon samenwonen en ik ben weer gaan werken, als verkoopster bij Galerie Modern. Het huwelijk tussen Lex en mij ging uiteindelijk toch niet goed. Ik meen dat dit ook door de oorlog is gekomen. Je bent toch veranderd door die oorlog. Je bent opstandiger

geworden, je krijgt een ander wereldbeeld, uiteindelijk ben je door die oorlog een totaal ander mens geworden. Lex en ik zijn toen toch uit elkaar gegaan.

Door de oorlog geloofde ik ook niet meer in God, ik deed niets meer met het geloof. Dat is later veranderd. Ik ben weliswaar geen orthodoxe Jodin meer, maar ik ben wel meer bewust Joods geworden en ik ben nog steeds trots op mijn Jood‐zijn. Vóór de oorlog had ik eigenlijk geen erg in het onderscheid tussen Christenen en Joden, maar dóór de oorlog ben ik me dat gaan realiseren en zelfs nu speelt dit nog echt mee. Ik kan nu ook wel

goed over de oorlog praten. Dat ik nooit meer iets van mijn broertje Wim heb vernomen heeft mij lange tijd bezig gehouden. Ik ben lange tijd blijven hopen dat ik dacht: “Misschien staat hij zo meteen voor de deur”. Voor mij was hij niet dood. Mijn moeder wel, die zekerheid had ik al wel, maar mijn broertje, die…… Ik voelde me eerst ook schuldig tegenover mijn moeder en mijn broertje. Ik voelde me schuldig omdat ik het overleefd heb en zij niet. Ik hou van ze en ik denk nog veel aan ze, maar ik voel me tegenwoordig gelukkig niet meer schuldig”.

Wim Duim (1942)

Tot zover het verhaal van Mimi.

Ná de scheiding van Lex Kopuit gaat Mimi samenwonen met de christelijke Jan van Loenen. Jan woonde tegenover Mimi in een woonpoot aan de Nieuwe Keizersgracht. Uit dit huwelijk worden twee kinderen geboren: Frans en Marjolijn. Mimi en Jan trouwen op 3 juli 1969. Mimi vertelt hier in 1997 nog over: “Jan is tien jaar jonger dan ik, maar we zijn nu alweer 37 jaar bij elkaar. Ik til er helemaal niet aan dat hij niet Joods is. Ik was toch al wel afgedwaald. We vieren ook gewoon Kerstmis samen”.

“Ome Hannes”, Johannes van den Boogaard is bekend geworden als groot verzetsstrijder, hij heeft in en rond zijn boerderij in de Haarlemmermeer vermoedelijk honderden Joodse onderduikers, waaronder veel kinderen, kunnen redden. Bijzonder is dat hier filmbeelden van zijn (noot: zie Youtube: “De boerderij van de familie Boogaard: “Overal waren schuilplaatsen”). Ome Hannes heeft ook de oorlog overleefd, maar zijn vader en broer zijn in het concentratiekamp Oraniënburg om het leven gekomen,.

Verrader Johnny De Droog begon ooit als verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Nadat hij echter door de Duitsers werd opgepakt liep hij over.

Mimi met Robbie in de hooiberg van de boerderij

In 1994 deed Metje Bogaard, dochter van “Ome Hannes”, in de Telegraaf een oproep om weer in contact te komen met Mimi en Robbie Kopuit. Dat lukte en het contact werd ook weer hersteld.

Door zich als verzetsman te blijven voordoen verraadde hij veel verzetsmensen. Johnny heeft de oorlog niet overleefd. Het verhaal gaat dat hij geliquideerd is door het verzet, maar in werkelijkheid betrof het een dodelijk ongeluk met zijn pistool, dat nogal makkelijk afging.

Ná de oorlog heeft Mimi altijd contact blijven houden met de familie Van de Burgt. Zo is het gezin een aantal keren op vakantie geweest op de boerderij.

Terwijl veel Joodse bewoners uit de Plantagebuurt vertrokken vanwege de traumatische oorlogsherinneringen, blijft Mimi Duim er haar hele leven wonen. Mimi overlijdt op 94‐jarige leeftijd op 16 februari 2015.

Met dank aan Martin Kopuit.

Bronnen:

  • Interview Visual History Foundation
  • Interview filmtheater Kriterion
  • Amsterdams Archief
  • www.joodsmonumentzaanstreek.nl
  • www.joodsamsterdam.nl
  • www.75jaarvrijheid.nl
  • www.Wikipedia.nl
  • Privacyverklaring
  • ANBI
  • Jaarstukken
  • Statuten
  • Verwante organisaties
  • Contact

© 2026 Oud Scherpenzeel

Scroll naar boven