Doorgaan naar inhoud
Lid worden?
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Onze agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact
YouTube
Facebook
Lid worden?
YouTube
Facebook
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Onze agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact

Verenigingsblad 2022-3



34E JAARGANG NR. 3 SEPTEMBER 2022






Vereniging  Oud  Scherpenzeel

Van de bestuurstafel…………………………………………………………………………..4

Koninklijke onderscheiding Henk van Woudenberg………………………………..5

Hagepreken aan de Koepel in 1939………………………………………………………7

Nieuwe aanwinsten……………………………………………………………………………8

50 jaar Rema automaterialen…………………………………………………………….10

Chirurgijns in vroeger tijden………………………………………………………………13

Oud en nieuw………………………………………………………………………………….18

1920 ‐ Scherpenzeel ‐ een eeuw geleden ……………………………………………19

Scherpenzeelse boerderijen en hun bewoners…………………………………….25

De kopij voor het decembernummer dient uiterlijk zaterdag 12 november 2022 a.s. te zijn ingeleverd bij de redactie.

Omslag:

Boerderij De Haar met Chris en Huib de Leeuw, zie artikel ‘Scherpenzeelse boerderijen en hun bewoners’, pag. 25 e.v.

VAN DE BESTUURSTAFEL

Wim van den Berg, voorzitter

We hebben een mooie zomer achter de rug. En dan heb ik het niet alleen over het weer. We kijken terug op een paar leuke en interessante activiteiten. Op 21 en 28 juni hebben we in twee groepen een bezoek gebracht aan De Witte Holevoet waar sinds enige tijd de Herbergier is gevestigd. Niet alleen de buitenkant is mooi geworden, maar ook van binnen is het pand prachtig verbouwd. De tuin is een lust voor het oog. Janco en Wilma Blonk, zorgondernemers van Herbergier Scherpenzeel, hebben ons hartelijk ontvangen en ons verteld over hun omgang met de 17 bewoners die in de Herbergier verblijven.

Op 8 juli zijn we naar Achterveld gefietst. Daar kregen we een rondleiding van de heer Gerrit

Tijmensen in de schitterende St. Jozefkerk en vertelde de heer Ronald Polak, voorzitter van de Historische Kring Leusden, over de voedselconferentie die daar aan het eind van de oorlog werd gehouden in de school (nu Cultureelcentrum De Moespot) naast de kerk in het bijzijn van o.a. Prins Bernard. In de pauze dronken we daar koffie.

In het Koetshuis is de afgelopen tijd hard gewerkt om de oude keuken te vervangen door een nieuwe. We zijn enorm blij dat Roland Bakker (van RB. Stucwerk) en Eduard Giltay (van EG. Stucwerk) het stukadoorswerk hebben verzorgd. We zijn ook Ben IJFF veel dank verschuldigd voor het vakkundig plaatsen van de keuken. U moet de komende tijd maar eens naar het resultaat komen kijken. Elke dinsdagavond zijn we van 19.00 – 21.00 uur in het Koetshuis aanwezig.

In oktober 2021 hebben we onze laatste bijeenkomst in Boschzicht gehouden; in maart 2022 hielden we daar onze allerlaatste avond, maar op 18 oktober 2022 zullen we voor de aller‐, allerlaatste keer in Boschzicht bij elkaar komen. Een uitnodiging staat verderop in dit blad.

Ook in deze uitgave staan weer bijzondere geschiedenisverhalen. Mevrouw Vaarkamp heeft haar herinneringen aan de oorlog op schrift gesteld; Elma ter Burg vertelt over het lot van de Joodse familie Jozef; Hans Thielemans blikt terug op de tijd dat hij hier in de jaren zestig kwam wonen en zijn inzet voor jeugd‐ en jongerenwerk daarna en Piet Valkenburg besteedt aandacht aan vergeten oorlogsslachtoffers. Kortom, meer dan de moeite waard om verder te lezen. 

UITNODIGING NAJAARSBIJEENKOMST

Op dinsdag 18 oktober 2022 is onze najaarsbijeenkomst in Partycentrum Boschzicht, Burgemeester Royaardslaan 4, Scherpenzeel. Aanvang 19.30 uur. Koffie en thee staan vanaf 19.00 uur voor u klaar. We hebben leuk programma voor u samengesteld. Het thema van de avond is `Muzikaal Scherpenzeel`.

Wat kunt u zoal verwachten?

Beknopte presentaties over de geschiedenis van:

‐ muziekvereniging Caecilia,

‐  mondharmonicavereniging Bravo, ‐           accordeonvereniging Fortissimo 

‐ Soli Deo Gloria

‐  Valleiparels‐       diverse bands ‐   enz.

Beeld‐ en geluidopnames van optredens en uitvoeringen

Videobeelden van interviews met:

‐  Job Cozijnsen en Henk van Oostrum ( beiden meer dan 70 jaar lid van Caecilia) ‐    Henny van Buuren (pianiste, betrokken bij diverse Scherpenzeelse koren, medeoprichtster Valleiparels)

‐ Linda Verm (=Henny Vermeulen die als zangeres furore maakte)

Accordeonmuziek van Ans van Voorst en Berend Waarsing

U bent van harte welkom!

Op woensdag 26 oktober organiseren we i.s.m. Bibliotheek Scherpenzeel een avond in het kader van de Maand van de Geschiedenis in De Breehoek. Het thema van de avond is ‘Wat een ramp’. Nadere informatie volgt!

JAOR GELEJE

Jan Dorrestijn

In de haar’fst 1987 ston d’r best veul in de kraant. Wie weet ‘t nog? Zet de letters die achter ’t goeie antwoord staon achter mekaor en je kriegt de oplossing van deze puzzel. D’r komt ’n woord uut wat ok te maoke had mit die tied.

Op 19 september gaon twee busse mit Schaar’pezelers naor Ubach‐Palenberg. Waorom deje ze dat:

‐  Veur ‘n uutwisseling mit bewôners uut Scherpenseel in Duitslaand ‐ M

‐  Om ’n voebalwedstijd van V’leivogels te bekieke ‐ B

‐  Om verdwaolde duve op te haole ‐ G

‐  Om paole op te haole veur de bouw van hockeydoele ‐ D

Op 19 september wier de hondebiathlon gehouwe in Schaar’pezîl. D’r zin opnaomes gemaokt deur:

‐  NOS journaol ‐ E

‐  Veronica Sport ‐ A

‐  Midlaand TV ‐ L

‐  ARD Sportschau ‐ O

B.J. van de Kamp uut Bleiswijk komt in Schaar’pezîl wônen. Waorom:

‐  Hij is de nieuwe gemîntesicretaor’s ‐ L

‐  Hij is de nieuwe dominee ‐ O

‐  Hij is de nieuwe spits van v.v. Schaar’pezîl ‐ I ‐  Hij is getrouwd mit ’n dere van de burgemeester ‐ T

Wat was d’r an de haand mit gebouw Philalethes?

‐  ’t Wier ingriepend verbouwd ‐ L

‐  D’r was braand in de grôte zaol ‐ S

‐  D’r wiere vluchtelinge opgevange ‐ F

‐  De braandweer mos ’t gebouw ontrume vanwege instortingsgevaor ‐ R

’t Haar’fstfeest in de Heijhorst had ’n grôte artiest angetrokke. ’t Was:

‐  Feestbeest Jerick ‐ B

‐  Bennie Jolink ‐ P

‐  Peter Koelewijn ‐ S

‐  Henk Wijngaard ‐ T

Supermart Spar komt mit ’n nieuwtje.

‐  Kiendere mogge in de karretjes zitte ‐ R

‐  De eerste diepvries wordt geplaotst ‐ A

‐  Op de eerste verdieping gaon ze speulgoed verkope ‐ G

‐  Bôdschappe worde gescand bij de kassa ‐ T

De tienduzendste pass’gier van de buurtbus kreeg ’n cadeau:

‐  ‘n Reis naor Spanje ‐ Â

‐  Twee m’nute graot’s winkele bij de Spar ‐ Û

‐  Ze kreeg niks ‐ Ô

‐  ‘n Balpen ‐ Î

Wethouwer Donker maokt zich lang veur oktober al zor’ge over: ‐  De mankemente an de zoutstreuier ‐ L

‐  De komst van de gevreesde anhang van FC Den Haog ‐ N

‐  ‘t Stucwaar’k van ‘t Koetshuus ‐ R

‐  De deurkomst van de Tour de France ‐ E

1          2        3        4        5        6        7        8

___           ___        ___        ___        ___        ___        ___        ___

De oplossing van de puzzel  ‘30 jaor geleje‘ in het juninummer is: TRUGKIEKE    

HOE EEN GEIJTENBEECK WERD VERGIFTIGD

Piet Valkenburg

Bij het napluizen naar een aantal namen voor een volstrekt ander (beoogd) artikel kwam ik terecht op de website “Uit de Oude Koektrommel”. Deze website is een soort van privéonderneming van Tanja Enklaar en zij publiceert er eigenlijk van alles en nog wat op. Een aantal jaren terug benaderde Tanja ons als vereniging al eens met wat vragen over de voormalige boerderij Geitenbeek en dit artikel is daar een gevolg van.

Op de website is het verhaal te lezen van ene Maria Janssen van de Grampel en alhoewel het verhaal zich niet in of nabij Scherpenzeel afspeelt is het verhaal curieus genoeg om ook in ons verenigingsblad te publiceren. Eén van de slachtoffers van Maria is namelijk een Geijtenbeeck…

Maria wordt als Maritje Janssen in 1677 in Bennekom geboren. Zij is een dochter van Jan Willemsen en Jantje Janssen. Vader Jan Willemsen is boer op pachtboerderij ‘De Grampel’.  Deze oude pachtboerderij stond nog tot omstreeks 2010 aan de Rijnsteeg in Bennekom op het landgoed van kasteel Hoekelum. Een doopakte van Maritje heb ik niet kunnen vinden, maar op 25 december 1697 wordt ze als lidmaat aangenomen in de Nederduits Gereformeerde gemeente te Bennekom.

In 1709 verhuist de dan 32‐jarige Maritje naar Achterberg bij Rhenen, waar ze als dienstmeid gaat inwonen bij de paardenmeester (paardendokter, vee‐arts) Aart Gerritsen. Kennelijk is Maritje niet alleen dienstmeid, maar min of meer ook assistente van de paardenmeester, want in deze tijd doet zij veel kennis op van diverse geneesmiddelen. Later zal Maritje zich dan ook doctores van paarden en mensen noemen. Of zij ook als    Boerderij De Grampel in 1960 zodanig opgetreden heeft is niet bekend geworden.

Vanaf 1717 zijn we een aantal jaren het zicht op Maritje kwijt, maar in 1720 blijkt zij als boerenmeid in te wonen bij de vrijgezelle boer Teunis Janssen. Hij woont op een boerderij in de Doesburgerbuurt in Ede. Maritje is opgegroeid op een boerderij, dus het boerenleven was haar niet onbekend. Maria is dan al in de veertig jaar oud en de niet onbemiddelde Teunis belooft op een gegeven moment met haar te trouwen. De trouwbelofte is dan wel gedaan, het trouwen komt er echter niet van. Ondertussen gaat Teunis wel relaties aan met andere vrouwen, wat Maritje compleet in het verkeerde keelgat schiet. Met een recept wat zij nog heeft overgehouden uit haar tijd bij de paardendokter gaat Maritje naar apotheker Deys in Wageningen en koopt daar voor een dubbeltje rattengif. De apotheker kent Maritje nog als klant uit de tijd dat zij ook voor de paardendokter regelmatig medicijnen kwam halen.

Oude foto van de Doesburger molen

In de lente van 1723 wordt boer Teunis Janssen plotseling ziek. Zijn ziektebed is kort, maar zeer pijnlijk. Op zijn sterfbed schenkt Teunis zijn kapitaal, 91 dukaten groot, aan Maritje uit berouw dat hij zijn trouwbeloften aan haar niet is nagekomen. Op dat moment legt niemand de link tussen de aankoop van het rattengif en het plotselinge overlijden van Teunis.

Maritje is opeens een redelijk welgestelde vrouw en noemt zich mogelijk dan vervolgens Maria. In de jaren die volgen kan ze zelfstandig wonen en voorziet ze in haar onderhoud als geldschietster. Na enkele jaren komt Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck in beeld. Gerrit is eerder getrouwd geweest met Marrijtje Joosten en heeft uit dit eerste huwelijk een zoontje Jan Gerrits van Geijtenbeeck. Zoontje Jan is in 1725 geboren en vermoedelijk is moeder Marrijtje Joosten hierbij in het kraambed overleden, want Gerrit is weduwnaar.

Huwelijksvermelding van Gerrit van Geijtenbeeck met Marijtje Joosten

Gerrit is wever van beroep en moet zo’n twintig jaar jonger zijn geweest dan Maria. Het stel trouwt al op 26 juli 1726 in Bennekom en al van begin af botert het niet tussen de bijna 50 jaar oude Maria en haar schoonouders. Maria beschuldigt zelfs haar schoonouders, zij verdenkt hen ervan dat zij “haer alles sochten te benemen, en haer te verstoten so als sij ook van haer alles hebben onder sigh geslagen en haer afgenomen hebbende”. Kennelijk is Maria bang dat haar schoonouders op haar geld uit zijn. Ook het huwelijk zelf is geen rozegeur en maneschijn. Stiefzoontje Jan wil niet naar zijn nieuwe moeder luisteren en als zij de peuter wilt straffen krijgt ze steeds vaker ruzie met Gerrit.

Van Geijtenbeeck moet dus qua afstamming uit Scherpenzeel komen. De namen van de ouders van Gerrit van Geijtenbeeck zijn echter niet bekend geworden. De vader van Gerrit heeft vermoedelijk Matthijs van Geijtenbeeck geheten, de voornaam Matthijs komt namelijk regelmatig voor in de stamboom. Vermoedelijk wonen de ouders ook in Ede, wellicht zelfs nabij de Doesburger molen, want uit het verhaal blijkt wel dat ze in de buurt van Gerrit en Maritje moeten wonen. Gerrit komt dus niet voor in de bekende stambomen van Van

Gei(j)bee(c)k en zelfs stamboomonderzoeker Chris Gijtenbeek kon mij hier niet verder mee helpen.                                                                   

Afbeelding: het erf Geijtenbeek op de ‘Caerte van de Ambachtsheerlickheijd van Woudenberg’. Bovenaan is de standerdmolen te zien, de (verticale) weg daaronder is de

Knaapstraat (Nieuwstraat), met daaronder de voormalige boerderij Geitenbeek.

de Doesburger molen in 2022

In het daarop volgende jaar, 1727, overlijden de ouders van Gerrit plotseling vrij kort na elkaar. Als eerste overlijdt de moeder van Gerrit en na dit overlijden voorspelt Maria ook maar alvast de dood van haar schoonvader. Beide ouders overlijden na een kort ziektebed waarbij hevig braken en ontzettende pijnen de ziekteverschijnselen zijn.

Als ook de kleine Jan op nog geen 3‐jarige leeftijd in maart 1728 overlijdt, ook na een kort ziektebed met hevig braken en heftige pijn als ziekteverschijnselen, beginnen er geruchten de ronde te doen over Maria Janssen.

Weer een jaar later, op 23 februari 1729, wordt ook Gerrit van Geijtenbeeck plotseling ziek. Daags ervoor is Gerrit nog vrolijk en gezond. Maria roept er snel een buurvrouw bij, maar deze vertrouwt het niet en waarschuwt Maria met de woorden “Marij gij moogt om geen geld willen, dat Gerrit nu sterfft, want gij weet wat u achterna gaat”.

Volgens de overlevering en de later gedane getuigeverklaringen toont Maria zich volstrekt onaangedaan door het lijden van haar doodzieke man. Gerrit lijdt hevige dorst en pas na aandringen van de  buren laat Maria bier voor haar man halen. Veel te drinken krijgt de doodzieke en dorstige Gerrit echter niet. Dit ontlokt hem zelfs de uitspraak ”is het drincken dan soo duyr? waarom haalt gij geen drincken?”.

Gerrit overlijdt nog dezelfde dag en de wantrouwige buren waarschuwen nog diezelfde dag de schout van Ede. Het wantrouwen van de buren wordt alleen maar aangewakkerd als Maria zelf opmerkt dat Gerrit op dezelfde manier is overleden als zijn zoontje Jan.

De schout gaat voortvarend te werk en verzamelt al de volgende dag diverse getuigeverklaringen over het overlijden van Gerrit en zijn zoontje Jan en vooral over de manier waarop Maria zich heeft gedragen tijdens deze overlijdens. Volgens één getuigenverklaring voorspelde Maria al voor de jaarwisseling van 1729 dat er weer spoedig iemand in haar huis zou sterven. Al op de 24e februari 1729 vraagt de schout bij het Hof van Gelderland aan om sectie te laten verrichten op het lijk van Gerrit van Geijtenbeeck.

Maria wordt aan diverse en langdurige verhoren onderworpen. Niet alleen de schout, maar ook andere lokale gezagsdragers, waaronder de dominee van Bennekom, verhoren de kersverse weduwe, waarbij Maria stevig onder druk wordt gezet om de misdaden waarvan zij verdacht wordt te bekennen. Ook wordt er huiszoeking in de woning van Maria gedaan, waarbij diverse medicinale poeders worden aangetroffen. Er wordt zelfs zoveel aangetroffen dat bij berekening er nog wel 7 mensen mee omgebracht hadden kunnen worden. Maria wordt in de verslagen omschreven als “sij is weder so hart als een steen”.

Twee dagen later bekent Maria alle vijf de gifmoorden en wordt zij opgesloten in de gevangenis aan de Sint Janspoort in Arnhem. Over de aangetroffen poeders verklaart zijn dat het geneesmiddelen zijn voor kwalen bij mensen en paarden en dat

zij die bij verschillende apothekers in Rhenen en Wageningen had gekocht. Kennelijk spreekt Maria zichzelf tegen tijdens de verhoren, want tijdens een bekentenis op 28 februari 1729 verklaart ze eerst niet te weten welk poeder ze heeft gebruikt. Het zou aluinaarde zijn, wat ze eerst op een hond heeft uitgeprobeerd. Pas op 15 maart geeft Maria toe rattenkruid te hebben gebruikt, gekocht bij de apotheker Deys in Wageningen. Dat rattengif heeft ze jarenlang verstopt gehad in een kist met privé‐eigendommen. Maria vermengde het gif met pap en dit werd aan de slachtoffers voorgezet.

Waarom moesten de slachtoffers sterven? Van boer Teunis Janssen is dit wel duidelijk: hij kwam immers zijn trouwgeloften niet na (en liet Maria nog een aardige duit na ook). Gerrit moest sterven omdat hij “niet wel aan den arbeijd wilde”, maar tot ’s avonds laat de buren bezocht en haar alleen thuis achterliet. “Dat haer man van de buijren tegen haer wert opgereijt, en dat de buijren haer bij haer man veracht maeckten, met te seggen wat hij bij dat toddige dingh deede.“ De maandag voor zijn overlijden had

ze nog tegen hem getierd toen hij de Sint Janspoort in Arnhem (afbeelding uit 1742)

bij de buren zat, “seggende, dat gij mijn jongen waart, soo wel als mijn man ick soude u met het haijr uijt het huijs sleepen….hij heeft mij soo meenigmaal vertoornt, dat hij dickwils uijtliep, off ick hem schoonpraatte off keeff, daar help niet aan, dat lopen was geen end.” De achterdochtige en weinig vergevingsgezinde gifmengster had “wel wroeginge over haer doen in haar gemoet gehad, maer als men haer weer qualik tracteerde weder tot quaed is [ver]vallen”.

Maria ziet haar einde naderen en vermaakt op 14 maart 1729 haar bezittingen aan haar zusters en de armen van Bennekom. Wat zij op dat moment echter niet weet is dat de schout van Ede al op 9 maart haar bezittingen al op een veiling heeft              verkocht    om         de gerechtskosten te dekken.

Op 15 maart is de terechtzitting. De rechters rekenen het Maria zwaar aan dat zij met voorbedachten rade haar huisgenoten, met wie zij in nauwe betrekkingen leefde, in haar ongehoorde boosheid op Markt te Arnhem (afbeelding uit 1742).

“clandestiene en detestabele” wijze heeft omgebracht. Er is maar één uitspraak mogelijk en Maria wordt dan ook op 15 maart 1729 ter dood veroordeeld.

Op 19 maart 1729 wordt Maria, dan 52 jaar oud, terechtgesteld op de Oude Markt in Arnhem. Zo’n terechtstelling is in die tijd nog een gruwelijk gebruik. In een krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 wordt de uitvoering van het vonnis nog een keer uitgebreid beschreven. Maria wordt “vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder‐op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen”. De rechters hadden er bij de scherprechter nadrukkelijk op aangedrongen om bij het radbraken vooral langzaam te werk te gaan, want de straf moest zo afschrikwekkend mogelijk zijn. Haar lichaam wordt hierna op een horde naar de Galgenberg gesleept. Daar wordt zij met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende Ontwerptekening uit 1734 voor een exempel‘. De Galgenberg is gelegen langs de huidige nAirenuhweme g. aDligt  toepr  dvee rGvaanlggeinngb evragn t eh et Hommelseweg in Arnhem (de vroegere Deventerweg) en is oude houten exemplaar waar Maria hiervoor een uitermate geschikte locatie. In die tijd komt Janssen in 1729 gruwelijk aan haar immers al het (handels)verkeer over deze weg van Arnhem einde kwam. naar het noorden, naar Apeldoorn.

Met dank aan Tanja Enklaar (“Uit de Oude Koektrommel”) en vereniging Oud Bennekom.

Bronnen:

‐ Uit de Oude Koektrommel

‐ Biografisch Woordenboek Gelderland

‐ De Kostersteen nr. 121 (ver. Oud Bennekom).

HET LOT VAN DE FAMILIE MOZES

Piet Valkenburg

Veel inwoners van Scherpenzeel weten niet dat in ons dorp ook ooit een (kleine) joodse gemeenschap heeft bestaan. Er hebben hier verschillende joodse families gewoond. In dit artikel komt één familie in beeld en dat is de familie Mozes. Deze familie heeft een aanzienlijke tijd in Scherpenzeel gewoond. Wat interessant is dat begin 20ste eeuw, in een paar jaar tijd, de familie het dorp heeft verlaten. Wat gebeurde er met deze familie? Is er een reden waarom ze, bijna tegelijk, het dorp verlieten? En wat ook interessant is: Hoe zijn ze de oorlogsjaren doorgekomen?

Ook neem ik u als lezer mee in wat voorkennis. Hoe stond men tegenover joden op de Veluwe? Wat was hun plaats in de dorpsgemeenschap? En hoe bepalend zijn ze geweest voor de geschiedenis van ons dorp?

Allereerst dus een stukje voorkennis. De meeste joden vestigden zich in de Republiek (zoals Nederland toen heette) in Amsterdam. Dat had een aantal redenen: Amsterdam was op dat moment hét economische centrum van ons land, de stad

Een joodse slager voor zijn slagerij (circa 1932) in        had geen quotum over hoeveel joden er Herwijnen. Collectie Joods Historisch museum.

mochten wonen en men was redelijk

tolerant als het ging om het belijden van het joodse geloof. Vele van deze joden die zich in onze hoofdstad vestigden waren gevlucht vanuit andere Europese landen vanwege vervolging en zelfs gedwongen bekeringen. Amsterdam werd dé joodse hoofdstad van de Republiek en werd door de joden zelf Mokum genoemd. In de joodse gemeenschap waren er twee groepen: De Sefardische joden (voornamelijk afkomstig uit Spanje en Portugal) en de Askjenazische joden (voornamelijk afkomstig uit Oost‐Europa). Verreweg de meeste joodse families stammen van deze laatste groep af, zij spraken in het verleden ook Jiddisch waarvan veel woorden uiteindelijk in het Nederlands beland zijn. Ook de familie Mozes stamde af van de Asjkenazische joden. De Asjkediem waren meestal armer dan de joden uit Zuid‐Europa. Zij vestigden zich dan ook meer in de mediene, zo noemen de joden het gebied buiten Amsterdam, omdat zij met hun kleine handel minder op de hoofdstad waren aangewezen.

Er was geen algemeen geldende regel over het wel of niet aan joden toestaan om zich ergens te vestigen. Elke gemeente mocht dit zelf bepalen. Het kwam erop neer dat men soms welkom was en soms niet, dit gold voornamelijk voor de armere joden. In de 18de eeuw werden joden vooral uitgebannen vanwege hun, veelal, armoedige omstandigheden. Zo was het bijvoorbeeld in Utrecht verboden voor joden om zich te vestigen, behalve in Maarssen. Het kon ook zijn dat je als joodse familie wel ergens mocht blijven maar dan eerst een flinke geldsom moest betalen. En voor velen was dit niet haalbaar. In Scherpenzeel zijn er in de 18de eeuw al enkele joodse families die hier permanent verblijven. Blijkbaar waren ze hier welkom.

De familie Mozes vestigt zich in de 19de eeuw in Scherpenzeel, rond 1837. We komen dan Mozes Mozes, geboren in 1763, tegen (soms ook wel genoemd Nathan Mozes) die voor 1807 trouwt met Sippora (Deborah) Levie Cohen die in 1773 in Woudenberg geboren is. Mozes (Nathan) Mozes is geboren in het Duitse plaatje Neuwud. Van de tweede zoon van Mozes en Sippora, Joël, weten we dat hij in Waalwijk (NB) is geboren en van de andere kinderen is dat ook waarschijnlijk de geboorteplaats. De familie Mozes vestigt zich hier in Scherpenzeel maar behoort tot de kehilla (joodse gemeente) van Nijkerk. Nijkerk heeft in die tijd de grootste joodse gemeente van de omgeving.  Mozes gaat het beroep van ‘vleesschouwer’ (slager) uitoefenen. Veel joden waren werkzaam in de vleesindustrie. Dit komt doordat het joden niet vrij stond om zomaar elk beroep uit te oefenen. Zo mochten ze geen beroepen vervullen die door een gilde werd geleid. Een gilde was een beroepsvereniging waar je lid van moest worden voordat je een bepaald ambacht mocht uitoefenen. Het slagersvak was een gildevrij beroep dus voor joden toegankelijk, echter in de meeste kleine dorpen, zoals Scherpenzeel, waren geen gilden en hadden de joden meer vrijheid in het kiezen van hun beroep. Het is wel logisch dat de familie Mozes het slagersvak vervult omdat beroepen vaak van vader op zoon doorgegeven worden. Dit gebeurde ook bij de familie Mozes want de zonen Nathan en Jacob nemen later de slagerij over.

De joodse bankier

Nathan Mozes, de oudste zoon van het gezin, heeft een belangrijke rol in Scherpenzeel. Naast zijn slagersbedrijf is hij de bankier van het dorp. Joden en het uitlenen van geld gaan dan al eeuwen hand in hand. Sinds de middeleeuwen was het christenen (katholieken) verboden om geld uit te lenen tegen rente. Omdat joden niet onder het gezag van de paus vielen mochten zij dit wel doen en voor hen lagen de beroepen niet voor het oprapen dus was dit een logische keuze. Volgens de joodse wet, de halacha, mag men geen rente vragen aan mede‐joden maar dus wel aan

Dorpsstraat 165, de plek waar de slagerij van

de familie Mozes zich bevond. Dit pand is christenen of islamieten. En Nathan is vermogend! Als hij daarna gebouwd (begin vorige eeuw) op hoogbejaarde leeftijd sterft heeft hij nog bij 24 mensen leningen uitstaan. De slagerij van Nathan Mozes bevond zich ter hoogte van de Dorpsstraat 165, toen door de dorpelingen al het Oosteinde genoemd. Hij koopt deze slagerij in 1856 voor een fors bedrag van fl. 1200,‐ van weduwe Jannitje van de Wetering.

Het gaat Nathan voor de wind want in 1863 leent hij voor de eerste keer geld uit aan de geneesheer Gerrit Spruijt, het gaat om een bedrag van 400 gulden. Nathan komt wel twee keer in de problemen met zijn slagerij, zo verzuimt hij tot tweemaal toe aan te geven dat er een kalf en later ook een lam geslacht is. In die tijd moest er over geslacht vee accijnzen worden betaald.

De eerste keer wordt het vlees in beslag genomen en krijgt Nathan een boete, de tweede keer mag hij het vlees houden omdat hij zijn klant niet wil teleurstellen en komt hij er vanaf met een boete.  Er is een geschreven bron uit 1858 van de burgemeester van Scherpenzeel bewaard gebleven en die noemt Nathan : “Iemand die gunstig bekend staat en op eenen eerlijke wijze zijn brood zoekt te verdienen”  Nathan blijft ongehuwd en krijgt geen kinderen. Voor zijn erfgenamen is het belangrijk dat ze de banden warm houden met deze suikeroom. Bij zijn dood laat hij een erfenis na van ruim 12.000 gulden een bedrag dat vandaag de dag te vergelijken is met ruim €135.000.

Slijterij/tapperij

Overlijdensadvertentie van Nathan

Mozes. Geplaatst door zijn neef Mozes

Mozes en diens vrouw. Bron: Kleine

Courant 13‐10‐1887

Joël Mozes is de enige zoon die niet het slagersvak in gaat. Hij gaat eerst aan het werk als wolkammer en later wordt hij huisschilder. In 1851 trouwt hij met Rosia (Roosje) Weijl uit Zutphen. Zij krijgen 4 kinderen waar alleen het derde kind, zoon Mozes, levend ter wereld komt. De andere kinderen, allen meisjes, worden levenloos geboren. Op latere leeftijd wordt Joël herbergier in Scherpenzeel. Hij koopt zijn huurhuis naast het Ben Goerioenplein waar nu Flowers Only gevestigd is. Hij begint daar een slijterij in sterke dranken en tapt daarnaast ook sterke drank. Als hij komt te overlijden neemt zijn vrouw de zaak over en later zijn zoon Mozes.

Het enige kind van Joël en Roosje, Mozes, trouwt in 1884 met de uit Zutphen afkomstige, Bertha Koppel. Het echtpaar krijgt 4 kinderen waaronder een tweeling, Julius en Nico die niet ouder dan vijf dagen wordt. De oudste 3 kinderen worden in Scherpenzeel geboren, de laatste in Apeldoorn, hier verhuist het gezin heen vóór 1892. Mozes nam, zoals eerder gezegd, dus de slijterij/tapperij van zijn ouders over. Volgens de overlevering heeft de aanzienlijke erfenis die hij heeft ontvangen van zijn oom Nathan hem en zijn vrouw doen besluiten om naar Apeldoorn te verhuizen. Hij verkoopt de zaak maar houdt het huis dat hij samen met zijn oom heeft gekocht aan, dat verkoopt hij pas in 1917.

De slijterij/tapperij heeft dus aan het Ben Goerionplein gestaan, toen de Momboirsteeg genoemd. Doordat er ruim 20 jaar joden op de hoek van de steeg wonen wordt op een gegeven moment de naam ‘Jodensteeg’ gebruikt in de volksmond. Zo blijft de steeg heten tot 1973, dan wordt de steeg hernoemd naar Ben Goerionplein.

Holocaust

Het gezin gaat dus na het overlijden van hun rijke oom naar Apeldoorn. Daar overlijdt Berta in 1911 en Mozes in 1930. Beide liggen apart begraven op de joodse begraafplaats aldaar. Ze werden niet bij elkaar begraven aangezien de ‘grafrust’ binnen het jodendom erg belangrijk is. Men maakt dus geen graf open om een partner bij te zetten. Van de drie kinderen die nog in leven zijn in 1930 overleven Geertruida en Julius de oorlog niet. Geertruida gaat op 15 februari

1944 op transport en overlijdt op 31 mei 1945 in concentratiekamp Bergen‐Belsen, haar man is voor de oorlog al overleden zij hadden geen kinderen. Julius zit eerst gevangen in Kamp Vught en gaat op 8 mei 1943 naar Westerbork. Vanuit dit doorvoerkamp gaat hij op 11 mei 1943 op transport en komt in concentratiekamp Sobibor terecht en wordt meteen naar de gaskamers gestuurd. Hij overlijdt op 14 mei

Grafzerk van Mozes Mozes op 1943, tegelijkertijd met zijn tweede vrouw Rachel Coronel, in het de joodse begraafplaats te kamp. In tegenstelling tot Auschwitz, waar mensen soms te werk Apeldoorn. www.onlinebegraafplaatsen.nl worden gesteld, is Sobibor alleen om te vernietigen.

De eerste vrouw van Julius, waarvan hij gescheiden is, Else Rose overlijdt op 16 april 1943 in Sobibor, zij was ook de moeder van Julius zijn kinderen. Julius had twee kinderen uit zijn eerste huwelijk: Een zoon Alex, die de oorlog overleeft, en een dochter Berta die de oorlog niet overleeft, zij sterft in 1942 in Auschwitz.

Jacques Henri, de jongste van het gezin van Mozes en Bertha weet de oorlog te overleven. Hij gaat op 4 mei 1940 aan bord van een schip in Rotterdam, 6 dagen voor de Duitse inval, dat hem naar Lissabon brengt. Van daaruit gaat hij met het schip de S.S. Washington op 10 juni 1940 naar New York. Hij geeft zijn zus Geertruida op als contactpersoon in Nederland. Niet wetende dat hij haar nooit meer zal zien. Daarna ontbreekt ieder spoor van Jacques Henri, het is aannemelijk dat hij zich ergens in de VS heeft gevestigd of daarna verder getrokken is. Hij is in ieder geval niet teruggekomen naar Nederland.

Van alle afstammelingen van Mozes en Sippora, de eerste van de familie die zich in Scherpenzeel vestigden, woont er niemand meer in Scherpenzeel als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Van de directe nazaten die dan nog leven weten er 2 de oorlog te overleven. De rest sterven in de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz.

Door de oorlog is er (bijna) niemand meer over van de familie Mozes. Toch waren ze al eerder vertrokken uit

Scherpenzeel. Dit heeft waarschijnlijk met toevalligheden te maken. Twee mannen die kinderloos sterven en een erfenis die kansen biedt. Jacob (Joseph) Mozes is de laatste van de familie die in Scherpenzeel overblijft, hij sterft in 1897, met hem verdwijnt ook de laatste jood in Scherpenzeel. Zijn familie heeft hier dan 60 jaar gewoond.De ‘cartotheek’ kaart van Julius Mozes uit Kamp Vught: Zijn geboortedatum, de naam van zijn vrouw, zijn adres en de datum van het transport naar Westerbork (8 mei 1943) staan erop. (linksboven staat zijn geboorteplaats: Scherpenzeel)

Bron: Van Scarpenzele tot Scherpenzeel, Comité voor Scherpenzeelse Cahiers, 1996 Joods cultureel kwartier

OUD EN NIEUW

Boerderij het Dorp

Henk van der Hoeff

Hierbij twee foto’s van de achterzijde van boerderij Het Dorp gezien vanaf de kruising Vlieterweg‐Koepellaan.

Duidelijk is te zien dat het agrarisch bedrijf na 150 jaar heeft plaats gemaakt voor een andere bestemming. De stichting Parousie runt na een metamorfose binnen de kaders van monumentenregels er nu een zorgboerderij.

PIONIEREN IN SCHERPENZEEL

Hans Thielemans

In een ontmoeting met Wim v.d. Berg, die kwam informeren over het ontstaan van de volksdansgroep ‘Bemachol’ en de eerste discoavonden in Scherpenzeel, vroeg hij mij het een en ander op papier te zetten over dit stukje verleden. Enthousiast vertelde ik hem daarover, maar tegelijkertijd vroeg hij me hoe en waarom ik in Scherpenzeel ben komen wonen.

Pionieren

Het begon in Zeist bij stam café ’t Oude Raadhuis. Op het terrasje nam ik met mijn dienstplichtige vrienden een pilsje. Ik was gelegerd in het Walaardt Sacré (W.S) kamp in Huis ter Heide. Bij de bushalte tegenover het café stond een dametje in een rode jas met een grote koffer te wachten op de bus. Ze viel wel op. Ik dacht: ‘Weet je wat, laat ik eens galant zijn en vragen of ik haar met mijn Vespa scooter naar de plaats van bestemming mag brengen. Nou, dat ging natuurlijk niet door. Er was wel een klik en ik wilde meer weten.’ Met mijn scooter reed ik achter de bus aan. Bij de Pr. Alexanderweg in Huis ter Heide stapte ze uit en daar stond ik plotseling weer voor haar. Dat vond ze wel leuk. Ze zei: ’Weet je wat, draag de koffer maar, want ik woon hier en drink wat met mij samen. Trouwens mijn naam is Hetty. Dat was een gezellige ontmoeting`… Maar na deze eerste ontmoeting smaakte het naar meer, dus werd er een afspraakje gemaakt. Kortom, we werden verliefd. Ze vertelde over haar werk op de Stichting waar ook Prinses Christina (Marijke) onderwijs            kreeg.    Een        stichting              voor slechtziende    kinderen              die         speciaal

De Kaap, jaren zestig onderwijs nodig hadden. Ook werden er volksdanslessen gegeven. Daar was Hetty Buil erg enthousiast over. Nadat de vriendschap hechter werd, werden er verlovings‐ en trouwplannen gemaakt en op 6 ‐9‐’63 zijn we getrouwd. Maar ja, dan moet je wel een huis hebben. Ik werkte toen in de buitendienst bij de zilver/bestek fabriek GERO in Zeist en  kwam in aanmerking voor een appartement in de zogenaamde ‘Geroflat’, 5 of 8 hoog. Maar daar had ik helemaal geen zin in. Nee, zelf een huis bouwen, dat was mijn ideaal. Maar waar? Een bevriende relatie van mijn vader zei: ‘Als hij dat wil en een stukje grond wil om te bouwen dan moet hij op de fiets de boer op en overal vragen of er misschien een stukje grond is waarop gebouwd mag worden.’ Een goede idee, dacht ik. Ik fietste door Zeist, waar ik woonde, Bunnik, Odijk, Driebergen, Wijk bij Duurstede, Leusden, Hamersveld, en Amerongen, nergens was het bingo. Maar in Leersum zei iemand dat er in Scherpenzeel wel een stukje grond was. Ik kreeg het adres van de heer Jan Renes, die aan het Holevoetplein woonde. Achter zijn huis op de Holevoet had hij een weilandje met een boomgaard die grensde aan de Glashorst. Dat was een mooi stekkie, maar ik had pech. ‘Dat stukje grond is bestemd voor mijn dochter’, zei hij, maar de gebroeders Schuur die naast het gemeentehuis wonen die hebben wel een stukje grond. En ja hoor, ik had beet.

Argwanend keek de heer Bart Schuur mij aan, ‘Als je dat betalen kan, dan kunnen we verder praten.’ Op de Brinkkanterweg tegenover ‘DE KAAP’ (dat waren 8  verouderde/vervallen huizen die op de nominatie stonden om gesloopt te worden) lag een stuk(je) weiland  waarop gebouwd mocht worden. Op dat stukje grond was het uitzicht over de Polsche Steeg en in de verte de opgehoogde liniedijk en aan de achterkant weiland. Maar helaas het spaargeld was niet genoeg om dat te kopen (voor 8 euro per vierkante meter). Maar links en rechts met wat hulp van o.a. beide ouders konden wij de handtekening zetten en waren wij ‘groot grondbezitter’, althans zo voelde dat, van ruim 800m2. Het huisnummer 37 was vanuit Woudenberg. Het was pas drie jaar Scherpenzeel (vanaf 1960). Toen liep de

Brinkkanterweg    nog        door      tot          de

Stationsweg langs de Landbouwschool en de ULO. Nu is daar het Westeinde. Op de Brinkkanterweg was geen waterleiding en riolering (buitengebied). Die  moest nog Type woning Minmosa van het B.N.G. aangelegd worden en met de bouw moest er een septic tank en stapelput gebouwd worden voor de afwatering, maar ondanks alle ongemakken hadden we er toch zin in, om daar een leuk ‘stulpje’ neer te zetten.

Een           kennis   van        ons         werkte bij           het

Bouwfonds Nederlandse Gemeenten in Hoevelaken. Hij vertelde dat er plannen waren    om         een        bungalowpark    in Scherpenzeel te           realiseren

(Doornboomspark). Diverse type huizen met een plat dak. Dat leek hem ook wel wat voor ons. Aan de Brinkkanterweg Woning van familie Thielemans

mocht ook zo’n bungalow gebouwd worden en wij kozen voor het type ‘Mimosa’.  Het zou dan ook een voorbeeld zijn voor het Doornboomspark, zodat de toekomstige bewoners van die woningen konden zien hoe zo’n huis eruit zag. Maar met de bouw van ons huis vlotte het niet zo, er was wat tegenwerking van beide buren die dachten dat daar niet gebouwd mocht worden en aannemers waren niet te krijgen, die hadden het allemaal druk, zodat we vertraging hadden. Bouwbedrijf Rein van Elst had uiteindelijk het Doornboomspark eerder gerealiseerd dan

ons huis. Doornboomspark

Onze aannemer liet ons in de steek, omdat hij  leukere opdrachten kon krijgen. Hij was al wel begonnen met de fundering, maar het duurde allemaal veel te lang. Uiteindelijk heeft aannemer Rein van Elst toen ons ‘huisje’ afgebouwd  en in 1964 gingen we in ´de Oelevloch´ wonen (die naam hadden wij ons huis gegeven). Het betekent ´uilenvlucht´. Die naam komt uit het sprookjesboek ‘Duco’s gevleugelde dromen’, geschreven door H.J. van Nijnatten‐Doffegnies met illustraties van Anton Pieck uit 1957. Vandaar dat we in en om ons huis veel ‘kunstzinnige’ uilen hebben, zelfs de windwijzer op de schoorsteen zijn uilen die met alle winden mee waaien…

Inmiddels is onze woning drie keer verbouwd. Het platte dak werd vervangen door een schuine kap, waardoor een extra verdieping ontstond. In de aanbouw aan de achterkant realiseerden we de keuken, die van de voorkant naar de achterkant ging en een kamer waar ballet gegeven kon worden. Hetty´s passie was dansen. Een kleine groep dames heeft daar nog steeds fijne herinneringen aan, maar de ruimte was al snel te klein. Bij de 2e verbouwing hebben we het dak doorgetrokken over de aanbouw achter en zo kregen we ook

Woning na verschillende verbouwingen nog een zolder erbij. Aan de voorzijde hebben we een ruime erker aangebouwd, zodat het geheel meer een volwassen huis is geworden. 

Volksdansen

Toen we daar net woonden, wilde ‘tante’ Hetty, zoals de jeugd haar noemde, al een volksdansgroep(je) oprichten. Al snel waren er een aantal dansliefhebbers. Maar nu moest er nog een locatie worden gevonden. Bij de buren, rietdekker Van Schaik, stonden drie lege schuren waarin chinchilla´s (pelsdieren) gezeten hadden. Uiteindelijk mochten we één schuur huren, maar dan alleen voor volksdansen, zei hij. Met de leden van de volksdansgroep werd o.l.v. ´ome Hans´ (die later voor zijn grote inzet als vrijwilliger, o.a. ook als voorzitter van zwembad ’t Willaer, koninklijk werd onderscheiden als Lid in de Orde van Oranje Nassau) hout gekocht waar banken van werden getimmerd. Alles werd paars en oranje geschilderd, kleuren die toen in de mode waren. En voilà, het jeugd(dans)honk was klaar voor de eerste    volksdanslessen.              Een        boomstam          met        een omgekeerde emmer met daarin een lamp deed dienst als buitenverlichting. Over de afwateringssloot werd een plank gelegd, zodat je met droge voeten de eerste volksdanspasjes kon leren. We noemden de oefenruimte ‘De Rietpolka’. Het was tenslotte eigendom van RIETdekker van Schaik en POLKA spreekt voor zich. Hetty gaf daar aan verschillende leeftijdsgroepen        danslessen:         een        kleutergroep, kindergroepen, twee tienergroepen tot 16 jaar, gevorderden van 16 jaar en ouder, twee damesgroepen en een demonstratiegroep. Deze groep heette ‘Bemachol’. Dat is een Israëlische naam die ‘kom dans met ons’ betekent.

Er werden dansen uit allerlei landen ingestudeerd: uit Roemenië; toenmalig Joegoslavië; Israël; Amerika en ga zo maar door. En natuurlijk ook uit Nederland. Daarnaast werd ze als gastdocente regelmatig gevraagd in binnen‐ en buitenland. Met ‘Bemachol’ verzorgde ze overal optredens. Ook op de Veluwse Markt in Barneveld. Dat het haar financieel weinig opleverde, vond ze geen probleem. De lessen waren goed betaalbaar: zo betaalden kinderen voor 12 lessen 15 gulden en voor volwassen was dat 20 gulden voor net zoveel lessen. Regelmatig nodigde Hetty gasten uit die internationaal hoog in aanzien stonden op het gebied van volksdansen. In 1971 haalde ze de bekende danschoreograaf, muzikant en dirigent Atanasovski uit Macedonië naar Scherpenzeel, die een demonstratie verzorgde in Marktzicht. De Rietpolka was daarvoor te klein. Om het volksdansen nog meer onder de aandacht te brengen, organiseerden we in september 1972 een groots opgezette dansavond in de Eierhal. Er was veel animo voor de volksdanslessen en de ruimte was al snel te klein. We moesten op zoek naar een andere locatie. Die werd gevonden.        Een    schuur   bij           de landbouwschool, die werd gebruikt als opslag,               kwam    leeg    te           staan.    Een geweldige ruimte die we ´Le Carré ‘46’ noemden, omdat het een groot vierkant gebouw was op nummer 46 aan de Holevoetlaan. Wekelijks waren er toen twee volksdansavonden. Met schotten creëerden   we          nissen    waarin   oude bankstellen stonden die we langs de weg

Volksdansen met Hetty Thielemans (midden) ophaalden voordat de vuilniswagen langs

kwam. Toen de nieuwe ruimte klaar was, konden de volksdanslessen weer gegeven worden. Iedere laatste zaterdagavond van de maand was daar een Instuif waar gedanst kon worden. In de pauze was er vaak een gastoptreden. De entree bedroeg 1 gulden. Tijdens een gekostumeerde dansavond in 1973 werden de best geklede dansers gehuldigd. Dat waren Alien Nauta, Ina v.d. Hoef en Alieke Huizing.

Daar werden ook de eerste discoavonden van Scherpenzeel georganiseerd, op zaterdagavond van 8 tot 11 uur (keurige tijden).Voor twee kratjes bier en wat frisdrank kregen we toestemming van de gemeente. Bij controle van de politie was dat allemaal keurig voor elkaar, maar we hadden in een ´geheime´ werkkast nog wel een paar extra kratjes. In ´Le Carré´ lieten we volksdansgroepen uit o.a. Amsterdam en zelfs Engeland optreden. Dat was een groot succes. In de buurt vond men de muziek soms wat te hard en minder leuk, maar dat hoorde er natuurlijk bij. Met toestemming van de gemeente mocht de meisjesgroep van de scouting, die ook ruimte zocht, ook gebruik maken van ´Le Carré’, zodat de meisjesscouting in Scherpenzeel daar is begonnen. Hetty wilde meer en op diverse scholen en in verschillende ruimtes werden toen volksdanslessen gegeven o.a. op de Holevoetschool en in Woudenberg, Leersum, Soest en Utrecht. Inmiddels was Hetty een ‘andere weg’ ingeslagen en was ze alleen maar bezig met volksdansen en lesgeven. Maar niet getreurd, ik werd weer verliefd en ontmoette ISABEL in 1978, een Spaanse schone! Inmiddels zijn we al 32 jaar getrouwd. Ook werden we verblijd met een lieve dochter, IRIS genaamd, en we wonen nog steeds met plezier in ‘DE OELEVLOCH’ in ons heerlijke dorp SCHERPENZEEL. Hetty is in 2018 op 82‐jarige leeftijd overleden.

Toen ik in 1963/’64 in Scherpenzeel kwam wonen, waren er ongeveer 3500 inwoners, maar dat aantal groeide snel, er werden verschillende nieuwbouwwijken gerealiseerd. Ook op de plek waar ‘Le Carré’ stond, zouden woningen gebouwd worden, zodat we daar ook weer weg moesten van de gemeente. Gesprekken met B&W leidden ertoe dat we terecht konden in het nieuwgebouwde

Hans Thielemans en Max Jonker       Aktiviteitencentrum “De Heijhorst” dat in 1976 werd geopend. Daarin kregen (of huurden) we een ongezellige jeugdruimte. Dankzij enkele muurschilderingen van één van onze leden (Jules Voogt) zag de ruimte er wat vrolijker uit. Wat sfeerverlichting en enkele spots brachten enige gezelligheid in de kille ruimte. In die zaal werden ook de eerste discoavonden met veel herrie en de nodige biertjes voortgezet. Er ontstond een jeugdgroep met een bestuur,          genaamd             JoJo.      Dat    betekende           ‘Jeugd

Ontspanning voor JOngeren’. Voorzitter was Max Jonker,

Margret Advocaat secretaresse, algemeen bestuursleden waren Hans Thielemans en Peter Micklei (beheerder van ‘De Heijhorst’).

De discoavonden puilden al snel uit in deze kleine ruimte. Daarom mochten we de ontmoetingsruimte van de ‘Heijhorst’ gebruiken voor deze activiteit. Dit tot ongenoegen van de andere gebruikers van de Heijhorst, want na zo´n avond hing er een penetrante lucht van verschaald bier. De groep jongeren wilde meer, het liefst een ‘eigen’ ruimte en dat lukte. In het park bij ‘Huize Scherpenzeel’ stond een oud, houten gebouw en na overleg  was het mogelijk dit te gebruiken als jeugdhonk. Het gebouw werd afgebroken en weer opgebouwd op de Breelaan bij het zwembad. Het kreeg de naam ‘De Joker’. Daarmee kwam een einde aan de activiteiten van JoJo in de jeugdruimte van de Heijhorst. De ruimte werd nog wel enige tijd aangehouden. Onder leiding van Cor Westeneng werden er toen grote discoavonden georganiseerd in de sportzaal van de Heijhorst, diverse popgroepen werden uitgenodigd. Hoogtepunt was het jaarlijkse optreden van Normaal. Op boerenkarren vol met hooi en stro arriveerden de fans vanuit de hele omgeving bij de Heijhorst. Weken later lag er langs de route die de fans hadden gevolgd hooi en stro en oude van het lijf gescheurde shirts. Een heerlijke tijd, geen opstootjes of vechtpartijen, maar alleen plezier zoals het hoort. Ook andere groepen traden regelmatig op in de

Heijhorst. Zelfs Herman Brood heeft twee keer in Scherpenzeel opgetreden. Dat was helemaal een spektakel. Toen het Aktiviteitencentrum (helaas) in vlammen opging na het laatste optreden (van Mooi Wark) in de Heijhorst in 2009 was het tegelijk afgelopen met deze avonden. De Heijhorst in brand

Eerlijk gezegd was alles in de Heijhorst een beetje verouderd en niet meer van deze tijd. Er werd een nieuw activiteitencentrum gebouwd, het Kulturhus De Breehoek. Nou dat was wat. De gebruikersprijzen stegen. Wel een prachtige locatie voor sport, spel, vergaderingen, kinderopvang en de bibliotheek, maar de jeugd voelde zich daar niet zo thuis. Discoavonden werden niet meer georganiseerd, er kwam helaas een andere tijd.

Achtergrond

Wim van den Berg

JoJo

Op 15 mei 1976 presenteerde de stichting voor jeugd‐ en jongerenwerk ‘JoJo’ i.o. zich voor het eerst aan de Scherpenzeelse    bevolking.           Dat         was        tijdens   het bedrijfsvoetbaltoernooi. De stichting had als doel het coördineren en begeleiden van jeugd‐ en jongerenwerk in Scherpenzeel door te overleggen met alle groeperingen die zich bezighouden met activiteiten voor de jeugd. Een voorlopig bestuur bestond toen uit voorzitter Max Jonker, secretaresse Margret Advocaat, penningmeester Rob

Wouters en algemeen bestuurslid Hans Thielemans. De

aanzet voor de oprichting van de stichting werd gegeven door de heren Strooper (van het bestuur van De Heijhorst) en Micklei (bedrijfsleider van het Aktiviteitencentrum). Zij wilden ervoor zorgen dat de jeugdruimte in De Heijhorst zo goed mogelijk werd benut. De Heijhorst werd op 25 september 1976 geopend. Joop Strooper zat namens het Aktiviteitencentrum in het stichtingsbestuur van JoJo. Er werden plannen gemaakt voor discoavonden en soosavonden waar ieder die dat wilde, kon binnenlopen. Kort na de opening was er een discoavond met medewerking van Disco Melody o.l.v. Wim van de Vliert. Die avond werd in de sporthal gehouden. Een andere activiteit in de beginperiode was een bromfietsrally. Voor toegang tot activiteiten van JoJo werden pasjes uitgegeven. Er was een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van activiteiten: disco, dammen, yoga, sleutelen aan je bromfiets, voorlichtingsavonden, film en nog veel meer. Er kwam steeds meer belangstelling voor de activiteiten waarvoor extra vrijwilligers werden gevraagd. In 1977 kreeg de stichting een eigen logo. De aftrap van het nieuwe seizoen dat jaar was een optreden van de popgroep ‘Space’ in de

Optreden Normaal, 1980 sporthal. Het werd met 500 enthousiaste bezoekers een groot succes. Kort daarna kwamen er evenzoveel bezoekers tijdens een avond met AVRO´s Toppop Discoshow. In januari 1978 werd het Jeugdhonk tijdelijk gesloten vanwege een grondige opknapbeurt. Om ongewenst bezoek te weren was de jeugdruimte daarna alleen toegankelijk voor JoJo‐pasjeshouders. Op 2 december 1978 werd de jeugdruimte heropend door burgemeester Heij. Het bestuur werd uitgebreid met Cor Westeneng en Ton Plooij.

Elke week waren er twee avonden waarop de jeugd welkom was: op maandagavond de jeugd tot 16 jaar en op woensdagavond de jongeren van 16 jaar en ouder. JoJo nam steeds meer uitvoerende taken voor haar rekening waarmee de     oorspronkelijke doelstelling    van        het coördineren               en          begeleiden          niet        meer     de belangrijkste taak was van de stichting. Een subsidieaanvraag in 1980 werd na veel vijven en zessen goedgekeurd. De stichting was beter in het Hans Thielemans neemt afscheid, 1980   organiseren van activiteiten dan in boekhouden… In april van dat jaar trad de Achterhoekse popgroep Normaal op in de Heijhorst met de

Scherpenzeelse Contraband in het voorprogramma. Maar ook de internationaal bekende groep MUD liet van zich horen in het Aktiviteitencentrum. Eind 1980 nam Hans Thielemans afscheid van het bestuur van JoJo.

SJAG

In 1979 richtte een aantal jongeren de activiteitengroep SJAG op (Scherpenzeelse Jongeren Aktiviteiten Groep). Ze wilden eens in de veertien dagen met elkaar praten over allerlei maatschappelijke onderwerpen en na het gesprek ontspannen in het jeugdhonk in de Heijhorst. Maar ook werden er theatervoorstellingen en andere vormende activiteiten georganiseerd. De groep ressorteerde onder JoJo. Al snel had SJAG zo’n veertig leden van 15 jaar en ouder. Erny de Wildt en Koos Mol begeleidden de groep. Maar ook Marianne Wesselink, Ruud Nieuwenhuis, Cees van Engelenhoven en Lizette Thomassen waren bij de leiding betrokken. Na 1983 is de groep er mogelijk mee gestopt, want sindsdien is over SJAG geen informatie meer te vinden.

Geef ons de ruimte

Een groep jongeren in ons dorp wilde een eigen jongerencentrum. Er ontstond een Initiatiefgroep Jongeren ‘Geef ons de ruimte’. Al in 1980 vroegen zij het gemeentebestuur om hun wens te realiseren. Het duurde de jongeren te lang. Bij wijze van protest en om hun verlangen kracht bij te zetten, boden ze in 1981 het gemeentebestuur een kunstwerk aan. Mogelijk heeft het geholpen, want in december 1982 ging de gemeenteraad akkoord met een investeringssubsidie van 25.000 gulden waarvoor het tien jaar oude houten gebouw van de afdeling Financiën met een afmeting van 15 x 11 meter verplaatst zou worden naar de Breelaan om dienst te gaan doen als jongerencentrum.

Een mooi resultaat voor de Initiatiefgroep die onder Harold Teske en Maas Gerritsen (R) auspiciën van JoJo zich sterk had gemaakt voor het verkrijgen van een ontmoetingsruimte voor de jeugd. Verschillende bedrijven deden een duit in het zakje en met acties deden de jongeren hun best om extra geld in het laatje te krijgen voor de totstandkoming van het jeugdhonk. Van Jantje Beton ontving JoJo een bedrag van 8000 gulden en van de Stichting Zomerzegels maar liefst 15.000 gulden.

De Joker

het

opgenomen.          ’s            Avonds trad ‘Vengeance’ op in ‘De Joker’ en draaide disco Melody tussendoor popmuziek. De Joker moest uitgroeien tot DE ontmoetingsplaats    voor       jeugd     en jongeren in Scherpenzeel. Een plaats waar iedereen zich kon thuis voelen. Die opzet slaagde aanvankelijk, maar na enige tijd liepen de bezoekersaantallen terug.       In           het         voorjaar              van        1985 probeerde een groep jongeren ‘De Joker’ nieuw leven in te blazen. In eerste instantie met succes, want in augustus 1985    kopte     de          krant

‘Jongerencentrum ‘De Joker’ meer en          Jongeren in de Joker met o.a. Margret Advokaat en

meer in trek’.        Jelle de Koning

Openingsfeest De Joker

Aan de bar o.a. Cor en Trudy Westeneng en Max Jonker

Maar toch waren er problemen die dat succes in de weg stonden. De jonge vrijwilligers hadden weinig ervaring waardoor het zowel inhoudelijk als financieel minder goed liep dan men verwachtte. Bovendien was er geen verwarming in de jeugdruimte. Er traden spanningen op tussen hen die achter de bar stonden en de verantwoordelijkheid niet aankonden en de bezoekers, die daardoor wegbleven. Een kleine groep oudere vrijwilligers bleef over.

Het jeugdhonk werd gesloten, maar er werden plannen ontwikkeld om een nieuwe start te maken. Zo moest o.a. de inrichting op de schop en de organisatie van activiteiten beter. Een huishoudelijk reglement werd opgesteld. Het mocht allemaal niet baten. Knelpunt bij het verwezenlijken van de nieuwe plannen waren de kosten. In mei 1987 gaf de stichting het gebouw terug aan de gemeente waarmee een einde kwam aan het open jeugd‐  en jongerenwerk en JoJo. De nieuwe gebruiker van ‘De Joker’ werd postduivenvereniging ‘De Luchtpost’.

HERINNERINGEN AAN DE TWEEDE WERELDOORLOG

Aartje Johanna Vaarkamp‐Willemsen

(augustus 2020)

Vooraf

Wim van den Berg

Zij die de oorlog meegemaakt hebben denken daar nog vaak aan terug. Het zijn geen mooie herinneringen, maar wel gebeurtenissen die ze de rest van hun leven meedragen en een stempel op hun bestaan hebben gedrukt.

Mevrouw Aartje Vaarkamp‐Willemsen heeft haar herinneringen aan die zorgelijke tijd op papier gezet. Dat ging niet vanzelf en dat was zeker niet gemakkelijk. Er komt weer zoveel boven. Ze heeft dat twee jaar Aartje Vaarkampgeleden gedaan, toen we middenin de coronacrisis zaten. Geluiden als Willemsen, 2022

‘we zijn onze vrijheid kwijt’, raakten haar diep.

‘Ze weten niet wat het betekent om echt je vrijheid kwijt te zijn, zoals dat in de oorlog het geval was’, zegt mevrouw Vaarkamp emotioneel. Aartje Willemsen heeft een groot deel van haar leven op een boerderij aan de Brinkkanterweg gewoond in de gemeente Woudenberg, enkele honderden meters vanaf de

Grebbelinie en ongeveer net zover vanaf de spoorwegovergang over de    Brinkkanterweg van        de spoorlijn         Amersfoort‐Kesteren.

Gijsbert Willemsen en Aartje Schimmel voor de boerderij aan de Een fietspad langs het Valleikanaal Brinkkanterweg, ca 1934

was           er           nog        niet,       wel         een wandelpad over de Grebbelinie. In alles was de familie georiënteerd op Scherpenzeel. Aartje ging er naar de Holevoetschool en boodschappen werden bij de Scherpenzeelse middenstand gedaan. Haar leven lang is ze, net als haar ouders en grootouders, gemeentelid van de Nederlands Hervormde Kerk in Scherpenzeel.

Aartje Willemsen is in 1935 geboren op de boerderij waar ze later zelf met haar man een agrarisch bedrijf heeft gerund. Haar grootouders, Gijsbert Willemsen en Aartje Schimmel, zijn er in 1896 komen wonen. Later hebben Aartjes ouders, Marinus Willemsen (1908) en Geertrui Bos (1910), de boerderij overgenomen.  Aartje heeft twee broers: Wuf is in 1936 geboren en Gijs in 1950. Als de oorlog uitbreekt zijn er op de boerderij ongeveer tien koeien, wat kippen en varkens. Naast grasland is er ook bouwland waarop rogge,

haver, voederbieten en aardappels geteeld worden.              Huwelijk Jan Vaarkamp en Aartje

Willemsen, 1958

Jan en Aartje Vaarkamp      Jan en Aartje met hun gezin

Na de oorlog verlaten Aartje, Wuf en haar ouders tijdelijk de boerderij en gaan ze op een boerderij op Ekris in Woudenberg boeren. Maar als ze in 1958 met Jan Vaarkamp trouwt, keert ze terug naar de boerderij aan de Brinkkanterweg. Samen met haar man heeft ze daar een agrarisch bedrijf. Het bedrijf valt op, omdat er eenden gehouden worden. Dat gebeurt hier in de regio niet zo veel. Aartje en Jan krijgen zes kinderen: vier zoons en twee dochters. In 1994 verhuizen Aartje en Jan naar de Roëlllaan in Scherpenzeel. Jan Vaarkamp is in 2013 op 86‐jarige leeftijd overleden. Aartje woont sinds 2015 in een appartement in de Marktstraat. Vijf kinderen zijn naar elders verhuisd, maar zoon Meeuwis is hier gebleven. Hij woont in het ouderlijk huis aan de Brinkkanterweg en is eigenaar van Auto Service Centrum Scherpenzeel.

Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog

Aartje Vaarkamp‐Willemsen

We woonden op een boerderij waarvan de gebouwen nu de Brinkkanterweg 17 en 17a in Woudenberg zijn. De “Brinkkant”, zoals de Brinkkanterweg toen heette, was een zandweg met een smal fietspad gescheiden van het karrespoor door een berm/strook met om de ca. 5 meter een houten paaltje.  Er was geen elektriciteit aan de Brinkkant. Dat netwerk was er niet buitenaf. Gas kwam uit de gasfabriek en was Geertrui Willemsen‐Bos en Marinus Willemsen alleen beschikbaar in de bebouwde kom.

Water kwam uit pomp, die was aangesloten op een nortonput. En waren 3 pompen op de boerderij één in de varkensschuur, één in het spoelhok en één op de geut (na de verbouwing in 1970 de keuken).

In 1938 werd de Grebbelinie klaargemaakt als verdedigingslinie. Hoe dat er uitzag kan je zien bij ‘Hoeve De Beek’. In september 1939 werd de mobilisatie afgekondigd. Alle mannen die in militaire dienst geweest waren, tot 35 jaar, moesten opkomen. Onze vader hoefde niet op te komen. Hij had broederdienst, en was dus ook niet in militaire dienst geweest.

Veel soldaten werden ingekwartierd op de boerderijen achter de Grebbelinie. In overleg met de bewoners werd woonruimte, en vaak ook privacy, opgeofferd.

Bij ons werd het bakhuis door defensie

voorzien van        een dakraam      en          dak betimmering. Voor die verbetering keek je op het zoldertje tegen het pannendak. Op de vloer van het zoldertje werd een    vakverdeling aangebracht             die resulteerde   in            een slaapplek     voor       5 manschappen. In het bakhuis beneden stonden 2 kribben (smalle eenpersoonsbedden van ruwe planken) en een dis (tafel gevormd door twee schragen met daarop een los blad van op een dwarsplank gespijkerde geschaafde planken). De verwarming bestond uit een kuikenskachel. Dit was dus de huisvesting voor 7 soldaten.

In de varkensschuur stonden een aantal paarden. Hoeveel weet ik niet want ik kon niet tellen. De mannen werden geacht een dagtaak te hebben aan de verzorging van        de    paarden               en          van        zichzelf. Aanvankelijk stond ook de keukenwagen op het erf, maar die vertrok weer na enige tijd. Waar die keukenwagen daarna stond weet ik niet,  maar het warme eten voor “onze” soldaten kwam daar nog steeds vandaan. Of ze het moesten halen of dat het werd gebracht weet ik niet.    Bakhuis

Het warme eten dat de soldaten over hadden werd door hen op het aanrecht op de geut gezet. Wat we lekker vonden aten we zelf op. De rest ging naar de varkens. Vooral hachee was in trek.

De oorlog breekt uit, evacuatie naar de Wieringermeerpolder.

Op papier was de evacuatie voorbereid. Order bij het evacuatiebevel: niet meer meenemen dan je zelf kunt dragen. Mijn broertje Wuf en ik vonden de evacuatie een avontuur. We gingen met de trein. Daar zagen we er elke dag een aantal van langs komen, maar we hadden er nog nooit ingezeten. Wij zagen het als vakantie. Toch klopte er iets niet, want papa en mama liepen te huilen.

Er werd een pas aangeschafte koffer ingepakt. De hoes van een veren schudbed werd gevuld met kousen en ondergoed. Van moeders fietstas werd voor mij een rugtas gemaakt gevuld met een flesje melk, belegd brood en m’n mooie popje, waar ik anders nooit mee mocht spelen, want dan zou die vies worden. Alle spullen werden in de kruiwagen vervoerd naar het station Woudenberg‐Scherpenzeel.

De reis verliep met kleine incidenten. Op zeker moment minderde de trein vaart, de stemming werd angstig. Er werden               Duitse    vliegtuigen gesignaleerd en die konden de trein gaan beschieten. Gelukkig ging alles goed. De trein bracht ons in Alkmaar. Vandaar gingen we met bussen naar Schagen. Vanuit Schagen gingen we naar Middenmeer en vandaar naar ons evacuatieadres, de          familie

Attema aan de Molenweg 56 in Station Woudenberg ‐ Scherpenzeel   Slootdorp.

In een van deze plaatsen werden we opgevangen in een kerk. Ineens was Wufje zoek. Paniek bij mijn ouders. Iemand die in de buurt, op Davelaar, woonde bracht hem terug. Hij had buiten met het grind zitten spelen.

Bij de familie Attema kregen we de beschikking over een slaapkamer met één bed waarin onze ouders sliepen. De beddetijk werd leeggemaakt en gevuld met stro. Die werd op de vloer gelegd, en daar sliepen Wuf en ik op onder een deken die m’n ouders hadden meegenomen.

De koeien werden ook geëvacueerd. Ze werden los over de openbare weg, door boeren of hun knechten, richting Wijk bij Duurstede gedreven. De knecht van onze vader ging met de koeien mee. Waar deze tocht eindigde en waar die knecht onderdak vond weet ik niet. De andere beesten, varkens, kippen en kuikens, werden losgelaten.

Een vrijgezelle buurman, Henk van Ginkel, negeerde het evacuatiebevel en bleef achter. Dit was niet zonder risico. Als burger in het spergebied werd je beschouwd als spion of saboteur. Dit kon je dus je leven kosten Hij is wel heel bang geweest tijdens de beschietingen. Tijdens gevechtspauzes verzorgde hij zowel zijn eigen vee als dat van de buren zo goed en kwaad als dat ging.

Er is niet alleen bij Rhenen zwaar gevochten, ook rond Scherpenzeel is zwaar gevochten. Het dorp lag grotendeels in puin ontdekten de bewoners bij terugkeer van hun evacuatieadres.

Onze vader vond de boerenbedrijven in de Wieringermeerpolder ideaal. De boerderijen in clusters van 4 aan beide zijden van een verharde weg. Alle grond die bij het bedrijf hoorde aaneengesloten    rondom               de

gebouwen.            Brinkkanterweg 17, na 1970

Na de capitulatie van de Nederlandse regering kwam al snel het bevel dat evacués moesten terugkeren naar hun woonplaats. Wij keerden met de laatste georganiseerde reismogelijkheid terug naar de boerderij aan de Brinkkant.

De gebouwen hadden weinig schade. Wel waren in het woonhuis alle deuren en kasten met vaders eigen gereedschap opengebroken. We hadden alles voor vertrek zorgvuldig op slot gedaan. Dit was de grootste schadepost in het voorhuis.

Boven de houtbak zat een gaatje in de muur, circa 10 x 10 cm en een enkele cm diep. Er zat een gaatje in het luik, en een versiering aan het kabinet was beschadigd. Het glas in het schuifraam was nog heel. De verdwaalde kogel werd teruggevonden in de houtbak. Conclusie: de luiken waren door iemand gesloten en de ramen opengezet voor of tijdens de beschietingen.

Verder was het een onbeschrijfelijke puinhoop. Er was kennelijk gezocht naar geld en waardevolle spullen. De inhoud van het dressoir (een 12‐persoons ontbijt‐, eet‐ en theeservies) was er voor een deel uitgetrokken en lag op de vloer. Het linnengoed uit het kabinet idem dito. De laden waren leeggekieperd. Zelfs de inhoud van het laatje met onderdelen voor de trapnaaimachine lag verspreid over de vloer.

De weckpotten met vruchten waren weg of leeg. De weckpotten met groente waren goeddeels onaangeroerd. Hoe het met vlees was kan ik me niet herinneren. Van alles wat breekbaar was lag er wel het een en ander in scherven. Ook van moeders servies en glaswerk uit het dressoir. Nogal wat huishoudelijke gebruiksvoorwerpen waren weg o.a. pannen, maar ook de handnaaimachine.

In de stellingen (zo werden de verdedigingswerken genoemd) zoeken leverde soms verrassende vondsten op. Maar soms ook problemen, want ook hier gold: en is meer gelijk als eigen (veel mensen hadden dezelfde spullen en je kon dus niet zien of het jou of iemand anders toebehoorde).

De oorlogsjaren

Voedsel, kleding, schoenen en huishoudelijke voorwerpen gingen op de bon. Voor het verkrijgen van bonnen had je een stamkaart en persoonsbewijs nodig. Aanvankelijk waren de rantsoenen redelijk toereikend. Mensen met een groente of volkstuin konden zich nog wel dik eten. Je moest hier wel bonnen voor inleveren.

Met 100‐150 gr vlees per week waren de meeste maaltijden vegetarisch. Op de boerderij was huisslachting toegestaan. De vleesbonnen werden geblokkeerd. Aan de hand van het aantal gezinsleden werd berekend wat het varken mocht wegen. Als het teveel woog werd er een stuk afgesneden. In de praktijk veel vlees, weinig spek. Als het te weinig was werd het tekort aangevuld met vleesbonnen. Grote gezinnen konden soms twee keer in één jaar een varken slachten.

Voor een huisslachting moest je een vergunning hebben. Op de afgesproken datum werd het varken (meestal door de dorpsslager) geslacht en de volgende dag door een keurmeestercontroleur, gekeurd en gestempeld. Dit betekende legaal geslacht vlees, dat geen bedreiging vormde voor de gezondheid. Die stempels waren ook belangrijk bij controle op “zwarte” handel.

Ook het veevoer ging op de bon. Voor het vee waarvoor je voerbonnen kreeg gold een

leveringsplicht. Zoveel liter melk per koe en een vastgesteld aantal varkens per jaar. En werd gecontroleerd of het aantal dieren op het bedrijf klopte met het veeboekje. Dit om “zwarte” handel tegen te gaan. Want voedsel en ook kleding werden in de loop der jaren steeds schaarser. De rantsoenen werden steeds kleiner.

Er was ook met bonnen vaak niet meer te koop wat je nodig had. Ik had in het najaar van 1944 een schoenenbon gekregen. De schoenenhandel van Siem Vlastuin in Scherpenzeel (waar we vaste klant waren), had geen passende schoenen voor me. De familie Koster stroopte de Amersfoortse schoenenhandels af, zonder resultaat.

Ik had wel klompen. Toen er na de oorlog weer school was ging ik op klompen naar school. Mijn vader had de klompenmaker van een boom voorzien (wilg of Schoenwinkel van Siem Vlastuin (3e van links)         populier). Zodat hij hout om klompen te maken had.

Op 1 april 1941 werd ik leerplichtig. Op de dag dat ik voor het eerst naar school zou gaan kwam een buurjongen zeggen dat de school gevorderd was door het Duitse leger. In mijn beleving betekende dat twee dagen uitstel van m’n eerste schooldag. Wie me naar school heeft gebracht en hoe, kan ik me niet herinneren. Wat ik nog wel weet is dat een 10 jaar oudere nicht, die de zondag ervoor op bezoek was, mij tot 10 heeft leren tellen.

Zo nu en dan was er een paar dagen geen school, omdat de Duitsers er hun bivak hadden opgeslagen. Ik liep dus iedere schooldag maar de Holevoetschool die toen gevestigd aan het Holevoetplein nr. 294, waar Meeuwis zijn eerste garage had, in Scherpenzeel.

Er was geen waterleiding. Wel een pomp onder een afdak waar ook de fietsenstalling was. De toiletpotten hadden een andere vorm dan nu. Alles wat erin viel verdween gelijk in de diepte, ook een ring of een armband.

Aartje Willemsen in de 1e klas, 1941

Boerderij De Pol

De kant van het Holevoetplein waar de school stond, de Nieuwstraat en kerkhof Lambalgen was Woudenbergs, dus provincie Utrecht. De overkant van het Holevoetplein was Scherpenzeel dus provincie Gelderland. In welke winter het was weet ik niet, maar wel dat ik huilend van de kou op “De Pol”, de laatste boerderij voor het dorp, aankwam op het moment dat daar de kinderen ook naar school gingen. Ik mocht me bij de kachel

Boerderij De Pol warmen en de buurvrouw schreef een briefje

waarom ik te laat op school kwam. Het was zo koud dat de fles melk bij mijn brood bevriezingsverschijnselen vertoonde. Ik mocht de melk bij de kachel zetten, zodat die tegen etenstijd drinkbaar was. Vanaf die dag mocht ik een kwartier eerder naar school, zodat er tijd was om op “De Pol” op te warmen en met de kinderen daar naar school te gaan.

In mijn tijd op de Holevoetschool (april 1941 ‐ oktober 1945) overleden er vier of vijf schoolgenootjes. Doodsoorzaak: difterie, ongeluk met paard en wagen of oorlogshandelingen. Als ze op Kerkhof “Lambalgen” begraven werden, gingen we met de hele school naar het kerkhof voor de begrafenis.

Waarschijnlijk in de winter 1942‐1943 hebben we kinkhoest gehad. Hoesten tot je begon over te geven, ook ’s nachts. Circa drie maanden te ziek/zwak om naar school te lopen. Een neefje van drie maanden heeft dit niet overleefd. Wij waren een kilo afgevallen.

Of het in de zomer van 1944 was of eerder, weet ik niet, maar toen kreeg ik een fiets en leerde ik fietsen. Die fiets kwam bij neef Wuf van Mourik vandaan Die was er te groot voor geworden. Ook waren er periodes dat de situatie zo dreigend was dat we gekleed naar bed gingen.

De familie Koster uit Amersfoort

Onze ouders hadden bij de boerderij een boomgaard. De opbrengst was in hoofdzaak bestemd voor eigen gebruik. Als ik me de omvang herinner was dat wel erg royaal bemeten. Bij een goede oogst werd ervan verkocht. Hierdoor kwamen ze in aanraking met het echtpaar Koster uit Amersfoort. De man had een goede baan bij de gemeente Amersfoort. Voor die tijd welgestelde mensen die het zich konden permitteren met vakantie te gaan. Voor de oorlog gingen ze al naar het buitenland. Zij vroegen om een stukje grond om iets wat we nu een volkstuin noemen te beginnen. Ze mochten een gedeelte van de kuikenloop gebruiken. Die uitloop was afgegraasd en werd niet gebruikt, omdat we geen kuikens toegewezen kregen omdat we geen officiële kippenboer meer waren.

Aanvankelijk          bouwden             ze           vooral   eiwitrijke groente: witte‐, bruine‐, en kievitsbonen. Rassen die je rijp laat worden, oogst, in bosjes bindt, laat drogen in een open schuur en bij voorkeur bij vriezend weer dorst. Dan zijn ze goed droog en gaan de peulen makkelijk open. Deze mensen hadden weet van voedingsleer.

1Aartje en Wuf Willemsen, 1945

Ze aten deze bonensoorten vaak als soep als eiwitbron bij de vleesloze maaltijden. Boeren lachten hierom, zij vonden spek veel belangrijker (vet) als eiwit. Ieder jaar werd het areaal uitgebreid. Aanvankelijk met aardappels, verder ook zomer‐ en wintergroente.

Op zaterdagmiddag en soms ook ‘s avonds kwam meneer Koster met een van hun tienerkinderen op de tandem om te oogsten en te tuinieren. Verder kochten ze, zover beschikbaar, melk en eieren. Die tieners vonden dat tuinieren niet altijd leuk. Na de oorlog zei de jongste: “Als we jullie niet hadden gehad, hadden we de hongerwinter niet overleefd.”

Herfst 1944

Op een zaterdagmiddag in september 1944 vroeg een jongeman die het erf op kwam lopen om een slaapplaats voor het weekend. Hij was een student uit Leiden en op zoek naar een onderduikadres (de Leidse studenten waren de eerste die zich verzetten tegen de Duitse beperkingen). Hij kreeg een slaapplaats in de lege koestal in een krib van het Nederlandse leger, at met ons mee, maar zijn tafelmanieren waren anders dan wij gewend waren. Hij at warm eten met mes en vork. Het maakte zijn verhaal van student wel geloofwaardig. Studenten kwamen in die tijd voor 95% uit de meer welgestelde kringen.

Die zondag was een prachtige septemberdag. In de loop van de ochtend werd onze aandacht getrokken door gebrom in de lucht. Vliegtuigen! Er trokken wel vaker formaties vliegtuigen over op weg om Duitse steden te bombarderen, maar dat was ‘s avond of ‘s nachts. Dit was toch wel erg massaal en de formaties waren ook anders. Het was net of sommige vliegtuigen elkaar op sleeptouw hadden. ‘s Avonds hoorden we dat er parachutisten geland waren op de Ginkelse Heide. “Nu zal de oorlog wel snel afgelopen zijn”, dacht onze vader. De student mocht blijven. Daarmee hadden we dus een onderduiker in huis, wat niet zonder risico was.

De details van veel gebeurtenissen in deze tijd weet ik niet meer. Gingen we na de luchtlandingen nog naar school? Als het rustig was qua oorlogshandelingen en als het gebouw beschikbaar was volgens mij wel. En zolang er kolen waren.

Bovenbouw Holevoetschool, 1945. Uiterst links Aartje Willemsen

Twee weken na de luchtlandingen kregen we evacués. Een buurman bracht ze met paard en wagen. Twee echtparen. Eén was 70+, de man kon fietsen en had zijn fiets ook meegenomen. Deze mensen waren Rooms Katholiek en min of meer praktiserend. Zij sliepen op de zolder in een ledikant van 110 x 190 cm.

Het andere echtpaar was 80+. De man had in Renkum, waar ze ook vandaan kwamen, op de papierfabriek gewerkt en had pensioen. Deze mensen waren protestant maar wat ik me ervan herinner is dat ze weinig tot niets hadden met geloof en kerk. Zij sliepen in een bedstee op de kelderzolder.

Het aantal monden dat gevoed moest worden was daarmee dus verdubbeld in vergelijking tot begin september. De wintervoorraden waren niet berekend op tien monden. Er kwamen gerechten op tafel die ik me alleen uit die tijd herinner (zoals stamppot knolletjes). Het laatste potje jam werd op mijn initiatief bewaard voor Kerstmis.

De Grebbelinie werd in allerijl weer gevechtsklaar gemaakt. Alle mannen in de aangrenzende gemeenten vanaf 16 (of 18?) jaar werden verplicht mee te werken aan de bouw van de linie. Bepaalde groepen waaronder boerenbedrijfshoofden waren vrijgesteld. De knechten, evenals evacués, moesten wel meewerken. De brug over het Valleikanaal in de Brinkkanterweg werd

opgeblazen en de weg werd afgesloten door de linie.

Brinkkanterbrug

Voormalig tracé spoorlijn, Brinkkanterweg

Ook           de          spoorwegovergang          in            de

Brinkkanterweg van de lijn Amersfoort ‐ Kesteren werd opgeblazen. Al het glas in de vier ramen aan de voorzijde van de boerderij lag eruit. In de slaapkamer was het zijraampje nog heel en het bovendeel van het grote raam. De luiken van de kapotte ramen bleven dag en nacht gesloten. De deur naar de slaapkamer stond overdag open voor licht. Dat viel precies op de kachel zodat onze moeder nog kon zien om te koken.

Deze situatie heeft ca. 3.5 week geduurd. Er kwam in één raam in de woonkamer weer glas. Het andere raam werd dichtgetimmerd met triplex. Toch wel een aardig sinterklaascadeau. Juist Sinterklaas 1944 is in mijn herinnering de leukste en royaalste van mijn hele kindertijd. Er was een mand met cadeaus voor papa, mama, Wuf, Aartje en Wout Gijsbertsen, de knecht. Voor mij was er een gele kralenketting. Ik vond dat die beter bij mama paste. Waar die gebleven is weet ik niet.

We zetten voor we naar bed gingen onze (te kleine) schoen met wortel en hooi voor het paard van Sinterklaas. De volgende ochtend waren er veel cadeaus. Wat het allemaal was weet ik niet meer. Wat ik me nog wel herinneren was een opzetplaat die een schouwburg voorstelde en waar je een voorstelling kon geven. Achteraf begreep ik dat het een cadeau was van de evacués, wat m’n ouders niet konden waarderen.

De vreugde van een raam met glas in de kamer was van korte duur. Het station WoudenbergScherpenzeel en omgeving werd gebombardeerd en het overgebleven en het nieuwe glas was niet tegen de trillingen bestand. Herhaling hiervoor beschreven situatie. Rond oudejaarsdag kwam er weer glas in het schuifraam. Geen vensterglas maar tuindersglas. Het bovenlicht werd dichtgetimmerd.

Op initiatief van het 80+ echtpaar werd vanwege de kou in het huis met al die glasloze ramen, een klacht/verzoek om een ander opvangadres ingediend. Half januari was er een plek voor de 80‐plussers in Huize Geerestein in Woudenberg. Dat herenhuis deed dienst als bejaardenhuis voor evacués.

Mijn vader wist een paard met rijtuig voor ze te regelen voor vervoer, er lag sneeuw en het vroor.

De andere vrouw reageerde: “Voor ons is dit geen oplossing, want wij hebben een fiets.” Dit echtpaar kreeg onderdak bij de familie Robbertsen op Ekris (later een buurman van ons), aan de Amersfoortse kant van Woudenberg.

De opa’s vulden hun dagen met houtzagen voor de kachel en naar Woudenberg lopen voor het regelen van bonkaarten en vragen op het evacuatiebureau. De oma’s schilden aardappels en zolang ze er waren peren (om te stoven) en appels (voor appelmoes en stamppot hete bliksem).

De bouw van de stellingen werd geleid door de Duitse Wehrmacht (dienstplichtigen) en Hollandse en Duitse SS’ers (vrijwilligers). De SS’ers waren fanatieke Hitler aanhangers. Deze mensen begonnen steeds meer op alle momenten van de dag binnen te lopen. Dat gaf op zeker moment bijna een ontmoeting tussen de Duitsers en de onderduiker. Mijn ouders besloten dat ook de onderduiker moest vertrekken. Het risico werd m’n ouders te groot.

We hebben nooit meer iets van hem gehoord of gezien. Doordat hij probeerde via hun buren contact te krijgen met z’n ouders in Den Haag kwamen we erachter wie hij werkelijk was. Zijn ouders waren NSB’ers, sympathisanten van Hitler. Ze waren op Dolle Dinsdag naar Duitsland gevlucht. Om hun zoon (enig kind) van arbeidsinzet in Duitsland te vrijwaren nam hij dienst bij de Nederlandse SS. Na de landingen in Normandië en het oprukken van de geallieerde legers werd zijn onderdeel naar België gezonden en werd hij gelegerd bij het Albertkanaal, wat toen frontgebied was. Daar is hij gedeserteerd. Zijn uniform had hij bij de ondergrondse (het verzet) geruild voor burgerkleding. Daarmee was hij bij ons terechtgekomen. Als deserteur in oorlogstijd zou hij bij ontdekking van zijn ware identiteit ter plekke zijn gefusilleerd.

We kregen andere evacués. Een gezin met drie kinderen, een meisje van 4 jaar en twee jongens van 8 en 11 jaar. Ze woonden eerder bij een NSB‐gezin waar ze zich niet veilig voelden. De man werkte net als Wout, de knecht, verplicht aan de stellingen. Zij kregen voor deze zware arbeid extra voedsel: een half brood, een stukje margarine, een stukje (10 cm) lever‐ of bloedworst of een stukje 20+ kaas.

Op de laatste zaterdag van april in de namiddag verscheen er een Duitse officier met een soldaat op het erf met de mededeling dat we om 8 uur vertrokken moesten zijn. Dan werd het spergebied. Dit bevel gold voor alle bewoners van de Brinkkanterweg tot aan het spoor.

De koeien (die nog op stal stonden) werden er uitgehaald en naar het land over het spoor gebracht. Je trok dubbele lagen kleding aan, dat hoefde je dan niet te dragen. Bovendien beschermde het tegen de kou. Toen we vertrokken met paard en wagen liepen de Duitsers al in huis op zoek naar iets van hun gading.

De enige uitweg om met paard en wagen naar familie in Barneveld (dat al bevrijd was) te komen was over de Lambalgerbrug over het Valleikanaal. Daar had je een vrijgeleide voor nodig. Die kregen we niet.

Doordat de spoorlijn in de Brinkkanterweg was opgeblazen, zat daar een enorme krater. Je kon er alleen lopend of met een fiets langs. Je moest dan wel je fiets over de spoorrails dragen.

We kregen onderdak bij de familie Van Laar aan de Lambalgseweg. Daar was de Duitse inkwartiering een paar dagen eerder vertrokken. Zij hadden om die reden geen Renkumse evacués. Wel Zeeuwen, die waren er al een paar jaar. Ze woonden zelfstandig in het bakhuis.

Mijn ouders konden op de opkamer (kelderzolder) slapen. Wuf sliep bij de ene zoon van Van Laar; Wout, de knecht, bij de andere zoon, en ik op de canapé in de woonkeuken. Na enkele dagen werd het ledikant met toebehoren (waar Wuf en ik normaal in sliepen) opgehaald en op zolder gezet. Wuf en ik konden daar toen weer slapen. Ook Wout kreeg een slaapplaats op de zolder. De Brinkkant was spergebied, het ophalen van dat Krater door bominslag bij de Poort in Woudenberg. ledikant was dus niet zonder Een vergelijkbare krater ontstond bij het bombardement op de risico. spoorwegovergang aan de Brinkkanterweg

We vormden één gezin met de familie Van Laar (man, vrouw en twee zoons van circa 20 jaar). De ene dag zorgde het gezin waar we te gast waren voor eten en drinken, de andere dag onze ouders. Groot was de verontwaardiging toen bleek dat er een zij (groot stuk) spek verdwenen was uit de voedselvoorraad op de wagen die we meegenomen hadden. Wie had dat gedaan? De verdenking viel op de Zeeuwen. Verder weet ik het niet.

De evacués kregen onderdak bij een gezin aan de Laagerfseweg. De mannen kenden elkaar van het werk aan de stellingen. Bij terugkeer woonden zij in het kuikenshok (een mooi kippenhok met een betonnen vloer). Er was geen water of iets dergelijks. We moesten allemaal gebruik maken van de plee op de hoek van het bakhuis. Water haalden ze bij de pomp op de geut. Deze mensen bezaten niet meer dan wat ze samen konden dragen.

In die dagen eisten Duitse soldaten de fietsen op van de zonen van Van Laar, die ze waarschijnlijk door het koestalraam (waar de zon door scheen) hadden zien staan. Op 7 mei hoorden we dat de Duitsers gecapituleerd hadden, op 5 mei, de dag van de fietsenvordering.

We hebben circa 10 dagen bij de familie Van Laar gebivakkeerd. Bij terugkeer in de boerderij troffen we ongeveer dezelfde chaos als in 1940 aan.

Na de bevrijding

Na de bevrijding werd er tot Koninginnedag (31 augustus) gevlagd. We gingen die zomer tot de vakantie drie dagen per week naar school in de consistoriekamer van de Gereformeerde Gemeente van Roest. De school bood ook nu onderdak aan militairen.

De voedselvoorziening verbeterde snel. Er werden elke dag bonnen geldig waarop vooral brood en een soort biscuit in grote blikken verkrijgbaar waren. Ook noodrantsoenen van het geallieerde leger en van het Rode Kruis kwamen beschikbaar.

Toen er nog geen school was, ging ik met de bonkaarten langs de winkels aan de Stationsstraat om de levensmiddelen die op de bonnen verkrijgbaar waren te kopen en op m’n fietsje naar huis te brengen.

Toen ik in 1948 naar de huishoudschool ging waren kleding, eten en melk nog steeds op de bon. Wel kreeg de huishoudschool toewijzingen om bijvoorbeeld kooklessen mogelijk te maken.

Ik heb in de oorlog nooit zo slecht in de kleren gezeten als in deze periode. De kledingbonnen waren niet toereikend om een puber met een damesmaat fatsoenlijk in de kleren te houden. Dameskleding kostte aanzienlijk meer bonnen dan kinderkleding. Tweedehandskleding was zonder punten. Dus kreeg ik een jas uit een tweedehands kledingwinkel. Ik heb die jas altijd met tegenzin gedragen, want die stonk. Zelfs een dag buiten hangen hielp daar niet aan.

Er was nog een ingrijpende gebeurtenis op Hemelvaartsdag na de bevrijding. De knecht had melkdag. Dat betekende vrij tussen de tijden van melken en voeren. Hij ging dan op de fiets naar z’n ouders die in Renswoude woonden. De Lambalgsebrug werd nog steeds bewaakt en de passanten werden gecontroleerd. Nu door de Binnenlandse Strijdkrachten.

’s Morgens kon Wout zonder problemen richting Renswoude. Toen hij ’s middags terugkwam om te melken, wilde de

Lambalgsebrug wacht hem niet doorlaten. Er was commentaar van omstanders: “Laat die vent toch gaan. Hij gaat naar z’n boer om te melken.” Op zeker moment moet Wout kans hebben gezien weg te komen. Helaas liep dit slecht af.

Toen de wacht ontdekte dat Wout de brug gepasseerd was, schoot hij hem gericht neer. Juist voor de bocht bij “Groot Lambalgen”. De kogel was dwars door zijn lichaam gegaan, op een paar millimeter van zijn hart. Hoe hij naar het ziekenhuis is vervoerd en hoe lang het herstel heeft geduurd, kan ik me niet herinneren. Hoe mijn vader het werk op de boerderij, vooral het melken, klaar kreeg? Geen idee.

  • Privacyverklaring
  • ANBI
  • Jaarstukken
  • Statuten
  • Verwante organisaties
  • Contact

© 2026 Oud Scherpenzeel

Scroll naar boven