Doorgaan naar inhoud
Lid worden?
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Onze agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact
YouTube
Facebook
Lid worden?
YouTube
Facebook
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Onze agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact

Verenigingsblad 2022-1



35E JAARGANG NR. 1 MAART 2022






Vereniging  Oud  Scherpenzeel

Van de bestuurstafel…………………………………………………………………………..4

In memoriam Jan Osnabrugge……………………………………………………………..5

Jaarverslag 2021………………………………………………………………………………..5

Uitnodiging Expositie “Duitsers in Scherpenzeel”……………………………………7

Jaarrekening 2021……………………………………………………………………………..8

De brieven van Jans Stekelenburg……………………………………………………….10

Oproep tekening gemeentehuis………………………………………………………….16

1922 ‐ Scherpenzeel een eeuw geleden ‐ 1. De Eierhal ………………………….17

Van Karel de Grote tot kleermakers…………………………………………………….24

Háár kant van het verhaal…………………………………………………………………37

De kopij voor het juninummer dient uiterlijk zaterdag 7 mei 2022 a.s. te zijn ingeleverd bij de redactie.

Omslag:

Duitsers op de hoek van de Nieuwstraat en de Vlieterweg. Kort na de Duitse inval, mei 1940. Bron: Stichting Grebbelinie in het vizier.

Zie artikel ‘De brieven van Jans Stekelenburg’, pag. 10 e.v.

VAN DE BESTUURSTAFEL

Wim van den Berg, voorzitter

Ik hoop dat het u ook is gelukt het verzamelalbum ´Scherpenzeel door de jaren heen´, dat we in samenwerking met de Jumbo hebben samengesteld, compleet te krijgen. Het was een fantastische actie waarop we veel positieve reacties hebben gehad. Voor 49 Scherpenzelers aanleiding om lid van onze vereniging te worden! Van harte welkom! U zult er geen spijt van krijgen.

Op 20 januari was burgemeester Wimar Jaeger op bezoek in ons documentatiecentrum in het Koetshuis. Hij liet zich uitgebreid informeren over de geschiedenis van Scherpenzeel en kreeg enkele naslagwerken mee om zich verder te verdiepen in de historie van ons dorp. Een aantal fraaie, ingelijste afbeeldingen hebben we in bruikleen aan gemeente Scherpenzeel overgedragen. Ze sieren nu de burgemeesterskamer en andere vertrekken in het gemeentehuis.

Zoals u weet heeft Vereniging Oud Scherpenzeel sinds november 2021 de culturele ANBI‐status, zodat giften aan onze vereniging in aanmerking komen voor belastingaftrek. De contributie valt daar ook onder. Op de website www.oudscherpenzeel.nl staat daarover uitgebreide informatie.

Samen met de Stichting Grebbelinie in ’t Vizier hebben we de intentie uitgesproken de onderlinge samenwerking te verstevigen en aandacht aan elkaars activiteiten te besteden. Een voorbeeld daarvan vindt u verderop in dit blad: een uitnodiging om de bijzondere expositie van de Stichting te bezoeken.

De toekomst is altijd onzeker, maar door corona is het onmogelijk zekerheid te geven over onze activiteiten op langere termijn. Toch rekenen we erop dat we op 14 mei eindelijk weer een excursie kunnen organiseren. Een uitnodiging voor deze gezellige en interessante dag naar Schoonhoven, staat in dit verenigingsblad.

We hebben een gevarieerd verenigingsblad voor u samengesteld met mooie verhalen over de geschiedenis van Scherpenzeel. We zijn blij met de bijdragen van José Huurdeman, André Stuivenberg en Hans van den Ham. Daarnaast zijn bijzondere brieven van Jans

Stekelenburg opgenomen, die aan het begin van de oorlog door haar zijn geschreven. Zij weigerde te evacueren, met alle gevolgen van dien. U leest het allemaal in dit blad.

IN MEMORIAM JAN OSNABRUGGE

1936 – 2022

Op 18 januari 2022 overleed Jan Osnabrugge thuis aan de Eikenlaan in zijn geboorteplaats Scherpenzeel. Jan is vijfentwintig jaar bestuurslid van Vereniging Oud Scherpenzeel geweest, van 1981 – 2006. Daarna was hij, zolang zijn gezondheid dat toeliet, een betrokken vrijwilliger. Meerdere malen per week was Jan in het Koetshuis te vinden waar hij o.a. een bijdrage leverde aan de beschrijving van foto’s uit het verleden. Zijn bekendheid in Scherpenzeel had Jan mede te danken aan zijn maatschappelijke betrokkenheid, zowel politiek als kerkelijk, en als voormalig mede‐eigenaar van Bouwbedrijf Osnabrugge. Zijn interesse in en kennis over de lokale geschiedenis was groot.

Voor de totstandkoming van het boek ‘De Geschiedenis van de Grote Kerk in Scherpenzeel’ van Henk van Woudenberg, heeft hij veel onderzoek gedaan. De uitgave ‘Fotogalerij van predikanten in de Grote Kerk van Scherpenzeel’ met foto´s van Henk van der Hoeff is van zijn hand. Jan heeft ook veel tijd gestoken in het inventariseren en op schrift stellen van de graven op de begraafplaatsen Lambalgen en Glashorst. Hij heeft als archivaris van het kerkarchief van de Hervormde Gemeente de archiefstukken beheerd, gerestaureerd en veilig ondergebracht in Archief Ede. Zijn overlijden is een groot gemis voor onze vereniging.

We wensen zijn vrouw Dicky, kinderen, klein‐ en achterkleinkinderen en overige familie  veel sterkte bij het verlies van hun echtgenoot, vader, opa en overgrootvader.

JAARVERSLAG 2021

Het jaar 2021 was een bijzonder jaar vanwege de voortdurende coronapandemie. Diverse activiteiten konden helaas weer niet doorgaan.

Ons ledenaantal bedraagt momenteel 922. Dit is evenveel als vorig jaar, ondanks enkele aan‐ en afmeldingen.

Het bestuur heeft zesmaal vergaderd.

Het documentatiecentrum was beperkt geopend op dinsdagavond en op verzoek ook op andere momenten. De vele vrijwilligers, actief in diverse werkgroepen, konden het werk van de vereniging gedeeltelijk voorzetten.

De redactie van ons verenigingsblad verwerkte veel kopij. Zij stelde 4 mooie uitgaven samen, allen fullcolour. De redacteur, Mark van den Berg, zijn we erkentelijk voor het feit dat hij dit zo voortreffelijk voor ons verzorgt.

Velen maken gebruik van onze uitgebreide en informatieve website, die heel goed wordt bijgehouden door Martin Wigtman, waarvoor onze dank.

De algemene ledenvergadering werd gehouden op 19 oktober 2021. Gelukkig konden veel leden aanwezig zijn, bij de entree werd de CoronaCheck gedaan. Wim van den Berg ontving deze avond een koninklijke onderscheiding, uitgereikt door locoburgemeester Henny van Dijk.

Bestuurslid Piet Valkenburg werd herkozen, penningmeester Henk Beulenkamp had te kennen gegeven te willen stoppen, hij blijft wel als vrijwilliger bij onze vereniging actief. José Reussink werd benoemd tot penningmeester en Jannie Hazeleger tot 2e penningmeester. Gijs van Daatselaar trad toe tot het bestuur, hij was al actief in het bestuur vanaf januari 2021.

Wim van den Berg hield een boeiend verhaal over de 140 jaar geschiedenis van Boschzicht en de Sociëteit, het hoofdthema in ons blad van oktober.

9 november 2021 werd een extra ledenvergadering gehouden in De Doorslag, het verenigingsgebouw van PKN De Achthoek, vanwege de voorgestelde statutenwijziging. De statuten van 2 maart 1981 waren verouderd en verhinderden de toekenning van de ANBI‐status. Omdat op de ALV van 19 oktober niet het vereiste 2/3 deel van de leden aanwezig was, kon hierover toen geen besluit worden genomen. De aanwezige (6) leden op de extra vergadering van 9 november stemden in met de voorgestelde statutenwijziging.

Vereniging Oud Scherpenzeel verwierf per 17 november 2021 de culturele ANBI status. De culturele ANBI status heeft zowel voor de vereniging als de leden voordeel. Voor de leden is het nu mogelijk gebruik te maken van een extra giftenaftrek bij de belastingaangifte.

Op 11 september was het Open Monumentendag. Het thema was “Mijn monument is jouw monument”. Er waren wandel‐ en fietsroutes uitgezet langs 25 Scherpenzeelse monumenten. De dag werd heel goed bezocht. Een zeer geslaagd evenement.

Op 29 september waren wij aanwezig op de feestmarkt in het centrum met een kraam. Er was veel belangstelling voor de markt en onze vereniging.

Tevens verleenden wij medewerking aan het project “Van Luchtkasteel tot Dassenburcht” voor de schoolkinderen.

In het kader van Maand van de Geschiedenis was, samen met de bibliotheek, een avond georganiseerd op 13 oktober 2021. Het thema was “Aan het werk”. 6 personen werden geïnterviewd door Martien Heijting over hun werkzame leven.

Alle verenigingsbladen tot en met 2016 zijn gedigitaliseerd en nu ook online doorzoekbaar. Om dit te verwezenlijken ontvingen wij een subsidie van de Provincie Gelderland.

Het plaatjesboek ‘Scherpenzeel door de jaren heen’ werd samengesteld in overleg met Jumbo Mark Mudde. Zij verzorgden de uitgifte van de boeken huis aan huis eind 2021 en de plaatjes in de winkel begin 2022.

We hadden nog meer plannen in 2021, helaas konden deze niet doorgaan vanwege de pandemie.

We hopen elkaar in 2022 weer te ontmoeten.

Jannie Hazeleger secretaris

UITNODIGING EXPOSITIE “DUITSERS IN SCHERPENZEEL”

Onlangs heeft de stichting Grebbelinie in het Vizier een bijzondere serie foto’s in handen gekregen. Foto’s gemaakt door Duitse soldaten in   Scherpenzeel      in            de    meidagen            van        1940.

De expositie van Grebbelinie in het Vizier heeft dit jaar dan ook als thema: “Duitse soldaten in Scherpenzeel”.

U bent van harte welkom om deze unieke serie foto’s te bekijken in het museum van Grebbelinie in het Vizier. De foto’s geven een goed beeld van de situatie in de Meidagen van 1940, soldaten die blij zijn met de overwinning, maar ook de veldgraven van Duitse gesneuvelden. Ook zijn tal van Duitse voorwerpen tentoongesteld.

Het museum belicht in het algemeen de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van

Scherpenzeel. In de filmzaal kunt een film bekijken, van ongeveer 15 minuten, over de Grebbelinie van toen tot nu. In de buitenexpositie vindt u een bijna authentieke loopgraaf, een bunker en enkele kazematten.Grebbelinie in het Vizier heeft ook op de Grebbelinie gerichte wandelingen en fietstochten ontwikkeld. Voor een luttel bedrag krijgt u een routekaart met beschrijving.

U kunt ook met een groep op bezoek komen en met een gids op pad gaan.

Museum Grebbelinie in het vizier

Geopend van 1‐4‐2022 t/m 30‐9‐2022, dinsdag t/m zaterdag van 11 tot 16 uur.

Buiten de normale openingstijden is het mogelijk na afspraak het museum te bezoeken. Tel: 06 82 32 64 41

Brinkkanterweg 23 A 3931PJ  Woudenberg www.grebbelinieinhetvizier.nl

Duitse soldaten in de

Marktstraat

JAARREKENING 2021

2021 geeft een positief resultaat van € 2.767,=.

Op onze website www.oudscherpenzeel.nl vindt u onder ‘Oud Scherpenzeel’ de kop ‘Financieel verslag‘.

Daar staan alle overzichten die bij de jaarrekening 2021 en de begroting 2022 horen. De jaarrekening is in de bestuursvergadering van 19 januari 2022 goedgekeurd. De kascommissie heeft op 15 februari 2022 de jaarcijfers gecontroleerd en goedgekeurd.

De kosten en het resultaat per lid:

AFDELINGWERK.2020 WERK.2021          BEGR.2022
401: Huisvesting                 4,46 4,995,29
410: Bestuur2,54 3,424,48
420: Doc.Centrum1,11 0,321,24
430: Automatisering1,56 0,691,09
440: Verenigingsblad5,61 5,935,91
450: Excursie0,02 0,001,61
  
Totaalkosten15,30         14,7119,63
450:Bijdrage in excursiekosten0,00  0,001,62
Div. opbrengsten(o.a. Jubileum)1,35           1,080,92

Bijdrage adv.en sponsors        

 
Netto kosten per lid12,1311,0314,39
Lidmaatschap15,0015,0015,00

Positief resultaat per lid               2,87          3,97       0,61

Aantal leden         922        922        925

Heeft u naar aanleiding van de jaarrekening  nog vragen, mijn mailadres is:

EXCURSIE OP 14 MEI 2022 NAAR DE ZILVERSTAD SCHOONHOVEN

Zoals u van ons gewend bent, organiseren we elk jaar een dagexcursie. Helaas kon dit in 2020 en in 2021 niet plaatsvinden door corona, maar het ziet ernaar uit dat het dit jaar gelukkig wel door kan gaan. Traditiegetrouw bieden wij u enkele interessante geschiedkundige onderwerpen aan in combinatie met cultuur, gezelligheid en lekker eten. Evenals vorige jaren hebben we gekozen voor een bestemming die we met eigen auto gemakkelijk kunnen bereiken.

We gaan deze keer op zaterdag 14 mei naar de Zilverstad Schoonhoven voor een bezoek aan het Nederlands Zilvermuseum en een rondleiding door de mooie stad Schoonhoven.

We vertrekken vanaf de Breehoek met        eigen     vervoer naar

Schoonhoven. Na de koffie in het restaurant ‘Belvedère’ aan de Lek, gaan we naar het Zilvermuseum, waar we een rondleiding krijgen.

Daar zullen gidsen ons alles vertellen

over de pronkstukken van het museum. U hoort de bijzondere verhalen achter en over zilver en ontmoet de makers. Hierna zullen we een heerlijke lunch geserveerd krijgen in de Zilverlounge.

Na de lunch worden we opgehaald door stadsgidsen die met ons de stadswandeling zullen gaan maken.

We eindigen dan bij restaurant “Rivero” waar we afsluiten met een drankje.

Om 9.30 uur vertrekken we vanaf De Breehoek en ons programma zal duren tot ca. 16.00 uur. Na het programma kan iedereen de rest van de dag natuurlijk naar wens invullen.

De kosten bedragen € 35,‐ per persoon, dit is

inclusief :Koffie met gebak. Rondleidingen in het Museum. Uitgebreide lunch Zilverlounge. Stadswandeling met gidsen. Drankje aan het einde van de excursie.
Exclusief:Entreekosten Zilvermuseum, maar voor Museumkaarthouders en Leden Vereniging Rembrandt is de toegang gratis.

Er kunnen maximaal 40 deelnemers mee. U kunt inschrijven met een introducé, maar leden van Oud Scherpenzeel gaan voor.

Aanmelden             kunt       u             bij           Cobi       Schuur, tel.033‐2588677,    maar      het         liefst      per         mail

DE BRIEVEN VAN JANS STEKELENBURG.

Jans Stekelenburg: ‘Wij moesten weg, maar ik wilde niet.’

Wim van den Berg

Op 10 mei 1940 ontvangt burgemeester Hoytema van Konijnenburg een telegram met de volgende tekst:

Aanvang maken met afvoer burgerbevolking uwer gemeente; treintransport heden 21.00 uur; inladen minstens twee uur vooraf.

Iedereen moet zich klaarmaken om met de trein te vertrekken vanaf het station Woudenberg‐Scherpenzeel. Onder leiding van de dorpsblokhoofden zullen de verschillende groepen vertrekken. Uit Scherpenzeel moeten ruim 2000 bewoners met drie treinen naar Noord‐Holland worden vervoerd. Bijna iedereen geeft gehoor aan de oproep om te evacueren, maar één vrouw blijft achter: Jans Stekelenburg.

Wie is Jans Stekelenburg‐Batavier? Jans Stekelenburg, 1923

Jannetje Batavier is op 1 juni 1867 in Woudenberg geboren. In 1891 gaat ze op 24‐jarige leeftijd als dienstbode aan het werk in ’s‐Graveland. Daar blijft ze maar kort. In mei 1892 nemen Anna Elisabeth Henriëtte Uloth (1844‐1897) en haar echtgenoot Abraham Anthonie Zubli (18351898), ouders van Anna Elisabeth Henriëtte Zubli (roepnaam Betsy) haar in dienst. Betsy is op 7 januari 1886 aan de Leidsegracht 46 in Amsterdam geboren. Later verhuist ze met haar ouders naar de Sarphatistraat 68, ook in Amsterdam. Ze is bijna twintig jaar jonger dan Jans. Jans heeft Betsy van haar vijfde tot haar twaalfde jaar dagelijks meegemaakt. Jans is tot 2 februari 1898 in dienst bij de familie Zubli, een periode van bijna zes jaar. Kort daarvoor is de vader van Betsy overleden, terwijl haar moeder al in 1897 is gestorven. Betsy blijft zonder ouders, broers en zusters daardoor op 12‐jarige leeftijd alleen achter. Eerst zorgen tantes en ooms van haar moeders‐ en vaderskant beurtelings voor haar. Later zijn het haar tante

Margarethe           Geertruid            Maria

Daniëlle Tatum Zubli (tante Margo) en haar oom Catharinus Elisa Bernardus Uloth (oom Bernard), zuster en zwager van haar moeder, die bij Betsy komen wonen en de opvoeding voor hun rekening nemen. Op 26 februari 1898 trouwt Jans Batavier met Cornelis (Kees) Stekelenburg, die op 13 mei 1863 eveneens in Woudenberg is geboren. Anna Elisabeth Henriëtte Zubli trouwt in 1911 met Alexander

Coenraad Arthur baron van Dedem.

Duitse militairen in de Nieuwstraat, mei 1940. Bron: Stichting Jans en Kees Stekelenburg wonen Grebbelinie in het vizier. aan de Knopstraat (nu Nieuwstraat).

Tante Margo en oom Bernard

Hun huis staat op de plaats waar nu de Holevoetlaan uitkomt op de Nieuwstraat. Dat is in die tijd nog altijd in de gemeente Woudenberg. Jans en Kees krijgen geen kinderen, maar ze voeden wel Jan op, een jongen die twaalf jaar bij hen in huis woont. Het contact tussen Jans Stekelenburg en Anna Elisabeth Henriëtte baronesse Van Dedem‐Zubli en haar familie is tot in de oorlogsjaren en mogelijk ook later nog in stand gebleven.

Jans Stekelenburg blijft, terwijl de rest van de Scherpenzeelse bevolking is geëvacueerd, alleen achter in de Knopstraat. Ze zwaait haar man uit als hij evacueert. Kees Stekelenburg heeft alles geprobeerd om zijn echtgenote op andere gedachten te brengen, helaas tevergeefs. Hij hoopt dat ze naar haar familie in Doorn zal gaan.

Maar ook dat doet Jans niet. Ze blijft thuis in de Knopstraat. Als de Duitsers haar huis naderen, vlucht ze naar de schuur. Zodra ze de schuurdeur opent, wordt ze beschoten waarbij ze haar linkerarm verliest. Later zegt ze daar spottend over dat ze daarna wel een dorpspomp met een zwengel lijkt. Pas jaren later wordt bekend dat Constance van Dedem Jans tijdens de eerste oorlogsmaanden in juni en juli 1940 met Betsy van Dedem‐Zubli correspondeert. Ze vertelt in brieven over haar ervaringen en vraagt om hulp. Zes brieven die Jans heeft geschreven zijn bewaard gebleven. Betsy van Dedem‐Zubli heeft haar brieven beantwoord, maar die brieven zijn er helaas niet meer. Op verzoek van Betsy´s dochter, Constance van Dedem, zijn de brieven in het familiearchief Zubli‐Uloth, dat bij het Stadsarchief van de Gemeente Amsterdam is ondergebracht, opgenomen en door Cathérine Hoeufft‐van Voorst Vader, dochter van Constance, aan het archief geschonken.  Baronesse Van Dedem‐Zubli is in 1963 op 77‐jarige leeftijd in Aerdenhout overleden. Sinds 2020 zijn de brieven in principe openbaar. Mevrouw Cathérine Hoeufft‐van Voorst Vader heeft toen kopieën van de brieven beschikbaar gesteld aan onze vereniging. Er is overeengekomen dat voorafgaande aan publicatie daarvoor toestemming aan haar wordt gevraagd. Begin dit jaar heeft zij toestemming voor publicatie gegeven.

Om de inhoud van de brieven goed te kunnen begrijpen, een korte toelichting. De jonker waarover in een brief gesproken wordt, is één van de twee zoons van de baronesse. Kees en Jans zijn kennelijk ook de eigenaren van een huisje tegenover de woning waar ze wonen. Die woning is net als hun huis verbrand. Ook het huis naast hen is blijkbaar van Jans en Kees. Dat verhuren ze aan een man bij wie ze gaan inwonen, vanwege de verwoesting van hun eigen huis.

Jans en Kees krijgen geld van twee dames, waarschijnlijk vrienden of kennissen van de baronesse aan wie ze een bedankbriefje schrijven.

Oom Bernard met op de achtergrond de         Mijnheer is de echtgenoot van de baronesse,

Sarphatistraat        Alexander Coenraad Arthur baron van Dedem.

De brieven

No.1                                                    

Scherpenzeel 2 Juni 1940

Lieve Mevrouw

Wij hebben Uw kaart ontvangen. Wij zijn gelukkig weer bij elkander, we zijn elkander 10 dagen geheel kwijt geweest, dat was mijn schuld, wij moesten weg en ik wilde niet, want we mochten heel niet weten waar we naar toe moesten. toen is Kees mee gegaan en ik ben thuis gebleven, dat ging eerst heel best met me, maar later raakte ik in het nou.

Ik kreeg een schot in mijn linker arm, en heel Scherpenzeel werd gebombardeerd.

Ik had dat schot Pinkster maandag gekregen, maar ben nog tot Dinsdag middag thuis gebleven. ik had om twaalf uur gegeten, en was toen ingeslapen, maar schrok nog juist bijtijds wakker van benauwdheid, toen stond den geheele boel in lichte laaie, de schuurberg, de andere schuur en huis. ik greep twee pakken die klaar stonden, want ik had plan om te gaan, want ik moest medische hulp hebben. maar toen ik bij de holevoet kwam hielden de Duitschers me tegen, en ik was al bekaf. ik kan niets meer, ik heb toen net zoo lang gebedeld aan een roode kruis soldaat dat hij me een noodverband maakte. ze kregen medelijden met me, en stuurde mij met een vrachtauto naar Barneveld. Maar daar bekeken ze mij voor een spion, en vroegen wat ik in mijn boezelaar had. ik zei, dat zal ik je wel laten zien, toen, wie heeft dat gedaan, ik zei de Duitschers  de Duitschers, hij vloog woedend overeind en zei, dat is niet waar, maar ik keek die vent strak aan en zei, o niet toen, ben je een N S B, ik weer, neen, hij, wat ben je dan, ik weer, ik ben een Hollander, hij weer, heb je kinderen die N S B zijn, ik weer, ik heb geen kinderen. Maar later bedacht dat wij Jan opgevoed hadden, en toen vertelde ik hem dat wij twaalf jaar een kind opgevoed hadden, die nu in Duitschland is, en ik zeide waarzoo. toen hebben ze mijn arm onderzocht en me later met drie gewonde soldaten naar Arnhem vervoerd, en daar ging mijn arm er dadelijk af. Donderdag ben ik weer hier gekomen. Ons huis en alles wat we hadden is verbrand, ook ons huisje tegenover, maar naast ons was enkel de ruiten stuk, daar woont een man alleen, en daar zijn we bij, er word hier van alles gedeeld, er word goed voor ons gezorgd.

Vele hartelijke groeten van ons beiden,

Uw dw drs* Jans en Kees.

* dw drs = dienaar dienares

No.2                                                

Scherpenzeel 11 Juni 1940

Lieve Mevrouwe

Wij waren gisteren geheel verrast toen Uw kinderen kwamen, die zoon verre tocht maakte om ons van het noodige te voorzien. wij hadden gisteren middag nog een gestikte deken en een dikke winterjas voor Kees gekregen. Er is hier nu een commissie met een Mijnheer Goedhart aan het hoofd, die laat de oude menschen bij zich komen, en helpt die dan het eerste. ik durf het haast niet te vragen, maar een regenjas en een jekker voor in de week is Kees nog wel verlegen. onze stam kaarten zijn verloren gegaan, en nu kunnen we nog maar steeds geen bonnen krijgen. verleden week kregen wij 8 bonnen voor voedsel, maar de suiker kon ik niet krijgen omdat ik geen nummerbon had. Nu hebben wij ze nog niet, en voedselbonnen heeft hij een keer gegeven, en nu zegt hij, je moet maar gaan werken, maar Kees is toch geen mensch meer om bij een ander te  gaan werken, hij is 77 jaar. als U eens iemand wist die hem iets gunstiger voor ons kon stemmen, dat zou misschien wat helpen.

ik zelf heb hem een heele vriendelijke brief geschreven, want ik kan zelf wel naar het gemeente huis* gaan, maar ik heb alle kans dat hij mij heel niet ontvangen wil, en dan moet ik daar een paar uur wachten voor dat ik weer met de bus naar huis kan, dan ben ik weer heelemaal over stuur.

Mijn hartelijke dank voor alles wat wij van U ontvangen hebben.

En denk U toch maar altijd, het is zaliger te geven dan te ontvangen.

In afwachting verblijven wij naar hartelijke groeten van ons beiden.

Uw dw dns

Kees en Jans

* het gemeentehuis in Woudenberg

No. 3                                               

Scherpenzeel 18 Juni 1940 Lieve Mevrouw Zondag middag is de Jonker hier geweest, met een heele koffer vol. Het servies komt ons uitstekend te pas. U vroeg mij of Kees ook om een vest en broek verlegen is. Maar Kees draagt ouderwetsche kleeding, zijn vest van boven aan den hals dicht, en een broek zonder gulp, maar met een klep, en nu kan hij die gewone kleeren niet dragen, hij laat ze altijd bij de kleerenmaker maken, want dat gewone goed zit hem veel te koud. Kees is toch altijd erg kouwelijk. U vraagt waar wij om verlegen zijn. Wij hebben op heden wel lakens en sloopen genoeg, want we laten nu elke week wasschen, maar swinters hadden wij altijd flanellen lakens. Wij hebben nog heel geen lamp, ik heb hier al eens om een staande petroleum lamp gevraagd, en om een klokje of een wekker, een vloerkleed met een paar matten, of een kastje. wij hebben een heel klein kastje gekregen, want de groote kasten zijn voor de groote huishoudens, en dat is ook recht, maar voor ons niet gemakkelijk. thee en handdoeken heb ik weinig, maar het staat hier zoo vol, dat wij op heden niet meer kunnen bergen. ik hoop maar dat de andere bewoner er gauw uit gaat, dan hebben wij het huisje alleen. Hij behoeft nu niets geen huur te verwonen, maar nu deed hij zijn uiterste best om voor niets met ons mee te eten, en dat gaat niet op. Jans Stekelenburg 
 De burgemeester had het verleden week ook met hem aan den stok, en toen zeide wij dat ook met een. Nu heeft Kees hem uit naam van de burgemeester de huur opgezegd, en als hij er over een week niet uit is komt de deurwaarder hem de huur op zeggen. ik hoop maar dat hij van de week gaat, want al die toestanden werken nadeelig op de zenuwen. Tot mijn groote spijt ben ik het briefje wat de Jonker bij zich had kwijt, het geld heb ik wel, maar nu kan ik die dames niet persoonlijk bedanken. ik zal het briefje hier bij insluiten, dan wil U het hun wel geven, bij voorbaat mijn dank. Ik hoorde van de Jonker dat Tante Margo weer wat voor uit gaat, wat heeft die oude ziel hier toch ook veel te lijden. Zaterdag heeft de dokter mijn *( )nog iets aangestipt, maar hij is bijna beter, aanstaande zaterdag moet ik weer naar hem toe. Vele groeten aan allen voor alles wat U allen voor ons doet. onze hartelijke dank. Uw dw dn Kees en Jans

*(wond)

Onderstaande brief is aan dames uit Aerdenhout van wie Jans en Kees geld hebben ontvangen

No. 3                                                  

No. 5                                                 

Scherpenzeel 4 juli 1940

Lieve Mevrouw,

Maandag hebben wij uw postpakket ontvangen. Onze hartelijke dank daarvoor. Het doet altijd zo goed als men weet dat er mensen zijn die met je meeleven en meevoelen. Wilt u de dames die wat voor ons gaven heel hartelijk bedanken? Wat is het leven nu geheel anders dan vroeger. Men leeft nu zogezegd maar van de ene dag in de andere niet wetende wat de volgende dag brengen zal. Van de soldatenbarakken en kantines worden noodwoningen gemaakt voor de dakloze gezinnen. De beschadigde huizen worden hersteld, maar voor die huizen die geheel vernield zijn mogen nog geen nieuwe worden gebouwd. Langs de rijkstraat worden de verwoeste huizen opgeruimd. Wat er nog van staat wordt omgegooid en dat gaat allemaal naar Soesterberg naar het vliegveld. Verleden zondag moesten ze ook de gehele dag werken. Het is hier nu zo stil geworden. De versperringen worden overal opgeruimd. Er komen nu veel vrachten prikkeldraad voorbij. Nu de soldaten allemaal thuis zijn of komen zijn hier zeer veel werkkrachten over. Die kunnen naar Duitsland gaan. De ambachtslui hebben ook haast niets te doen en de Heidemaatschappij betaalt een klein loon uit. De mensen in de stad krijgen van hun gemeente er een toeslag bij, maar hier niet, zodat hier alles klaagt. Ik moet nog eens in de week naar de dokter, er zit nog een klein stukje wild vlees in mijn arm dat aangestipt moet worden.

Nogmaals onze hartelijke dank voor alle gaven.

Vele groeten van ons beiden aan allen.

Uw dw en dnr

Jans en Kees

No. 6                                                        

Scherpenzeel 24 Juli 1940

Lieve Mevrouw

Gisteren voormiddag ontvingen wij de bezending uit Haarlem. Wat een mooie kast en een groot fijn kleed. de jas past Kees best, en dan nog twee warme lakens en nog acht nieuwe doeken. wij werden er verlegen mee. En gister avond ontvingen wij de brief van Mijnheer met een sjek van dertig gulden. het geleek gisteren wel of alles op een dag kwam.

Hoe zullen wij U allen daarvoor ooit genoeg kunnen danken, want het is door U allen dat wij zoo veel krijgen. Maar wij vinden het zoo eenig dat U allen zoo Uw best voor ons doet, wij zullen het nooit vergeten. Wij wonen nog steeds met die man samen, hij was onlangs brutaal geweest tegen de burgemeester, en die kwaad. toen beloofde hij ons dat hij hem er uit zou laten zetten op Kees zijn naam. Natuurlijk hij dacht dat hij het goedkooper gedaan kreeg dan een gewoon mensch, maar dat was mis. Toen stuurde hij later de veldwachter dat hij wel 12,75 wilde betalen voor de deurwaarder, maar dan moesten wij 80 gulden betalen voor het uitzetten. nou daar kwam niets van. Uit Arnhem kregen wij nog een rekening van 100 gulden wegens operatie kosten, daar ben ik mee naar onze dokter gegaan en gevraagd of die er raad op wist, want dat wij er niets meer konden betalen. Die heeft de rekening weer terug gestuurd naar Arnhem en er bij geschreven dat wij het onmogelijk kunnen betalen. Nu hebben wij er nog niet weer van gehoord. Ik ben nog steeds onder dokter handen, want er groeit nog steeds wild vleesch in het wondje van mijn arm?

Het opbouwen ondervind hier veel vertraging, er word hier en daar wel puin opgeruimd, maar anders niet, want de commissie spreekt over vergoeding zoo als de prijzen voor den oorlog waren, en nu is alles, maar voor al het hout zoo veel duurder dat er zeer veel bij gepast moet worden, en die dat niet heeft of er al een hijpotheek in had, die kan heelemaal niet beginnen.

Onze tuin is groot, nu zal Kees vragen of hij een dubbel huis in onze tuin mag laten zetten, twee aan elkaar is toch voordeeliger dan twee apart. wij zullen maar hoopen en wachten. Nu zijn Kees met iemand bezig om een kippenhok te bouwen. Een geit hebben wij nog niet, die kunnen we nog niet bergen, misschien nu wel gauw. Wil U tante Margo hartelijk voor ons bedanken, ik hoop dat het goed gaat met haar. En nu alle nogmaals hartelijk bedankt voor al Uw goedheid. Vele groeten van ons beiden aan allen van Uw dw drs. Kees en Jans

Ten slotte

In 1941 wordt in de Knopstraat een dubbel woonhuis gebouwd (nu Nieuwstraat 8 en 10). Dat is vlakbij hun oude woning. Kees Stekelenburg overlijdt op 5 mei 1945 op Bevrijdingsdag. Tante Margo is in 1942 op 86‐jarige leeftijd overleden. Als later aan Jans gevraagd wordt wat ze doet als er weer geëvacueerd moet worden antwoordt ze: ’Ik blijf en ik sterf op m’n eigen grond.’  Jans woont tot haar dood op 29 juli 1954 in de Knopstraat. Ze is 87 jaar geworden.

Met dank aan Egbert Wolleswinkel.

OPROEP TEKENING GEMEENTEHUIS

Onderstaande oproep hebben wij ontvangen van Gert Jan Hoolwerf uit Barneveld:

Graag wil ik op deze manier, via ons blad “Oud Scherpenzeel”, een poging wagen om in het bezit te komen van de pentekening van het voormalige gemeentehuis van Scherpenzeel. Deze zijn destijds gemaakt door Jan Wilmink en gedateerd 1947. Wilmink heeft toen ook tekeningen gemaakt van de grote (NH) kerk en naar ik meen ook van de molen. Maar dat laatste weet ik niet zeker.

Ik heb zelf goede herinneringen aan dit gemeentehuis, omdat mijn vader daar destijds als ambtenaar van de secretarie en burgerlijke stand werkte. Zowel mijn zuster als ik zouden deze tekening willen bezitten. Ik ben nog op zoek naar 1 exemplaar.

Nu weet ik als lid dat ons blad veel gelezen wordt. En ik verwacht dat er onder deze lezers misschien wel iemand zit, die de bedoelde tekening heeft en er afstand van zou willen doen. En juist die persoon zoek ik in mijn zoektocht naar deze tekening.

– SCHERPENZEEL EEN EEUW GELEDEN – 1. DE EIERHAL

André Stuivenberg

In 2020 schreef ik een verhaal over de positie van openbaar en bijzonder onderwijs in

Scherpenzeel in 1920. Duiken in het verleden is dermate interessant dat ik ook dit jaar de ‘honderdjarige sprong’ wil maken, naar Anno Domini 1922. De memorabele gebeurtenissen in dat jaar zijn talrijk; daarom zal mijn verhaal in twee afzonderlijke edities van ons blad worden gepubliceerd. In dit nummer het eerste deel, waarin de oude Eierhal steeds de plaats van handeling is. Alle cursieve teksten zijn ‐ indien niet anders vermeld – ongecorrigeerde citaten uit diverse edities van ‘De Holevoet’, gedigitaliseerd op www.archieval.nl.

In               tegenstelling      tot          de gemeentelijke             Eierhal   aan        de Marktstraat, zoals veel lezers die uit eigen ervaring nog kennen (tot de sloop in 1992), was de voor 1934 gebruikte Eierhal particulier bezit, van eierhandelaar Hendrik Buddingh. Deze hal was gelegen aan de Dorpsstraat, waar nu Plein 1940 is. Iedere woensdag werden hier    eieren   aangevoerd        en verhandeld. De aantallen werden nauwgezet   bijgehouden,    maar vergissen is menselijk, zoals ‘De Holevoet’ begin 1922 met flauwe humor schreef: ‘Niet juist geteld? (…) Een onzer nieuwsbladen meldde dat in 1921 alhier ter markt waren aangevoerd 2471160 eieren. (…) wij een staatje ontvingen vermeldende aanvoer: 2471161 eieren. Heeft men een ei met 2 dooiers soms voor 2 geteld?’ Verder werden in en rond de Eierhal nog verhandeld: boter, biggen, schrammen (gecastreerde jonge varkens), zeugen, hanen, kippen, duiven, konijnen en zelfs ‘stroo’.

Behalve op marktdag vonden in de rest van de week zeer uiteenlopende bijeenkomsten en evenementen plaats. De nevenfunctie van dit gebouw had veel weg van wat je dorpshuis zou kunnen noemen. Van alle gebouwen bood het de meeste publieksruimte voor ‘wereldse’ activiteiten. Het gemeentebestuur gaf met een jaarlijkse bijdrage van 140 gulden (waarde 2022 ± € 1.100) blijk van waardering voor deze dienst aan de samenleving. Drie zuinige raadsleden echter stelden in de vergadering van 7 december 1922 voor de subsidie te verlagen tot 100 gulden. Met de kleinst mogelijke meerderheid van 4 tegen 3 stemmen werd dit afgewezen. Raadslid Teunis Valkenburg verwoordde het standpunt van de krappe meerderheid: ‘(…) toch staat vast dat de gemeenschap er zeer mee gediend wordt’. Bij de raadsmeerderheid zal ongetwijfeld het overweldigende succes van een in maart 1922 plaatsgevonden evenement een rol hebben gespeeld:

Tentoonstelling van Pluimvee en Konijnen

Wat voor ‘De Holevoet’ het gewichtigste nieuws van 1922 was, blijkt uit de omvang van het krantenverslag over de Tentoonstelling van Pluimvee en Konijnen, op 15 en 16 maart. Maar liefst 5½ kolom wordt hieraan gewijd! Aan het Scherpenzeelse optreden van de prominente politicus Hendrik Colijn wijdt  de krant slechts een halve kolom, waarover later meer.

Voor de opening van de tentoonstelling waren veel hooggeplaatste notabelen uitgenodigd ‐ het

‘eere‐comité’ ‐ die tezamen met het bestuur van de Pluimveevereniging (in de volksmond ‘de PK’) en keurmeesters op de foto gingen. Onder deze mooie, ingekleurde foto staan de namen van de geportretteerden vermeld. Er zijn klinkende namen bij, vooral die van de op de eerste rij zittende ‘hoeddragers’. Alle ‘petdragers’ mochten staande op de tweede rij plaatsnemen.

Voorste rij v.l.n.r.: M.J.L. baron Taets van Amerongen (burgemeester Renswoude), meester M. Veldhuizen, baron van Hardenbroek tot Ammerstol, mr. A. Royaards (burgemeester Scherpenzeel), mr. J.K.H. de Beaufort (burgemeester Leusden), P.A.G. baron van Heeckeren van Brandsenburg (burgemeester Woudenberg), H. Homoet (wethouder).

Achterste rij v.l.n.r.: D. Homoet, J. Blanken, G. Kwakernaak, J. Veldhuizen, G.H. Stotijn, E. Bart, J.G. van Leusden, A. v.d. Vliert, A. Gersen, J. v.d. Lagemaat, H. Blanken (wethouder)

De groepsfoto getuigt van een groots en feestelijk gebeuren, waarvoor de ‘PK’ alle registers had opengetrokken. Een mooi detail, uiterst rechts op de foto, toont de vage contouren van twee beweeglijke meisjes in tijdgebonden jurkjes. Een ouder kind gluurt onder de uitgehangen driekleur naar de camera. Bijzonder     is            dat         de          beide    wethouders        van Scherpenzeel op deze uitsnede te zien zijn: Hendrik Blanken (staand, CHU) en Hendrik Homoet (ARP).

Behalve mooi en recreatief was de tentoonstelling ook actueel en informatief. Binnen waren de keurmeesters intensief bezig geweest met het beoordelen van de talrijke inzendingen. Bijzonder verguld was Renger Veer, wiens met liefde gekruiste hoenderras voortaan het predicaat ‘Scherpenzeelse kip’ mocht dragen. Amusant is de toekenning van een tweede prijs aan een kalkoenhen en ‐haan van eerste burger, mr. Royaards van Scherpenzeel. Een bewijs van onpartijdige keurmeesters!?

In totaal trok de tentoonstelling meer dan duizend betalende bezoekers, nog  te vermeerderen met de schoolkinderen, PKleden en alle inzenders en standhouders. Verrassend veel dus voor een dorpje van 1600 inwoners.

In het omvangrijke verslag in ‘De Holevoet’ leren we de verslaggever ook als humorist kennen: ‘(…) een der fazanten, hoewel ordelijk vervoerd met den vereischten vergunningsbrief voor “vervoer van wild in gesloten jachttijd”is uit de mand ontvlucht om aan zijn wilde makkers te vertellen van de pluimveetentoonstelling in Scherpenzeel’. Deze levendige tentoonstelling oogstte unanieme waardering; het werd door de niet veel frivoliteiten gewende plattelandsbevolking als een waar hoogtepunt beschouwd in hun eentonige en vastomlijnde bestaan. De eerstvolgende marktdag ‐ op zichzelf al een wekelijkse trekpleister ‐ werd opgetuigd met een speciale openbare verkoop van op de tentoonstelling gelegde eieren: ‘Woensdag 22 maart om elf uur worden in de Sociëteit verkocht de eieren door de ten toongestelde kippen gelegd tijdens het arrest in de Eierhal. Genoteerd is van welk exemplaar ’t ei afkomstig is. Men verwacht veel koopers, want daar wordt nu “je ei” verkocht.’

Voor het eerst vrouwen naar de stembus

Bedroeg het aantal stemmers bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1918 landelijk nog 1,3 miljoen, in 1922 was dit maar liefst 2,9 miljoen. Een ruime verdubbeling, veroorzaakt door de invoering van het algemeen kiesrecht voor vrouwen. In Scherpenzeel steeg daardoor het aantal stemmers van 382 tot 687. De grootste partijen waren en bleven de ChristelijkHistorische Unie (CHU, lijst 32b, stijging van 25 naar 41%) en de Anti‐Revolutionaire Partij (ARP, daling van 33% naar 26%). Reden van de winst van de CHU zou kunnen zijn dat dáár een vrouw ‐ Frida Katz ‐ op de kieslijst stond, die ook daadwerkelijk werd verkozen. De ARP bleef principieel tegen het kandidaat stellen van vrouwen; het zou nog veertig jaar (tot 1963!) duren voor zij door een vrouw in het parlement werd vertegenwoordigd.

Uit de bijgaande advertentie in ‘De Holevoet’ blijkt dat de CHU werd aanbevolen door vooraanstaande Scherpenzeelse dames. Let op het onderscheid tussen de twee ‘mevrouwen’ (van de burgemeester en de dominee) en de rest, de ‘mejuffrouwen’, waaronder óók twee getrouwde dames!

Op 23 juni 1922 kwam de leider van de ARP, de befaamde/beruchte Hendrik Colijn, in hoogsteigen persoon          naar       de          Eierhal, ‘(…)        voor       de

Scherpenzeelsche antirevolutionairen een heerlijken avond‘. De opvolger van Abraham Kuyper ‘sprak voor een zeer talrijk gehoor over de beginselen die den antirevolutionair drijven tot den politieken strijd. (…) De vrouwen worden opgewekt gebruik te maken van hun stembiljet, mits ze dit doen in recht Christelijken Geest. De vrouwen moeten het opnemen vóór Gods Woord, vóór ’t huwelijk, vóór ’t huisgezin en zich keeren tegen het revolutionaire beginsel.’

Voor Colijn en de landelijke ARP was de uiteindelijke verkiezingsuitslag een enorme opsteker: de partij klom van 13 naar 16 Kamerzetels. De uitslag in Scherpenzeel was daarentegen opvallend slecht, met een verlies van 6%. De concurrerende CHU ging er met de winst vandoor. Enkele plaatselijke politici stoorden zich aan de uitgelatenheid van de christelijk‐historischen, zéker omdat zij een dankstond mochten houden in het hervormde kerkgebouw, zelfs voorafgegaan door feestelijk klokgelui!

Dit kwam ter sprake in het College van Notabelen: daar ‘(…) vraagt

Gradus ten Broek het woord. Hij is tolk van een aantal leden uit de Gemeente, die ontstemd zijn, dat de Chr. Hist. Kiesvereniging een dankstond in de kerk gehouden heeft, wegens den uitslag der stemming op 5 Juli jl. Hij vind de Kerk geen plaats voor propaganda voor een partij, en dat zooiets niets dan afbreuk kan doen aan de Gemeente.’ (Notulen 25‐07‐22; notabel Ten Broek was tevens raadslid voor de Vrijheidsbond/ Liberale Staatspartij, voorganger van de VVD).

Gradus ten Broek

De Haagsche Auto‐bioscoop

Anders dan bij de PK‐tentoonstelling werd de komst van een reizende bioscoop, die op 13 januari de Eierhal ‘aandeed’ niet unaniem verwelkomd. Een belangrijk deel van de Scherpenzelers stond hier gereserveerd en vaak ook veroordelend tegenover.

Zij waren het ongetwijfeld eens met wat destijds door evangelist Oskamp in zijn brochure ‘Bioscoop‐Kwaad en Bioscoop‐Goed’ aan bezwaren werd opgesomd. In zijn samenvattend slotwoord schrijft hij: ‘Mijn laatste woord wil wezen nogmaals een ernstige waarschuwing om het niet te licht te nemen met het Bioscoop‐kwaad, dat aan ons volk voortdurend wordt aangeboden. Wat is er niet voor nodig om de fantasie, de gedachten rein te bewaren. Wat kost ’t niet een moeite om zonden, allerlei zonden te beteugelen. En wat worden daartegenover de zinnen op onderscheiden wijze geprikkeld door wat films te zien geven. (…) En wat is de muziek, die in den regel ten gehore wordt gebracht? De zinnelijkheid bekomt in den bioscoop meestens niet alleen haar prikkels door de oog‐poort, maar ook door de gehòòr‐poort.’

Weliswaar waren alle films ‘stom’, maar doorgaans was er begeleidende muziek. Of en hoe er in de Eierhal muziek geklonken heeft valt niet te achterhalen. Wél is duidelijk dat de entreeprijzen voor veel inwoners een te hoge drempel vormden. Voor de ouders van mijn vader was dit zeker het geval, maar grootvader Stuivenberg had een ander ‐ in zijn ogen beter ‐ argument. Hij vertelde zijn zonen Gradus (15), Isaäc (13), Knelis (12) en Gerrit (10) dat de bioscoop naar zijn christelijke overtuiging zeer verderfelijk was, waaraan zij zich niet moesten bezondigen. In deze overtuiging stond hij bij lange na niet alleen. Op aandrang van katholieke en protestantse partijen, een grote meerderheid in het

toenmalige parlement, ontstond in 1926 de Bioscoopwet, tot ‘bestrijding van de zedelijke en maatschappelijke gevaren van de bioscoop’. Als uitvloeisel van deze wet werd kort daarna de Rijksfilmkeuring ingevoerd. Als Nederlandse Filmkeuring bestaat deze nog steeds.

Naar alle waarschijnlijkheid had de directie van de Haagsche Auto‐bioscoop vooraf voldoende informatie uit Scherpenzeel ontvangen en films thuis gelaten waaraan onze dorpsgenoten mogelijk aanstoot zouden kunnen nemen. Deze conclusie kunnen we eenvoudigweg trekken uit het merkwaardige verslagje in ‘De Holevoet’: ‘De Auto‐Biscoop heeft deze week in de Eierhal prachtig werk geleverd. De stukken waren alle leerrijk en niets was beneden critiek, zooals dat nog wel eens ’t geval kan zijn. Als alle bioscopen met zulke programma’s kwamen, zouden geen nadeelige gevolgen worden geboekt.‘ Extra vermeldenswaard was: ‘De zaal was electrisch verlicht, dat was iets beter dan ons gaskousje’.

De Burgerwacht ‘Scherpenzeel’

Dat er in de Eierhal dus nog gasverlichting was, zou een reden kunnen zijn waarom de periodieke inspectie van de vuurwapens van de plaatselijke Burgerwacht ’s middags plaatsvond. De Burgerwacht in Nederland was in 1918 in het leven geroepen om zo nodig op te treden tegen ‘revolutionaire woelingen’. De toenmalige regering was geschrokken van de dramatische omwentelingen, die leidden tot de ondergang van de monarchieën in Rusland, Duitsland en Oostenrijk. Ook in ons land poogde de sociaaldemocratische leider Pieter Jelles Troelstra de revolutionaire geesten aan te wakkeren. Deze poging liep op niets uit, maar had wel tot gevolg dat sociaaldemocraten geen deel mochten uitmaken van de gewapende Burgerwacht. Zie de expliciete vermelding in de bijgaande wervingsadvertentie  voor de  Burgerwacht in Woudenberg! Alleen notabelen, royalisten en gezagsgetrouwe mannen konden toetreden.

Het Scherpenzeelse ‘bataljon’ werd officieel opgericht in 1919. Onze Burgerwacht stond in 1922 onder de gerespecteerde leiding van commandant Hendrik Blanken, steeds met veel voorkeurstemmen in de gemeenteraad verkozen en jarenlang ook wethouder (CHU). De volgende foto uit 1924 toont zes ‘schietzekere Burgerwachters’, winnaars van een Wisselbeker:

Ook buurgemeente Renswoude was een Burgerwacht rijk. Daarvan getuigt een schitterend bericht uit ‘De Holevoet’ over een oefening met de afdeling Scherpenzeel, waaruit de beduchtheid voor het revolutionaire, ‘rooie’ gevaar spreekt: ‘Donderdagavond werd groot alarm gemaakt. Bolsjewiki uit Scherpenzeel (…) deden een greep naar de regeermacht in ons dorp. In een oogwenk was de burgerwacht te wapen om de indringers te keeren. (…) Zulk een oefening werkt

uitstekend. (…) hoewel we hopen dat wat nu werd voorgesteld, nooit droeve werkelijkheid zal worden.’

Waakzaamheid was dus in Burgerwachtogen geboden; naast periodieke wapeninspecties in de Eierhal vonden met regelmaat ‘realistische’ oefeningen plaats. De meeste leden waren tevens lid van de Schietvereniging die al in 1900 was ontstaan. De volgende foto uit 1924 toont zes ‘schietzekere Burgerwachters’, winnaars van een Wisselbeker:

v.l.n.r. Marinus van Dusschoten, Gijs van de Wetering, Jan Blanken, Johannes Fijting van Walsem, Cornelis Valkenburg Tzn, Hendrik Blanken (commandant). De foto is genomen achter het huis van Hendrik Blanken, aan de Dorpsstraat (rechts van waar nu de Primera is gevestigd).

Tentoonstelling leerlingen van de Teekenschool

In 1921 was in ons dorp  een ‘Teekenschool’ van start gegaan, in het gebouw van de Openbare Lagere School. Hier konden jongens zich (verder) bekwamen als b.v. timmerman of bouwvakker. De school bood avondonderwijs aan jongelui van ‐ toen veelal ‐ minvermogenden die overdag bij een baas werkten. In Scherpenzeel werd les gegeven in hand‐, lijn‐ en vaktekenen, maar óók in taal en rekenen. Dat laatste was beslist niet overbodig, omdat nogal wat jongeren kort na het verlaten van de lagere school al aan de arbeid waren gegaan. Aan het eind van het lesseizoen 1921‐22 werd in het voorjaar een tentoonstelling van het vervaardigde werk gehouden, in de Eierhal.

Op vrijdagavond 31 maart 1922 trokken veel belangstellende dorpsgenoten naar de tentoonstelling. ‘De keurige krijttekening in des heeren Rams winkelkast (‘etalage’ kapsalon/

rookwaren) had velen aan dat uur

herinnert’. Om half acht heette voorzitter Gradus ten Broek allen welkom, waarna hij het woord gaf aan burgemeester Royaards. De volgende citaten uit diens openingstoespraak geven goed weer waartoe de Teekenschool diende: ‘Voor een goed onderlegd arbeider is teeken‐onderwijs een vereischte (…). Waar eertijds de arbeider bemerkte (…) dat hij in veel te kort schoot, zoo is nu de gelegenheid (…) zich ruimer te ontwikkelen.’ In totaal waren er driehonderd werkstukken te bewonderen, waarvan vele ‘schier onberispelijk’.

Hier eindigt het eerste deel van mijn terugblik op ons dorp, een eeuw geleden. In een volgend nummer verlaten wij de Eierhal en trekken wij langs diverse locaties waar in 1922 memorabele gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

VAN KAREL DE GROTE TOT KLEERMAKERS, SCHOENMAKERS,

POSTBODES, EEN KOEKOEK EN REVOLVER JOHNNY

Hans van den Ham

Vorig jaar ben ik gedoken in het verleden van mijn oma van mijn moeders kant. Dus niet zo verwonderlijk dat ik me deze winter maar eens wat verder heb verdiept in de ‘Hammenkant’. Wat deden die zoal en waar kwamen ze vandaan? Om bij dat laatste te beginnen heb ik de stamboom er ook maar weer eens bij gepakt en verder gezocht naar ‘nieuwe’ voorouders. Het resultaat mag er zijn. Met grote vreugde kan ik mededelen dat het me gelukt is om bij Karel de Grote uit te komen!!

Zoals bekend is dat zo ongeveer de ultieme, natte droom van elke genealoog. Het is weinigen gegeven, zelfs Egbert Wolleswinkel, Willem van Maren, Henk van Woudenberg, Mirjam de Wijs en onze eigen voorzitter heb ik hier nog niet over gehoord. Maar dat zal nu binnenkort wel komen vrees ik.

Hoe ben ik daar gekomen? Dat ging als volgt.

Via de Hammenlijn (ik/Hans, vader Jan, opa Han en overgrootvader Jan) kwam ik uit bij betovergrootvader Hendrikus van den Ham. Hendrikus woonde in Renswoude en was daar kleermaker. Zijn zoon Jan (mijn overgrootvader) was van beroep ook kleermaker, maar heeft in 1878 het kraaiennest verlaten en is geëmigreerd naar betere oorden. U begrijpt het al: hij vertrok naar het mooie Scherpenzeel om daar postbode te worden, maar dit terzijde. Belangrijker voor dit verhaal is dat Hendrikus getrouwd was met Jannetje van Brummelen, want via de van Brummelens (Jannetje, Jan, Pieter Adrianus, Jan, Pieter Adrianus, Dirk , Pieter) kwam ik uit bij Johannes van Brummelen die getrouwd was met ene  Neeltje de Cock. Inmiddels zitten we dan rond 1650. De moeder van deze Neeltje was ene Anne Hendriks Vermeulen en via de Vermeulens (Anne Hendriksdr, Hendrik Jansz, Jan Quirijnsz, Quirijn Gerritszoon) komen we uit bij Gerrit Arentsz Hoeff. Dan zitten we rond 1500. Op zich is dit al redelijk uniek, want meestal kom je niet zover. In dit geval had ik echter nog een gelukkige voltreffer. Onze Gerrit blijkt namelijk getrouwd te zijn met Ermgard van Buren en dan heb je een goede kans op BINGO want de stambomen van adellijke families zijn meestal goed bewaard gebleven en uitgezocht. Voor ons ‐normale‐ burgers is dat lastiger.

En ja hoor, ook in dit geval. Na wat googelen kwam ik uit bij het tijdschrift Aqua Vitae: Genealogisch Tijdschrift NGV Afdeling Betuwe. In dit tijdschrift vond ik uitgebreide verhandelingen over onze Gerrit en zijn Ermgart. Onder andere dit:

IVc. Gerrit Arents Hoeff, Overl. na 7 december 1522 en voor 13 maart. Trouwt voor 22 juni Ermgard /Ermgart/Airtken/Art van Buren, overl. na 27 april 1531 en voor 13 mei 1552, dochter van Johan Adriaanss van Buren 21. Ermgard is een afstammelinge van de heren Van Buren en van Karel de Grote.

Ik zal u de rest van de verhalen besparen, ik had genoeg aan dat ene vetgedrukte zinnetje. En dan is het eigenlijk een fluitje van een cent. Over de van Burens is namelijk heel veel geschreven en gepubliceerd.

Van Ermgard van Buren ga je in de kortste keren 11 generaties terug en kom je uit bij Otto I van Buren.  (Voor de liefhebber: Irmgard, Jan, Adriaan, Jan, Allard V, Allard IV, Lambert, Allard III, Otto II, Allard II, Allard I, Otto I). Bij de geboorte van Otto I zitten we inmiddels al in 1164, een kleine 1000 jaar terug, maar ach in de geschiedeniswetenschappen kijken we niet op

familiewapen Van Buren     100 jaar moet je maar denken.

Vervolgens kijk ik toevallig op een regenachtige dag ook nog eens terug naar een opgenomen uitzending van ‘Verborgen Verleden’ waarin de stamboom van onze wereldberoemde top‐Dj Armin van Buuren wordt uitgeplozen. En wat blijkt:

Dj Armin is echt een ‘van Buren’, net als Willem Alexander: ‘Kicken zeg’, zegt Armin in de uitzending.

Ook de krant schrijft erover:

BUREN ‐ Armin van Buuren is een nazaat van Otto 1 van Buren, de oudst bekende heer van het stadje Buren in de

Betuwe. Ook Anna van Egmond, de eerste vrouw van Willem van Oranje stamt af van Otto 1 van Buren. Daarmee is Armin van Buuren dus ook verwant aan de negentiende graaf van Buren, oftewel: koning Willem‐Alexander (en ik dus ook, red.). Van Buuren reageert verrast wanneer hij leest dat hij een verre verwant is van Willem‐Alexander. ‘Ik ben familie van de koning, kicken zeg!’ ‘Het is wel heel ver weg, maar we stammen dus allebei af van Otto 1 van

Buren. Wat een waanzinnige climax.’           Mijn neef in volle actie

Dat laatste over die waanzinnige climax gaat me een tikje te ver, maar het is wel heel leuk in het rijtje IK‐ARMIN‐ KONING WILLEM‐ALEXANDER te staan. We zijn tenslotte ‐ verre ‐ neven van elkaar. In het vervolg laat ik kortheidshalve het woordje verre overigens maar weg. Ik denk dat we veel gemeenschappelijk hebben. Dat (a)muzikale heb ik met Armin gemeen en het sportieve deel ik met onze koning. Om dat nog eens extra te illustreren en luister bij te zetten mag ik verwijzen naar 26 februari 1986. Op deze gedenkwaardige dag had ik namelijk het bijzondere genoegen om een hele dag samen met mijn illustere neef te mogen schaatsen en niet zomaar een eindje, nee maar liefst 200km.

Weliswaar met nog 17000 anderen maar toch … en ik mag wel zeggen: we werden ongelooflijk toegejuicht. Mijn neef deed mee onder de schuilnaam ‘W.A. van Buren’ en ik onder de schuilnaam ‘G.L. v.d. Berg’.  Misschien denkt u nu dat u in de maling wordt genomen? Maar nee, er is geen woord van gelogen, en dat geldt overigens ook voor al het andere in het voorgaande en ook voor wat nog komen gaat.

Wat was er namelijk aan de hand. In 1985 heb ik nog gewoon als Niet‐lid de Elfstedentocht op eigen naam kunnen rijden. In 1986 ging dat echter niet meer, toen moest je of lid van de Elfstedenvereniging of van Koninklijke bloede zijn. Omdat ik toen nog niet wist dat ik een neef was van Willem Alexander, zag ik me genoodzaakt om de startkaart van iemand anders te lenen. Gerard van der Berg (nee, dus inderdaad niet onze voorzitter Wim) was zo vriendelijk om zijn startkaart aan mij te geven.

Gerard was namelijk in 1985 van de televisiebeelden zo enthousiast geworden dat hij zich meteen aanmeldde als lid van de Elfstedenvereniging. Hij nam zich voor om te gaan leren schaatsen, maar moest daar nog mee beginnen toen in 1986 de volgende tocht er al weer aan kwam. Het was er ‐ gelukkig voor mij ‐ nog even niet van gekomen! Ter illustratie

Elfstedenkruisje hiervan ziet u hiernaast de stempelkaart van ‘Gerard’ met startnummer 17036 en het bijbehorende kruisje. Ik ben Gerard nog steeds dankbaar dat‐ie nooit heeft leren schaatsen. Ik

had het voor geen goud willen missen.        Stempelkaart 

Terug naar de stamboom. We waren bij Otto I van Buren. De vader van Otto I was Allard van Egmond. Via 7 generaties Van Egmond (voor de liefhebber: Allard, Allard, Beerwout II, Beerwout I, Dodo II, Walengier I, Dodo I) komen we uit bij Radbout II van Egmond. Deze Radboud II was getrouwd met Lucretia der Franken We zitten nu ongeveer rond het jaar 850. En dan zijn we er bijna. Lucretia is een dochter van Karel de Kale, zoon van Lodewijk I, zoon van Karel de Grote. Karel de Grote is geboren in 748. Hij wordt gedoopt door Bonifatius, de aartsbisschop van Mainz, die in 754 bij Dokkum wordt vermoord. Op 1e kerstdag van het jaar 800 wordt hij door paus Leo III tot keizer gekroond van het gehele Frankische Rijk. Hij wordt beschouwd als ‘vader’ van Europa. Hij overlijdt in 814 en Karel de Grote ligt begraven in de Dom van Aken.

Voor de liefhebber: u kunt het allemaal uitgebreid nalezen in talloze publicaties. Er is zelfs een speciale website www.kareldegrote.nl. Na deze zoektocht had ik een zeer voldaan gevoel. Hè, hè we zijn er, het is gelukt, ik ben een neef van de koning en ik stam af van Karel de Grote. Vanaf nu ben ik belangrijk en heel voornaam en wil ik worden aangesproken met U en met weledelgeboren heer. Helaas…deze mooie gedachten duurden slechts één nacht, waarin ik overigens bijzonder erg lekker geslapen en mooi gedroomd heb. De volgende dag maakte ik jammer genoeg een grote fout: ik ging me nog wat verder verdiepen in Karel en zijn belangrijke nazaten. Dat had ik beter niet kunnen doen. Als je bij google intikt ‘afstammelingen van Karel de Grote’ komt zo ongeveer als eerste het volgende naar voren.

‘Veel Europeanen stammen af van Karel de Grote (schatting is 4%). Dat Karel de Grote zoveel afstammelingen heeft komt doordat hij 4 echtgenotes heeft gehad en 6 concubines. Uit die relaties zijn 19 kinderen geboren’. Daar begint het geduvel al. 4 % van alle Europeanen = 4% van 450 miljoen mensen in de EU= 18 miljoen afstammelingen van Karel de Grote. Dan begin je je al minder uniek te voelen. Maar goed, je kunt ook zeggen 96 % (=432 miljoen mensen) niet. Maar dan pak je de volgende site. En dat is een hele serieuze. De titel van de site ‘Zin en onzin van heel grote stambomen’ belooft al weinig goeds. De site baseert zich op uitgebreide statistische en genetische (DNA) onderzoeken. Ik zal u niet vermoeien met het hele onderzoek maar me beperken tot de belangrijkste uitkomsten.

Een bloemlezing:

Terug naar Karel de Grote

Men schat dat de Europese bevolking in de achtste eeuw zo’n  30 miljoen individuen telde. Als we willen onderzoeken of we Karel de Grote tot onze voorouders mogen rekenen, dan moeten we zo’n 36 generaties teruggaan. Daarbij rekenen we met één generatie om de 34 jaar, dus een drietal per eeuw. Mogelijke zijn het er meer, maar voor de onderstaande redenering is het aantal generaties – gezien de enorme getallen ‐  niet zo belangrijk.

We hebben twee ouders, vier grootouders, acht overgrootouders, enz. Elke generatie verdubbelt het aantal voorouders . Na 36 generatie hebben we dan ruim 34 miljard voorouders. Voor alle duidelijkheid: als we al onze voorouders in de 36ste generatie willen noteren  zouden we dus 34 miljard (!?) namen moeten invullen. Aangezien de Europese bevolking in de achtste eeuw slechts 30 miljoen personen telde, en er van uitgaande dat die voorouders Europeanen waren dan kan het niet anders dat op de lijn van de 35ste generatie elke naam minimaal 1000 maal voorkomt: 30 miljoen “kandidaten” voor 34 miljard plaatsjes op onze kwartierstaat.

Enz. enz. met als slot:

…dan is het logisch om te concluderen dat Karel de Grote niet alleen de symbolische voorvader is van het verenigd Europa, maar letterlijk ook een voorvader is van alle Europeanen!

Na deze voor mij tragische, ik mag haast wel zeggen traumatische conclusie, sta ik weer met beide benen op de grond. Een ervaring rijker en een illusie armer zullen we maar zeggen. U mag me gewoon weer met je, jij, lijnentrekker of koekoek aanspreken.

Even terzijde: wie weet uit welk nest die koekoek  komt? Ik heb nog geen …Muus,

Kallebak, Bobbert, Kiepetee, Peister, Puppes, Bok, Blanke Scheet, Poepes, Sap Tuf, Spin,

Keu, Prik, Bult, Knip, Blaaienboer, Kneutje, Neus, Gortepap, Turf, Piepekop, Snuuf,

Springbeer, Bokkeboer, Bans, Bels, Koes, Kruk, Keu, Arris Drol, Kiep, Doesje, Botje, Gijs Pet,

Pielepomp, Knoepertje, Pinda, Sigaartje, Koek, De Kraai, Klaartje Pis, Kwienekwieker,

Rooie Siem, Moos, Gossepietje, Teusje Peterolie, Rooie Aart, Hannesje Rot, Basje Tuut,

Witte Willem, Laban, Kikkert, Tuuletje, Jona, Roetzak, Meut, Klageleintje, Pienusje, Pijpje Kijken of Fietel …kunnen vinden die mij dat kan vertellen. Maar ik hou me aanbevolen, ik wil het eigenlijk wel weten.

Gelukkig worden er aan het eind van de site ook nog enige troostende woorden gesproken. “Alle Menschen werden Brüder”, zegt de site en dat is niet alleen een mooie gedachte maar ook een genealogische werkelijkheid.

En tot slot:

Weten dat je van Karel de Grote afstamt, is één ding; bewijzen dat het inderdaad zo is, is een ander, en dáár gaat het om in onze hobby: Genealogy is the name of the game!

Zo ik ben weer gerustgesteld, we gaan terug naar de Hammen en wel naar mijn overgrootvader Jan van den Ham.

Jan van den Ham (1845‐1916)

Jan is geboren in 1845 in Renswoude, van beroep kleermaker en in 1872 getrouwd met Aaltje Berkhof. In 1878 verhuizen Jan en Aaltje naar Scherpenzeel. Jan wordt daar postbode. Ik denk een logische stap, omdat je bij de post een vaste rijksbetrekking kreeg en een kleermaker in Renswoude het sowieso niet makkelijk moet hebben gehad. De vogels daar hebben immers van zich zelf al een prachtige zwarte verentooi. Die hebben geen kleermaker nodig. Jan en Aaltje kregen 7 kinderen (waarvan 1 jong overleden). Ze woonden aan het Oosteinde, waar precies weet ik niet.

Op de foto staat Jan rechts met baard, pet en sigaar.

Na wat inzoomen en overleg, blijkt de (jongere) man naast Jan, mijn opa Johan Albertus en bovenaan met sjerp zijn oudere broer Piet te zijn. De foto is waarschijnlijk genomen in 1913, bij de festiviteiten rond het honderd jarig bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden (bron: Piet Hilverts).

Jan is overleden in 1916 en Aaltje in 1919. Jan en Aaltje liggen begraven op Glashorst, grafnr.100.

Johan Albertus van den Ham

Mijn opa Johan Albertus, geboren 1011‐1883, is de jongste van zeven kinderen (1 jong overleden). Zijn eerste beroep was timmerman, maar in 1910, op 26 jarige leeftijd, wordt ook hij postbode. Op 20 december 1913 trouwt hij met mijn oma

Gijsberta Vlastuin (geboren in 1889) en gaan ze wonen aan de Dorpsstraat 323/324A (is nu Dorpsstraat 171/ Plein173), waar nu het kantoor van makelaar René Doornbos zit). Plein

1940 was er nog niet. Zij krijgen daar 4 H17e3t )o. uRdeec hhtusi sJo ahaann d ve.d D. oHrapmss;t mraiadtd (ennu  GDiojsrbpesrsttara Valta s1t7u1in/P. lein kinderen (Alie, Grietje, Jan ‐ m’n vader

‐ en Jannetje).

Gijsberta Vlastuin

Oma Gijsberta Vlastuin is de oudste dochter van Jan Vlastuin (1861‐1949) en Grietje van Grootveld (1861‐1925). Jan Vlastuin was evenals zijn broer Simon, schoenmaker van beroep en had zijn werkplaats/winkeltje/woonhuis op Dorpsstraat 82/83 (is nu Dorpsstraat 252 en 254), naast de winkel No 256, vroeger Pater).

De tak van Simon gaat overigens later over op het maken van rijwielen (ERIS).

Jan Vlastuin en Grietje van Grootveld kregen 10 kinderen (2 jong overleden) allemaal meisjes. Het rijtje is er door mijn oma ingestampt: Gijsje, Mientje, Keetje, Gerritje, Martje, Drika, Grietje, Sientje.

Het huis van schoenmaker Jan Vlastuin,

Dorpsstraat 82/83 (is nu Dorpsstraat 252/254), links winkeltje, midden woonkamer, rechts werkplaats, aldus de bewonerslijst van Henk van Woudenberg

Na het overlijden van zijn  vrouw Grietje in 1925 woonden er nog 3 dochters thuis. Toen in 1929 ook de jongste dochter trouwde kwam Jan Vlastuin alleen te zitten. Met vooruitziende blik werd daarom besloten het oude huis af te breken en een nieuw dubbel huis te bouwen. Vervolgens ging in 1931 de zeer

gewaardeerde  kantoorhoudster mej. Van Brummelen met pensioen en solliciteert opa Johan (Han) met succes naar de functie van Kantoorhouder van het hulp‐post‐,telegraaf‐ en telefoonkantoor te Scherpenzeel

Op 15 oktober 1931 treedt hij in dienst en in november verhuist het postkantoor naar de ene helft van het nieuwe dubbele huis; het hele gezin van Johan van den Ham + opa Vlastuin gaan wonen in  de andere helft.

Het  huis aan de Dorpsstraat 323/324A  (nu Dorpsstraat 171) wordt verhuurd. Opa Jan Vlastuin blijft inwonend vanaf 1931 tot aan zijn dood in 1949. Zowel Jan Vlastuin als zijn schoonzoon Johan van den Ham zijn langdurig actief in het kerkelijke leven. In het boek ‘De Geschiedenis van de Grote Kerk’ van Henk van Woudenberg wordt vermeld:

Jan Vlastuin Gz: d (=diaken): 1913, 1914,1916, 1917, 1919, 1920, 1922, 1923,

1925, 1926, 1929, 1930, 1932, 1933, 1936, 1937, 1939, 1940, 1942

J. Vlastuin Gz, lid van college van notabelen 1923‐1949

Joh. A. van de Ham 1933‐1963 (ov) Kerkvoogd

Op de foto zijn te zien v.l.n.r./ van boven naar beneden : Piet v.d. Ham (broer van Johan van den Ham), Martinus Sterk (meteropnemer, diaken), Willem Willemse (petroleumventer), Joh.v.d.

Ham postkantoorhouder, kerkvoogd), Jan Ederveen, G. Key (Rotterdamsche Bank), Piet

Osnabrugge (aannemer, kerkvoogd), Hogevest (architect), Cornelis Veenvliet (klompenmaker),

Kees van Ede (koster), Onderste rij v.l.n.r.: Albert Schimmel (wethouder, kerkvoogd), Evert Lokhorst (houthandel, keuenwagen), G.S. Schinkel (onderwijzer), Ds. Westra Hoekzema, Willem Harthoorn, Dhr. J.Vlastuin, Hendrik Brons (boer op Gooswilligen). 

Op een foto van het Kerkbestuur dat in 1939 verantwoordelijk was voor de restauratie van de grote Kerk kom ik ze allebei tegen. De foto is genomen in het Koor achter de preekstoel. In mei

1940 komt vervolgens de oorlog, met als gevolg evacuatie van het gezin naar Winkel in NoordHolland. Alleen zoon Jan (m’n vader) ging niet mee want die zat in het Nederlandse leger om de Duitsers tegen te houden. Bij terugkomst was de aanblik net als voor heel veel Scherpenzelers troosteloos: zowel het nieuwe huis/postkantoor Dorpsstraat 252/254 als het oude huis ter hoogte van Dorpsstraat 171/Plein 1940 lagen plat.

Op de kaart op de volgende pagina is te zien dat ze niet de enige waren.

Het nog geen 10 jaar oude woonhuis postkantoor (nu Ook het oude huis van Johan (Han) van den Ham Dorpsstraat 252/254) ligt alweer plat in 1940             aan de Dorpsstraat 323/324A (nu Dorpsstraat

171/Plein 173) is foetsie in mei 1940.

Verwoestingen in mei 1940; In blauw, zwaar beschadigd, in bruin totaal verwoest

Het gezin zat dus zonder huis maar ook nog zonder zoon Jan, want de militairen waren nog niet thuis. De ongerustheid zal ongetwijfeld groot zijn geweest. Daar heb ik in het familiearchief toch nog het een en ander over gevonden. Nadat ik de doos nog eens goed op z’n kop had gezet, kom ik tot de volgende reconstructie.

Jan (1919‐1988) was van de lichting 1939 en in de mobilisatie gelegerd aan de Duitse grens ten Oosten van Ommen in Kloosterhaar.

Zijn onderdeel behoorde tot het 20e regiment van de infanterie. Ze bemanden in Kloosterhaar een uitkijkpost/voorpost van De IJssellinie. De bedoeling van de IJssellinie was voornamelijk om de opmars van de Duitsers te vertragen, onder andere door het opblazen van de bruggen over de IJssel.

Klinkt niet alsof hij er heel veel vertrouwen in heeft. Op 21 mei 1940 volgt dan een uitgebreide brief uit Woerden, waaruit we kunnen opmaken hoe de oorlog voor hem verlopen is en dat het ‘goed’ is afgelopen.

Hij schrijft o.a. :

Woerden 21 mei ’40

Lieve moeder,

Nu de toestand weer een beetje tot rust komt kan ik ook weer eens meer schrijven. Van harte hoop ik dat u het nog goed maakt. We zijn wel wat verloren maar we hebben alle het leven nog. Dat ik van Kloosterhaar weggekomen ben is doordat ik precies de avond voordat de oorlog uitbrak ordonnans geworden ben. Op de fiets ben ik tot Heerde achter de IJssel gekomen.

(aanvulling red: hij moest een bericht gaan afgeven in Ommen, echter in Ommen aangekomen waren de Nederlanders al weg, dus doorgereden naar Zwolle maar daar was de brug ook al opgeblazen en geen Ned. leger meer aanwezig.  Een boer heeft hem vervolgens met een bootje naar de overkant van de IJssel gebracht).

In Heerde heb ik een motor gekregen  en daar ben ik mee naar

Amersfoort gegaan (red.: ‘die moest ik vorderen’, ter hoogte van Harderwijk heeft hij zich weer bij het Nederlandse leger kunnen aansluiten).

Tussen A’foort en Soesterberg heb ik een nachtje geslapen. Van Soesterberg zijn we naar Zeist gegaan. Daar heb ik ook een nacht geslapen. Toen de Grebbelinie doorgebroken was moesten we naar Driebergen om de aftocht te dekken. Daar zaten we uiterst gevaarlijk midden in een weiland maar ’s morgens om drie uur kregen we bericht dat we moesten terugtrekken. Vandaar ben ik op mijn motor in Woerden gekomen en ‘s avonds heeft Nederland gecapituleerd.

Op ’t ogenblik heb ik een goed leven. Ik slaap met een onderwijzer in een tweepersoonsbed op een zolder waar nog 12 soldaten liggen. En nu wachten we naar af wat ze met ons gaan doen… enz.

Kortom, zoals hij later vertelde: ik ben eigenlijk de hele oorlog bezig geweest om te zeggen ‘dat ze er aan komen’ maar ‘dat hadden ze zelf natuurlijk ook al lang in de gaten’. In de oorlog wordt aanvankelijk het ‘gewone’ leven weer opgepakt. Dat wil zeggen de wederopbouwcommissie gaat voortvarend aan de slag en het gezin en het postkantoor verhuizen tijdelijk naar Huize Scherpenzeel (het kasteel). Al in 1941 worden zowel    Dorpsstraat        252/254               als Dorpsstraat171/Plein 1940 173 herbouwd. Na de oplevering in juli 1941 verhuist het postkantoor van het kasteel naar Plein 173, daar waar nu makelaar René Doornbos zit.

Ook de Nederlandse militairen komen naar huis en gaan ook weer gewoon aan het werk. Op 10 september 1940 levert soldaat Jan zijn plunje in Barneveld in en gaat weer aan het werk op het postkantoor in Culemborg waar hij voor zijn militaire diensttijd in 1938 was begonnen. Dat gaat vrij lang goed, totdat in mei 1943 de Arbeitseinsatz van kracht wordt.

Alle mannen tussen de 18 en 35 jaar moesten zich melden bij de arbeidsbureaus en om vervolgens in Duitsland te werk te worden gesteld. Meestal in de oorlogsindustrie. Vrijstelling was soms mogelijk voor ‘noodzakelijke’ beroepen, zoals werken bij de P.T.T. In de zomer van 1944 gold dat echter ook niet meer. Hierover vond ik het volgende bericht, gericht aan zijn vader de kantoorhouder in Scherpenzeel.

De directeur bericht dat: “ik met ingang van 12 augustus 1944 het dienstverband met uw zoon J. van den Ham, heb moeten verbreken, op grond van het feit, dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de aan hem verstrekte opdracht om naar Duitschland te vertrekken. Tot dit ontslag is moeten worden overgegaan in opdracht van den Directeur Generaal, die op zijn beurt aldus handelde op last van den Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandsche Gebieden”.

Wat me opvalt is dat de directeur het met tegenzin doet. Hij zegt: is ‘moeten worden overgegaan’ en vervolgens geeft hij de schuld aan de Directeur Generaal en die geeft weer de schuld aan de Rijkscommissaris (= Seys Inquart).

Niemand wil na de oorlog verwijten kunnen krijgen. Zoals velen met hem, had Jan geen zin om naar Duitsland te gaan en ‘dook onder’. Jan dook onder bij de familie Wim van de Glind op boerderij Langelaar aan de Scherpenzeelse Weg (nu nr. 198 en 200). Dat is 400m  voorbij de (oude) ingang naar Allurepark de Lucht, aan de linkerkant een laan in.

De laan naar boerderij Langelaar in Boerderij Langelaar

2022    

Mevr. Eef Rauw‐van de Glind, geboren in 1926!, weet het zich nog allemaal haarscherp te herinneren. Zij vertelt:

Op de boerderij werd ‘Jan Ham’ Kees genoemd, omdat we al een Jan hadden op de boerderij.

Alle 6  kinderen waren nog thuis  en er waren ook evacués uit Renkum. Het was overal druk. Jan Ham sliep bij m’n broer Wim in een tweepersoonsbed op een kamer met nog een evacué in een eenpersoonsbed. Elke avond zaten we met 16 man aan tafel, een grote koppel, mijn moeder had daar een hele kluif aan, maar alles was lekker. Aan de ene kant was het een nare  en spannende tijd, aan de andere kant was het een hele gezellige tijd met grote saamhorigheid. Na het eten werden er in het bakhuisje fanatiek spelletjes gedaan met kaartjes met daarop een pelikaan. De mannen/jongens hielpen mee op de boerderij.

We hadden een lange laan/inrit naar de boerderij en met de deuren van de deel open keek je zo de laan in en kon je dus alles zien aankomen. Ik was in 1944 achttien jaar en moest altijd de melk karnen, dat deed ik altijd daar met de deuren open, dan had ik goed zicht. Er kwamen wel eens Duitsers, maar we hebben geen razzia of huiszoeking gehad. Eén keer kwam er een jonge Duitser alleen, die van alles wilde zien. Maar dat bleek uiteindelijk een boerenzoon met heimwee die vooral de koeien wilde zien. Daar hadden we haast medelijden mee.

Als er iemand kwam verdwenen de mannen door de bongerd naar het bos en als ze weg waren kwamen ze weer terug. De boerderij hoort bij landgoed Scherpenzeel. Het bakhuis is nu weg maar mijn schoonzus (mevr. Van de Glind‐van Brummelen) woont er nog steeds in een (verbouwd/zelfstandig) deel van de boerderij. Haar zoon Wim (de derde Wim) is de huidige boer.

En zo kwam er een einde aan de oorlog. Na de oorlog bleef opa Johan (Han) nog tot 1948 kantoorhouder waarna hij werd opgevolgd door Jan (mijn vader) die in 1978 met pensioen ging. In een krantenbericht in de Nieuwe Holevoet van 14 december 1963 wordt feitelijk de gehele naoorlogse geschiedenis samengevat.

De zevende zuster Gerritje ontbreekt, want die is in 1929 door een noodlottig ongeval om het leven gekomen. In De Holevoet van 5 december 1929 vinden we de volgende berichten.

Gerritje Vlastuin was getrouwd met Cornelis Hendrikus Cortus. In 1931 hertrouwt Cortus met  Everdina Carolina Kuijpers (Dien Kupers).

Cortus is bekend van de fietsenmakerij en autoverhuur die hij begon aan de

Stationsweg en later van de ritssluitingen (Co‐Ho = ritssluitingen Holland).

Op de foto op de volgende pagina staat het personeel van de ritssluitingfabriek aan de Stationsweg.

Andere     bekende              Scherpenzelers aan wie ik moest denken toen ik de foto zag zijn Huib Verkerk (sr) en Jan Verkerk (ze staan allebei ook op de foto). Martje Vlastuin was namelijk   getrouwd            met hoofdonderwijzer Huib Verkerk van de    Holevoetschool alom gewaardeerd en gerespecteerd in de familie en in het dorp. Van Martje ging zelfs het verhaal dat als ze naar de kapper geweest was dat ze dan ’s nachts rechtop in bed sliep, want anders kwam haar haar in de war. Tegenhanger in de familie was echter zoon Jan Verkerk. Over hem heb ik o.a. het volgende gehoord en gevonden (met dank aan Wim v.d. Berg). Ik hou het maar een beetje kort aan de hand van een paar krantenkoppen, want je kunt er een boek over schrijven zoals sommigen in de familie me wel eens fluisterend verteld hebben, want ja, eigenlijk moest dit niet aan de grote klok gehangen worden.

Hier komen ze:

Eerst ging Jan Verkerk als ‘Revolver Johnny’ en ‘Pistolen Paultje’ door het leven, althans dat wilde hij heel graag doen geloven, want hij had een rijke fantasie en overdreef nogal graag. Na zijn 1e carrière als boef, volgde een bekering en niet zo maar eentje, nee hij werd meteen evangelist. Maar ja ook evangelisten kunnen niet van de wind leven dus in zijn 2e carrière als boef ging hij naar Marokko en zette hij een hasj‐importbedrijfje op. Naar verluidt zou hij ook meerdere Marokkaanse vrouwen hebben gehad waarmee hij waarschijnlijk tegen betaling trouwde, zodat ze naar Nederland konden komen. In de gevangenis kwam hij wederom tot inkeer en bekering en werd hij weer evangelist. Tevens wilde hij een tehuis voor de kinderen van gedetineerden opzetten. Wegens gebrek aan geld is ook dat niet gelukt. Jan Verkerk is in 2007 overleden. Om te voorkomen dat er nog meer beerputten open gaan, sluit ik het hier maar mee af.

Met wederom de hartelijke groeten,

Hans van den Ham

HÁÁR KANT VAN HET VERHAAL

José Huurdeman

‘Het verraad van Juffrouw X’, is de titel van een artikel van Hans van den Ham in het tijdschrift Oud ‐ Scherpenzeel (maart 2020).

Hans beschrijft hoe Theodoor Alexander Boeree, beroepsofficier, krijgsgeschiedkundige en verzetsman, na de Tweede Wereldoorlog een omvangrijke documentatie over het verzet bijeen heeft gebracht.

Nu ken ik veel van Boeree’s werk maar net niet het deel waar Hans van den Ham uit citeert. Dit manuscript, via Hans nu ook bij mij bekend, gaat over het verraad van juffrouw X. Boeree veroordeelt haar tot op het bot. Zij zou een relatie hebben gehad met een Duitser en voor hem hebben gespioneerd. Hij laat geen spaan van haar heel en vergelijkt haar met ‘een krolsche kat’. Hij noemt haar met naam en toenaam, maar Hans van den Ham houdt het bij Juffrouw X, wat ik in dit artikel overneem.

In onderstaand verhaal komt ook nog een NSB’er uit Woudenberg voor, die ik hier meneer Y noem.

Juffrouw X heeft de naam van Piet Veenendaal doorgegeven aan een Duits officier waardoor een reeks van overvallen heeft plaatsgevonden die allemaal staan beschreven in mijn boek Ondergronds in de Tweede Wereldoorlog, Verhalen uit de Gelderse Vallei, Veluwe en Krimpenerwaard. In het stuk van Boeree wordt uitgebreid verslag gedaan hoe Piet Veenendaal bij zijn arrestatie werd mishandeld, echt om misselijk van te worden.

Piet veenendaal Onder deze druk heeft Veenendaal twee namen en adressen genoemd, waar vervolgens ook weer overvallen plaatsvonden. Hij noemde zijn buurman Wuf Lagerweij die er toch niet was, omdat hij samen met zijn vrouw zat ondergedoken. Zijn onderduikers, geheim agenten met een zender, waren al langere tijd geleden naar een andere locatie verhuisd. Ook noemde hij Jan Rothuizen die bij Cornelis Verhoef aan de Klettersteeg ondergedoken had gezeten, maar waarvan Veenendaal wist dat hij daar weg was. De SD echter arresteerde vrijwel iedereen die ze op de adressen aantroffen en wisten van een der arrestanten nog een adres te bemachtigen; die van de ondergedoken Bab van Garderen. In totaal zijn er 22 mensen afgevoerd, een persoon werd al direct doodgeschoten. Van de afgevoerde mensen zijn alleen de vrouwen teruggekomen. Alle 16 mannen zijn omgekomen in concentratiekampen.

Naar aanleiding van het artikel van Hans van den Ham, ben ik op onderzoek uitgegaan.

Nu ik de naam en een geboortedatum van de meer dan 100 jaar geleden geboren juffrouw X wist, kon ik bij het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) een schriftelijke    aanvraag             doen      om dossierstukken over haar in te zien. Na een aantal weken kreeg ik de toestemming (besluit genaamd) en maakte een afspraak in oktober 2020. Door corona kon dit niet doorgaan. Het archief is lange tijd gesloten geweest, maar een jaar later was het dan

Kamp Neuengamme tijdens de nazitijd            zover en reisde ik per trein naar het

(collectie Stichting Vriendenkring Neuengamme/ KZ‐gedenkstätte Nationaal Archief in Den Haag waar het Neuengamme)

CABR is gevestigd.

Juffrouw X is op 1 september 1948 inderdaad voor dit verraad veroordeeld met een ‘gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaren door te brengen in een rijkswerkinrichting. Bepaalt dat de tijd door veroordeelde sinds 23 Mei 1945 in bewaring doorbracht, bij de uitvoering der opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.’

Op 14 april 1950 werd ze vervroegd vrijgelaten. In totaal heeft ze bijna 5 jaar in gevangenschap doorgebracht.

Ik kwam in de stukken vier processen verbaal tegen die op haar betrekking hebben. De eerste betrof het proces verbaal van haar aanhouding op 23 mei 1945 door Wilhelmus Johannes van de Pol, onbezoldigd rijksveldwachter werkzaam bij de politieke dienst te Ede die haar tengevolge van de algemene lastgeving van het militair gezag te Ede heeft aangehouden als verdachte van overtreding van art. 27 besluit buitengewoon strafrecht. ‘Verdachte is door mij onverwijld overgebracht naar het kamp voor Politieke gevangenen te Ede en aldaar ter beschikking gesteld van het hoofd van de politieke dienst te Ede. Waarvan door mij dit proces verbaal op ambtseed is opgemaakt, gedagtekend en ondertekend te Ede, 23 Mei 1945.’

Een volgend verslag geeft háár kant van het verhaal weer in een uitgebreid gedetailleerd proces verbaal van 1 juni 1945, opgenomen door Joost Vroege, wachtmeester der Koninklijke Marechaussee te Scherpenzeel dat ik hier in zijn geheel weergeef.

1 Juni 1945

Proces verbaal

Naar aanleiding dat door Johannes Rothuizen, oud 23 jaar, bouwkundige, tijdelijk wonende op den Glindhorst, Boschhuiseweg 5 te Barneveld, sectiecommandant den NBS te Scherpenzeel, belast met het afnemen van verhoren van politieke gevangenen, een geval van landverraad gedurende de Duitse bezetting was ontdekt, tengevolge waarvan Peter Veenendaal etc zijn gearresteerd, heb ik, Joost Vroege, wachtmeester der Koninklijke Marechaussee te Scherpenzeel op verzoek van Rothuizen voornoemd met in bedoelde zaak een ander onderzoek ingesteld.

Door ons gehoord Juffrouw X:

‘Op 4 oktober 1944 ben ik als geëvacueerde met de familie Meyer uit Wageningen, met wiens zoon Marinus ik verkering had, uit Bennekom te Scherpenzeel aangekomen. We werden naar de boerderij van Bart van Ginkel aan de Kolfschoterdijk B 46 te Scherpenzeel gebracht. Toen wij nog met de wagen op den Kolfschoterdijk reden, teneinde ons naar van Ginkel te begeven, reed per rijwiel een toen ons onbekend manspersoon een eindje met ons mee en vroeg ons bij wie wij werden ingekwartierd.

Wij zeiden toen dat wij dat nog niet wisten hoe wij verdeeld zouden worden, aangezien een gedeelte van ons bij Van Ginkel en een ander gedeelte bij Pieter Veenendaal moest worden ondergebracht. Nog dezelfde avond vernam ik dat bedoelde persoon Piet Veenendaal was. Veenendaal zei toen: “Hebben jullie kleine kinderen, want dan moet je niet bij mij zijn, want bij mij is iets bijzonders dat niet geschikt is voor kleine kinderen.” Ik werd met de familie Meyer bij Bart van Ginkel ondergebracht en ’s avonds hadden wij een gesprek met de familie Van Ginkel over de uitlatingen van Veenendaal. In dat gesprek werd ons door de familie Van Ginkel meegedeeld dat het bijzonder van Veenendaal was, dat hij van het ondergrondsche leger was en dat, als wij ooren en oogen de kost zouden geven, wij dit zelf wel zouden merken. Van Ginkel adviseerde ons hierbij des avonds voorzichtig te zijn, aangezien er ’s nachts in die omgeving door de ondergrondsche werd geschoten en er kort voordien reeds een persoon was doodgeschoten. Ik ben ongeveer twee maanden bij Van Ginkel geweest, doch door onenigheid met mijn aanstaande schoonmoeder ben ik daar vandaan gegaan en ben bij Van Ekris in hotel De Prins te Scherpenzeel als hulp in de huishouding in betrekking gegaan. Ik kwam daar door tussenkomst van Van Ginkel. Aldaar ben ik ongeveer vier weken geweest. In genoemd hotel waren twaalf politice leiders van de Duitse Wehrmacht ondergebracht. Deze waren er reeds toen ik daar in betrekking kwam. Door mijn werkzaamheden in genoemd hotel, alwaar ik in dezelfde keuken moest werken als waar de politice leiders hun eten bereidden, kreeg ik daardoor kennis aan een zekere Heinz Wiesener (noot auteur: Heinrich (Heinz) Wiesener, Rijksduitser, geboren te Sterkrade, Duitsland 23 juni 1912), zijnde een der politice leiders. Die kennismaking bestond hierin dat, als wij met elkaar spraken, hij zeer vriendelijk en behulpzaam tegenover mij was. Ik kreeg de indruk dat hij niet kwaad was, aangezien hij het mij nimmer kwalijk nam als ik het woord Rotmoffen gebruikte, hetgeen ik ook deed toen mijn rijwiel werd afgenomen. Wiesener zei dan steeds: “meisje, dat kan ik toch niet helpen. Ik heb het toch niet gedaan.” Zodoende stelde ik enigszins vertrouwen in hem. Mijn verloofde Marinus Meyer voornoemd kwam mij wel eens in De Prins bezoeken, doch deze wilde niets met de Duitschers te doen te hebben. Hij sprak niet tegen hen, groette hen niet en deed net alsof zij   Hotel De Prins niet bestonden. Hij nam mij zelfs kwalijk als ik met hen sprak. Door dit gedrag werd mijn verloofde zeer door de Duitschers gehaat, hetgeen zij mijn openlijk zeiden. Doordat Wiesener wist dat mijn verloofde niet aan de stellingbouw werkte, dreigde hij meermalen dat hij hem zou pakken en opsluiten waardoor ik mij zeer angstig maakte. Op een avond toen ik na afloop van mijn werk naar mijn verloofde wilde gaan, doch daartoe geen rijwiel had, omdat de Duitschers mij dat hadden afgenomen, vroeg ik aan Van Ekris, in tegenwoordigheid van Wiesener, of ik daartoe het rijwiel van zijn vrouw mocht hebben, hetgeen hij goed vond. Bij onderzoek bleek echter dat dit rijwiel een lekke band had, zodat ik toen dit rijwiel niet kon gebruiken. Ik zei toen, dat ik dan maar thuis zou blijven. Ik dacht hierbij aan de waarschuwing van Bart van Ginkel betreffende de schietpartijen van de ondergrondsche in die omgeving. Zonder er verder bij door te denken deelde ik dit gevaar aan Van Ekris meede en besefte niet dat dit ook door Wiesener, die de Nederlandsche taal zeer goed machtig was, werd gehoord. Wiesener bood mij toen aan om mij weg te brengen en te halen, er aan toe voegende dat hij die schietkereltjes wel eens zou willen ontmoeten. Ik ben echter op zijn aanbod niet ingegaan aangezien ik verloofd was en mij dit niet passelijk voorkwam. Ik ben toen alleen naar mijn verloofde geweest. Den volgende dag knoopte Wiesener een gesprek met mij aan en vroeg mij of ik de schietkereltjes, zoals hij ze spottend noemde, had gezien waarop ik ontkennend heb geantwoord. Hij bleef mij daarbij ondervragen betreffende ondergrondsch werk, waarbij ik hem vertelde dat Willem van Beek, die de drijfriemen van de dorschmachines haalde, ’s nachts was doodgeschoten. Ik heb hem daarbij gezegd, dat dit door de ondergrondsche was gedaan, omdat ik niet beter wist. Wiesener had daar veel belangstelling voor. De daarop volgende dagen dreigde Wiesener mij herhaaldelijk mijn verloofde te zullen oppakken, aangezien hij toen wist waar die vertoefde.
 Tevens bleef hij mij steeds om inlichtingen omtrent den ondergrondsche boer, waarvan hij toen de naam nog niet wist, vragen en dwong mij daartoe inlichtingen te verschaffen daar hij anders mijn verloofde op zou pakken en kapotmaken, zoo als hij steeds zeide. Hij deed daarbij voorkomen dat hij er reeds veel van afwist, met de mededeling dat reeds een in de buurt wonende boer was gepakt en deze niet doodgeschoten zou worden alvorens die alles had verteld. Tenslotte ben ik voor zijns steeds aanhoudende dreigementen gezwicht omdat ik veel van mijn verloofde hield en heb hem de naam Piet Veenendaal genoemd, met de mededeling dat daar wel eens vergadering was, welke ook bezocht werd door een freule, die mij van naam onbekend was. Tevens dat mijn verloofde daar ook mocht komen in geval van razzia’s en dat daar een schuilplaats in de hooiberg was gemaakt. Betreffende de schuilplaats zeide Willem van Beek     hij dat dit oud nieuws was. Ook heb ik hem meegedeeld dat, als er bij Piet Veenendaal vergadering was, er in een bij zijn woning staande schuurtje een lichtje brandde en dat de woning tijdens de vergaringen door de ondergrondsche werd bewaakt. Dit laatste had ik van de dochters van Van Ginkel vernomen. Ook heb ik hem op een andere dag, tijdens een gesprek over vliegtuigen, waarbij ik hem zeide dat de moffen geen vliegtuigen meer hadden, wat door hem werd bestreden, medegedeeld dat de moffen nog slechts een enkel vliegtuig hadden, aangezien er des avonds omstreeks 7 of 9 uur, ik weet niet meer of ik 7 of 9 uur heb gezegd, een vliegtuig zeer laag over kwam vliegen en dat dit het enigste vliegtuig was, het welk zij hadden. Voor mijn mededeling had Wiesener ook zeer veel belangstelling. Hij vroeg mij of dit vliegtuig cirkelde of het lichtkogels uitwierp of lichtseinen gaf en of het licht voerde, ook of ik wel eens gemerkt had dat een vliegtuig was geland. Op dit alles heb ik hem gezegd, dat ik er niet van af wist. Ik wist daarvan ook niets. Ik heb Wiesener nimmer gezegd dat er bij Piet Veenendaal vele onderduikers waren. Ik vermoedde dat hij dit zelf reeds wist aangezien hij ook van de schuilplaats in het hooi afwist. Mijn verloofde was inmiddels door hem, Kamst en een zekere Paul gepakt geworden en heb ik daarover ruzie, of liever gezegd, woorden met hem gehad, temeer daar mijn verloofde was afgeranseld geworden door Müller, zijnde een ander politice leider. Wiesener had mij al eens eerder gezegd, dat als ik het hem niet vertelde, hij mijn verloofde zou pikken en deze dan zoolang zou afranselen totdat die inlichtingen zou geven, want zoo zeide hij: “Als jij het weet, weet je verloofde het ook wel.” Na de arrestatie van mijn verloofde heeft Wiesener nog meerdere malen getracht inlichtingen van mij omtrent andere zaken te krijgen, doch deze heb ik nimmer gegeven, omdat ik niets wist, zoals ik hem telkens zeide. Hierbij heeft hij mij persoonlijk bedreigd met arrestatie. Ongeveer een week ben ik ook nog in de woning geweest van de NSB’er meneer Y, wonende aan de Stationsweg te Woudenberg, alwaar ik des nachts sliep. Ik was toen bij de O.T. werkzaam, doch wilde daar ’s nachts niet slapen. Ik werd door Kamst, zijnde een politice leider bij hem gebracht. Meneer Y en Kamst waren zeer bevriend met elkaar waarbij Y dacht dat ik zeer bevriend was met Wiesener. In die week dat ik daar vertoefde heeft Y mij verschillende malen aangeboden om met Wiesener de avonds bij hem te komen, hetgeen ik nimmer heb gedaan. Op de avond dat Kamst mij bij meneer Y bracht en ik mij naar mijn op de zolder gelegen slaapkamer begaf, waarbij Y Kamst uitliet, luisterde ik een gesprek tusschen hen af. Ik hoorde hierbij dat Y tegen Kamst zeide dat Eckhardt, zijnde een andere politice leider (een zeer beruchte menschenvanger zonder weerga) een stomme zet had begaan, daar hij Eckhardt een pracht adres had opgegeven met vier onderduikers en dat Eckhardt daar alleen op af was gegaan en toen hij daar bij de voordeur inkwam de onderduikers de woning aan de achterkant hadden verlaten. Uit het gesprek kon ik niet opmaken welk het adres was geweest was, doch ik vermoed dat het een woning in de buurt van Y is geweest daar hij zeide: een adres hier achteruit.” Ook heeft Y, zijnde een controleur bij de CCD, mij persoonlijk gevraagd of ik geen boodschap naar Wiesener wilde overbrengen om voor hem een varken te organiseren, zoals hij het noemde, daar hij wel goede varkens wist te liggen en ook wel eens een dik spek wilde eten. Hij vond mij een sufferd omdat ik geen rijwiel had en de Duitschers dit toch wel voor mij konden vorderen.
Ik heb hem toen gezegd dat ik geen gestolen rijwielen wilde hebben en dat ik Wiesener niet meer sprak, dus zijn boodschap niet overbracht.’ Na voorlezing en volharding tekent zij deze verklaring. Waarvan door mij op afgelegde ambtseed is opgemaakt, getekend en gesloten dit proces verbaal te Scherpenzeel op 1 Juni 1945. De wachtmeester, w.g. J. Vroege Voor eensluidend afschrift: K. Aslgra, Hoofd PRA Apeldoorn 

Het derde proces verbaal over haar dat ik aantrof was gedateerd op 21 september 1945 waar Karel Fleurke, rechercheur bij den Politieken dienst te Harderwijk ‘op den 1 september 1945 omstreeks 2 uur te Harderwijk op het interneeringskamp te Harderwijk juffrouw X heeft aangehouden’.

‘Als vallende onder het bepaalde gestelde in voormelde lastgeving onder I lid 2 onder a als verdacht van Ondergrondsche 1e e te hebben verraden.

Door mij gehoord verklaarde zij:

“Ik heb onder dwang een adres van een lid van de ondergrondsche verraden. Verder heb ik mij nooit schuldig gemaakt aan verraad. Ik was geen lid van de N.S.B. noch van een van haar nevenorganisaties. Ik was anti‐Duitsch.”

Voornoemde persoon is door mij in bewaring gesteld in het Interneeringskamp te Harderwijk op 1 september 1945.’

Het vierde proces verbaal was van drie jaar later waarin juffrouw X werd beschuldigd van het opzettelijk doorgeven van informatie aan een persoon deel uitmakend van de bezettende macht waardoor Peter Veenendaal werd blootgesteld aan vervolging en vrijheidsberoving.

Uit dit proces verbaal van 1 september 1948:

‘De verdachte heeft verklaard:

“In de maand december 1944 woonde ik in Scherpenzeel in bij getuige Van Ekris. In diens woning verbleven toen ook enige Duitsers, die bij de OT werkzaam waren. Onder hen was een zekere Heinz Wiesener. Er ontstond tussen hem en mij een intieme verhouding en ik was zodanig op hem gesteld, dat ik toen het plan had mijn verloving met Rinus Meyer te verbreken en vervolgens, wanneer Wiesener van zijn vrouw zou zijn gescheiden, met hem te trouwen.

Op zekere avond in genoemde maand had ik een gesprek met Van Ekris of diens vrouw over een rijwiel dat ik van hem wilde lenen. Ik heb toen onder meer gezegd dat ik niet te voet langs de boerderij van Piet Veenendaal durfde te gaan, omdat het daar een ondergrondse boel was. Dit gesprek moet door Wiesener zijn afgeluisterd, want kort daarop vroeg hij mij wat ik met de noemde uitlating had bedoeld. Ik heb hem toen te Scherpenzeel verteld dat Pieter Veenendaal bij de ondergrondse was; dat er in zijn boerderij een schuilplaats was voor onderduikers en dat het opmerkelijk was dat er geregeld een vliegtuig laag over de boerderij vloog. Ik heb een en ander geheel vrijwillig, zonder dwang of bedreiging van Wiesener aan hem verteld.

Dat ik dit hem toevertrouwde was een gevolg van de liefde die ik voor hem had opgevat. Ik ben, voor ik bij

Van Ekris in huis kwam, enige tijd geëvacueerd geweest bij Van Ginkel tegenover de boerderij van Pieter Veenendaal.’

In dit verslag was onder meer ook opgenomen, een verklaring van Theodoor Verhulsdonck, gedurende de bezetting Kriminalskretär bij de Sicherheitsdienst te Apeldoorn. Deze verklaring is gehaald uit een proces verbaal van10 september 1947 opgemaakt door Willem Smink, wachtmeester der rijkspolitie te Ermelo.

Verhulsdonck:

“Wiesener zette uiteen wat er gebeuren moest en deelde mede dat bij een boer, Piet Veenendaal, die buiten de bouwde kom woonde, wapens, munitie, springstoffen en een zender verborgen waren. Verder zeide hij dat de boer zelf hoofd van een ondergrondse afdeling was. Hij vertelde mij dat hij dit alles wist van een meisje die tegenover boer Veenendaal geëvacueerd was geweest en met dit meisje had hij een verhouding.

Bij de huiszoeking in de boerderij en bij het onderzoek in de omgeving werden wapens, munitie, springstof en delen van een Eureka zender, speciaal bestemd voor vliegtuigen, en 1 of 2 radio’s gevonden. Piet Veenendaal is door mij gearresteerd en naar Apeldoorn overgebracht.”

Het was dít proces verbaal wat haar de veroordeling opleverde. Haar eerste gedetailleerde verklaring (door haar getekend na ‘voorlezing en volharding’) en deze tweede veel kortere. Wat is nu de waarheid? Ik laat het aan de lezer.

Wat me ook een raadsel is, is dat in het manuscript van Boeree vermeld wordt dat Marinus Meyers en zijn broer op 14 januari 1945 zijn overgebracht naar Kamp Amersfoort waar ze na zes weken zijn vrijgelaten. Nationaal Monument Kamp Amersfoort echter kan geen registratie vinden van het verblijf van deze broers in het kamp.

Hoe het juffrouw X verder is vergaan:

Toen ze op 14 april 1950 vervroegd vrijkwam uit de Rijkswerkinrichting Ampsen in Lochem dacht ze weer terug te kunnen gaan naar haar verloofde, maar die bleek zich met een ander meisje verloofd te hebben, aldus de rapportrice die de slotconclusie schreef ten behoeve van haar ontslag. ‘Het gezin waar zij uit komt staat gunstig bekend. Betrokkene kan bij vervroegde invrijheidsstelling onderdak krijgen bij haar ouders. Ook uit reclasseringsoogpunt bezien is dit een goed milieu.’

Juffrouw X is naar haar ouders teruggegaan. Ze was het elfde kind uit een gezin van twaalf en de enige die nog ongehuwd was. Ze kreeg kennis aan een andere man met wie ze in 1956 is getrouwd. Ze was toen 38 jaar. Het echtpaar vestigde zich in het westen van het land. Ze overleed op 82‐jarige leeftijd. Hun twee kinderen zijn nu rond de 60 jaar.

Bronnen:

Hans van den Ham, ‘Het verraad van Juffrouw X’, artikel van in het tijdschrift Oud ‐Scherpenzeel (maart 2020)

Theodoor Alexander Boeree, ‘Geschiedenis van het Verzet op de Veluwe’

Nationaal Archief; Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), – Internet: genealogieonline.nl

  • Privacyverklaring
  • ANBI
  • Jaarstukken
  • Statuten
  • Verwante organisaties
  • Contact

© 2026 Oud Scherpenzeel

Scroll naar boven