Verenigingsblad 2021-1
33E JAARGANG NR. 1 MAART 2021
Vereniging Oud Scherpenzeel
Van de bestuurstafel……………………………………………………………………………4
Jaarverslag 2020…………………………………………………………………………………5
Van de penningmeester………………………………………………………………………6
Correctie klassenfoto O.L.S. Scherpenzeel………………………………………………7
Rien en Teus van den Broek: fruitteler en melkboer………………………………..8
Verborgen verleden…………………………………………………………………………..13
Markante Scherpenzelers…………………………………………………………………..26
De oorlogsbelevenissen van Gerard op ’t Hof……………………………………….41
Boerderijnamen……………………………………………………………………………….54
De kopij voor het juninummer dient uiterlijk zaterdag 8 mei 2021 a.s. te zijn ingeleverd bij de redactie.
Omslag:
Links Rien van den Broek en daarvoor zoon Teus met bessenplukkers, zie artikel ‘Rien en Teus van den Broek: fruitteler en melkboer’, pag. 8 e.v.
VAN DE BESTUURSTAFEL
Graag hadden we u in dit verenigingsblad uitgenodigd voor de ledenbijeenkomst die we gewoonlijk in deze tijd van het jaar organiseren. Vaak vindt u in het voorjaarsnummer ook uitnodigingen voor een Open Dag en onze jaarlijkse excursie, maar dat kan helaas voorlopig allemaal niet doorgaan.
Wat gelukkig wel doorgaat is het schrijven van verhalen over de geschiedenis van ons dorp zoals u in dit blad ziet. In het vorige nummer is in het artikel van André Stuivenberg (1920Scherpenzeel‐Een eeuw geleden) per ongeluk twee keer dezelfde foto geplaatst. Waarvoor excuses. In dit verenigingsblad ze en we dat recht en staat de goede foto met een toelichting van André. We stellen het op prijs dat André als oud‐Scherpenzeler regelmatig zorgt voor kopij voor het verenigingsblad. Dat geldt ook voor Hans van den Ham die sinds 2015 zo langzamerhand traditiegetrouw in maart een bijdrage levert. Deze keer het Verborgen Verleden van zijn oma Neeltje Ravenhorst.
Een vereniging of instelling kan door de belastingdienst worden aangemerkt als een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Dat biedt onder bepaalde voorwaarden belastingvoordelen voor hen die periodiek (contributie) of incidenteel de vereniging financieel ondersteunen. Om die status te verkrijgen moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Onze statuten verhinderen dat de belastingdienst ons deze status op dit moment kan toekennen. Daarom willen we deze aanpassen. De leden moeten vanzelfsprekend met de voorgestelde wijzigingen instemmen. Op de eerstvolgende algemene ledenvergadering leggen we de gewijzigde statuten ter instemming aan u voor.
Als u informatie zoekt over de geschiedenis van ons dorp is dat op veel plaatsen te vinden. Een interessante bron is ook de website www.archieval.nl. Daar kunt u gemakkelijk op trefwoord zoeken in lokale kranten die van 1918‐2000 in Scherpenzeel zijn verschenen (De Holevoet, De Nieuwe Holevoet en de Scherpenzeelse Krant). Wij maken daar regelmatig gebruik van voor het schrijven van verhalen.
Leden van wie we in onze administratie een e‐mailadres hebben, ontvangen ook per e‐mail uitnodigingen voor activiteiteten. Als dat adres nog niet bekend is bij ons, wilt u dat dan aan de ledenadministratie doorgeven? Veel leden krijgen mogelijk op niet al te lange termijn een ander e‐mailadres als zij aangesloten worden op de glasvezelkabel die nu wordt aangelegd in Scherpenzeel. Mutaties kunt doorgeven via .
Zoal u weet organiseert gemeente Scherpenzeel i.s.m. Oud Scherpenzeel eens in de drie jaar activiteiten rondom Monumentendag. De laatste keer was dat tijdens onze jubileumactiviteiten in 2018; de volgende keer is op 11 september dit jaar. De andere jaren organiseren Woudenberg en Renswoude Monumentendag. Ondanks de onzekere toekomst zijn de voorbereiding in gang gezet. We hopen dat het door kan gaan. We houden u op de hoogte van deze en andere activiteiten, zodra we die weer kunnen houden.
Tijd om verder te lezen over de mooie verhalen uit het tot nu toe verborgen verleden van Scherpenzeel.
Wim van den Berg, voorzitter.
JAARVERSLAG 2020
Het jaar 2020 ligt achter ons. Het was een bijzonder jaar vanwege de corona‐pandemie. Veel van onze activiteiten konden helaas niet doorgaan.
Ons ledenaantal is met 4 gedaald en bedraagt momenteel 922.
Het bestuur hee zesmaal vergaderd.
Het documentatiecentrum is heel beperkt geopend geweest op dinsdagavond en op verzoek ook op dinsdagmorgen. De vele vrijwilligers, actief in diverse werkgroepen, konden het werk van de vereniging gedeeltelijk voorzetten.
De redactie van ons verenigingsblad hee veel kopij verwerkt. Zij hee 4 mooie uitgaven samengesteld. Het oktobernummer over de Grote Kerk en het decembernummer waren fullcolour. De redacteur, Mark van den Berg, zijn we erkentelijk voor het feit dat hij dit zo voortreffelijk voor ons verzorgt.
Velen maken gebruik van onze website die heel goed wordt bijgehouden door Mar n Wigtman, waarvoor onze dank.
De algemene ledenvergadering, gepland op 17 maart, is uitgesteld en uiteindelijk gehouden op 3 november 2020. Henk van Woudenberg ontving deze avond een koninklijke onderscheiding, uitgereikt door burgemeester Cnossen van Woudenberg. De avond werd door 30 personen bijgewoond, het aantal toegestane personen vanwege de corona‐beperkingen.
Bestuurslid Mar n Wassen werd herkozen, Cobi Schuur had te kennen gegeven te willen stoppen, maar blij wel als vrijwilligster bij onze vereniging actief. Jannie Hazeleger werd gekozen als secretaris en José Reussink als 2e penningmeester, beiden waren al actief in het bestuur vanaf januari 2020.
De penningmeester gaf een toelichting op het financiële overzicht.
Henk van Woudenberg hield een boeiend verhaal over de Grote Kerk, het themanummer van oktober.
Aan de Stationsweg is een replica van de molen geplaatst, in samenwerking met Platteland Anders. De feestelijke opening vond plaats op 3 september door wethouder Van Eekeren, burgemeester De Vries was verhinderd wegens ziekte.
Ook dit jaar zijn er 2 Open Dagen gehouden met de thema’s:
• Park bij Huize Scherpenzeel • Verkeer en vervoer
We mochten veel bezoekers verwelkomen op de eerste Open Dag in februari, in september was het aantal bezoekers beperkt.
Het jaarverslag van 2020 is kort. We hadden veel plannen, deze konden helaas geen doorgang vinden vanwege de pandemie.
We hopen elkaar in 2021 weer te ontmoeten zonder corona‐beperkingen.
Jannie Hazeleger, secretaris
VAN DE PENNINGMEESTER
Jaarrekening 2020
Het jaar 2020 is afgesloten met een positief resultaat van € 2297.
Doordat diverse activiteiten i.v.m. het corona‐virus zijn afgelast, is dit een bijzonder jaar geweest.
Het volledige verslag staat op onze website www.oudscherpenzeel nl. U vindt onder het kopje Financieel verslag alle overzichten die bij de jaarrekening 2020 en de begroting 2021 horen.
De jaarrekening is door het in de bestuur en de kascommissie nog niet goedgekeurd, dit i.v.m. Corana‐virus.
In de eerstvolgende ledenvergadering zullen de penningmeester en de overige bestuursleden op voorspraak van de kascontrolecommissie gedechargeerd worden voor het financieel gevoerde beleid over het boekjaar 2020.
Hieronder een overzicht van de kosten(in euro’s) per lid:
| AFDELING | WERK.2019 | WERK.2020 BEGR.2021 | |
| 401: Huisvesting | 5,04 | 4,46 | 4,81 |
| 410: Bestuur | 3,43 | 2,54 | 3,67 |
| 420: Doc.Centrum | 0,77 | 1,11 | 1,10 |
| 430: Automatisering | 1,02 | 1,56 | 1,20 |
| 440: Verenigingsblad | 5,18 | 5,61 | 5,16 |
| 450: Excursie | 1,37 | 0,02 | 1,62 |
| Div. voorzieningen | 1,83 | 1,08 | |
| Totaalkosten | 18,64 | 15,30 | 18,64 |
| 450:Bijdrage in excursiekosten | 1,42 | 0,00 | 1,62 |
| Div. opbrengsten(o.a. Jubileum) | 1,34 | 1,35 | 0,93 |
| Bijdrage adv.en sponsors | 1,71 | 1,82 | 2,59 |
| Ne o kosten per lid | 14,17 | 12,13 | 13,50 |
| Lidmaatschap | 15,00 | 15,00 | 15,00 |
| Positief resultaat per lid | 0,83 | 2,87 | 1,50 |
| Aantal leden | 926 | 922 | 925 |
Ik hoop u voldoende te hebben ingelicht, hee u nog vragen mail mij dan gerust.
Henk Beulenkamp, penningmeester, e‐maladres:
CORRECTIE KLASSENFOTO O.L.S. SCHERPENZEEL
Per abuis zijn in mijn verhaal van december jl. over het onderwijs in Scherpenzeel van een eeuw geleden twee dezelfde klassenfoto’s opgenomen. De foto van de Openbare Lagere School aan de Dorpsstraat ontbrak daardoor. Hieronder volgt deze foto alsnog. De datering is 26 mei 1914. Links staat het hoofd, meester Hendrik Barendregt en rechts meester Melis Veldhuizen, beiden met een gezag inboezemende snor. De kans dat een kind nu nog herkend wordt lijkt echter klein. N.a.v. dit groepsportret vertel ik op deze pagina nog wat meer. André Stuivenberg.
Het oude gezegde ‘Wie de jeugd hee , hee de toekomst’ slaat zeer waarheidsgetrouw op de poserende scholieren, want op deze foto staan louter geluksvogels: aan hen is de vroege dood voorbij gegaan en ligt er nog een toekomst open. Als we bij hen uitgaan van een gemiddelde leeftijd van elf jaar, dan is het geboortejaar 1903. In dat jaar overlijdt in Scherpenzeel 33,3% van de kinderen in hun eerste levensjaar (9 van de 27 sterfgevallen, de drie levenloos geborenen hierbij niet meegerekend)! De gemiddelde leeftijd in ons dorp is door de kinderster e in 1903 slechts 36,2 jaar. Deze schoolfoto toont ons dus een sterk voorouderlijk geslacht.
Dan nog iets over de religiositeit op de toenmalige O.L.S. Bij de volkstelling van 1909 verklaart liefst 87,8% van de bevolking Nederduitsch‐hervormd te zijn (1.274 op 1.451). De grote meerderheid hiervan stuurt zijn kinderen naar de openbare school van de vooraanstaande hervormde meesters Barendregt en Veldhuizen. Twee citaten uit ‘De Holevoet’, bij het afscheid van het hoofd mr. Barendregt op 5 mei 1922, illustreren dit hervormde karakter. Mr. Veldhuizen leidt de bijeenkomst en zegt: (…) ‘Het is bekend dat in Godes raad, dat men van alles wat bestaat moet scheiden (…)’, waarna hij de kinderen de scheidende meester psalm 121:4 laat toezingen: ‘De Heer zal u steeds gadeslaan’. Met de toenemende invloed van de Gereformeerde Bond in de hervormde gemeente neemt het aantal leerlingen af en groeit de School met den Bijbel.
RIEN EN TEUS VAN DEN BROEK:
FRUITTELER EN MELKBOER
Rien van den Broek met zijn fruitplukkers
Fruitteler Marinus (Rien) van den Broek wordt op 29 juni 1899 geboren aan het Holevoetplein, tegenover de kerk waar nu de Van Rootselaar Groep is gevestigd. Hij groeit op in een boerderij aan de Glashorsterdijk, hoek Industrielaan. Rien is de op één na jongste van de en kinderen van Teunis van den Broek en Johanna van der Haar. Elk jaar op 27 juni krijgt hij van zijn ouders, broers en zussen een hand: “Gefeliciteerd met je verjaardag.” Maar als hij in militaire dienst moet, blijkt dat hij op 29 juni jarig is. Sinterklaas wordt wel gevierd, dan krijgen de kinderen een handje snoepgoed. Hij gaat naar de Glashorstschool en doorloopt de 7 klassen. Volgens eigen zeggen brengt hij daarvan wel drie jaar in het kolenhok door. Een van zijn broers smokkelt dan tussen de middag een boterham naar binnen. Niettemin is Rien wel goed in rekenen en taal.
Zodra Rien van school afkomt, gaat hij als boerenknecht in Leersum aan ’t werk. Alleen op zondag is hij een deel van de dag thuis. Als Rien op zondagochtend hee gemolken loopt hij op klompen naar Scherpenzeel. Hij rent bijna de hele weg, bang voor landlopers die op zijn jas of zijn klompen uit zijn. De wegen zijn niet geplaveid en niet verlicht. Voor de avond gaat hij weer terug naar Leersum om zo op tijd te zijn voor de tweede keer melken die dag.
In juni 1922 trouwt Rien met Cornelia (Kee) van de Hee, die in 1902 in Leusbroek is geboren (nu
Leusden‐Zuid). Het eerste jaar wonen ze bij de ouders van Rien in. Dan gaan ze op de
Krommehoek wonen. In 1926 verhuizen Rien en Kee naar de Glashorsterdijk nummer 100, in die tijd is de adresaanduiding B71. Ze huren daar een woonhuis met schuur, erf en grond met een oppervlakte van ruim 1800 m2 en een boomgaard van 16.590 m2.
Daar begint Van den Broek zijn fruitkwekerij. Op het erf houdt Rien ook wat kippen en een paar varkens. Rien pacht daarnaast in 1947 nog 3 ½ ha grond waarvan 2 ha als boomgaard is ingericht en de rest grotendeels gebruikt wordt als grasland. Daarvoor betaalt hij ongeveer duizend gulden per jaar. Het contract loopt door tot 1965. In de overeenkomst is nauwkeurig omschreven welke voedingsstoffen Van den Broek in welke hoeveelheden jaarlijks moet uitstrooien over de grond. Ook zijn er bepalingen opgenomen
Kee en Rien van den Broek, 1947 over het deskundig snoeien en besproeien van
de fruitbomen. Het onderhoud van de schuur, de sproeimachine, de cultivator en de overige gereedschappen die bij de pacht zijn inbegrepen zijn voor rekening van Rien. Van den Broek is verder verplicht jaarlijks 300 kilo van de opbrengst van de boomgaard af te staan aan de verpachter. Later koopt Rien een deel van de boomgaard en een ander gedeelte komt in eigendom van de familie Waayer uit Amsterdam die daar een zomerhuisje op bouwt.
In 1949 kopen Rien en Kee het huis met de opstallen en de bongerd van huisbaas W.G. Renes. Het echtpaar krijgt twee kinderen: Teus (1922) en Joke (1924). Dochter Joke trouwt in 1946 met Ma hijs Kleinveld uit Woudenberg. Zij gaan aan de Lindenlaan wonen waar Ma hijs en Joke een administratiekantoor beginnen.
In zijn bongerd teelt Rien allerlei soorten bessen, appels, peren en pruimen. De fruitbomen zijn allemaal van het toentertijd gangbare type hoogstam. In het oogstseizoen staat Rien al heel vroeg op om het fruit dat op de grond is gevallen te rapen. Bij zonsopgang staan de reeën en fazanten al klaar om het die nacht gevallen fruit op te peuzelen.
De Scherpenzeelse huisvrouwen staan ’s Vlnr: Rien, Jo, Teus en Kee van den Broek morgens al vroeg in de rij om de goedkope valappels voor een prikkie te kopen om er appelmoes van te maken. Het fruit wordt met een bascule afgewogen. Voor het plukken van bessen en andere vruchten zijn huisvrouwen en veel schoolkinderen beschikbaar die graag na schooltijd, in het weekend en in de vakanties een centje bijverdienen. Vanzelfsprekend is dat onder schooltijd verboden. Rien krijgt op zeker moment een dagvaarding, omdat hij een meisje zou hebben on rokken aan de leerplicht door haar onder schooltijd in zijn bongerd te laten werken. Rien is zich van geen kwaad bewust. Een veroordeling hangt hem boven het hoofd. Hij moet voorkomen en vertelt de rechter ‘dat hij er niets van wist’.
Hij roept een getuige a décharge op: de moeder van het meisje waar het om gaat. Zij verklaart dat zij degene is geweest die haar dochter naar Rien van den Broek hee gestuurd om fruit te plukken. Zo ontspringt Rien de dans.
Het fruit wordt in de schuren bij de boerderij opgeslagen. In de boomgaard is ook een opslagruimte voor fruit, voorwerpen en gereedschappen. De fruitoogst wordt door expeditiebedrijf Druijff uit Woudenberg naar de veiling in Amersfoort gebracht.
Om vogels die het voorzien hebben op het fruit uit de boomgaard te weren hee Rien een jachtvergunning. Hij mag houtduiven, zwarte en bonte kraaien, roeken, kauwen, vlaamse gaaien en eksters afschieten met een hagelgeweer. Op zon‐ en (christelijke) feestdagen mag er niet geschoten worden. Ook in het jachtseizoen wordt er op schadelijk wild in de boomgaard gejaagd. Met een drijfkacht wordt het wild naar de rand van de boomgaard gedreven om vervolgens door jagers onder vuur te worden genomen.
Kennelijk levert de fruitboomgaard van Rien onvoldoende op, want hij besluit het merendeel van de bomen in de bongerd om te zagen en over te schakelen op het houden van vee. Naast een paar honderd kippen houdt Rien varkens en een stuk of acht melkkoeien. In 1966 levert Rien 9386 kilo melk aan zuivelfabriek De Vooruitgang in Woudenberg. De ordenpaarden helpen Rien met het zware werk.
Voor de liefhebberij hee
Jagers en drijvers in de boomgaard. Rien ook een pony die hij voor de ponywagen spant en waarmee hij en zijn kinderen rondrijden. De ordenpaarden doen mee aan de keuringen van de ordenpaardenstamboekvereniging. Ook de IJslander Rosa gaat met Rien naar keuringen. Het is de lieveling van zoon Teus. Rien hee bij zijn huis te weinig grasland, zodat hij her en der in Scherpenzeel stukken grond pacht en koopt. Zo hee hij o.a. grasland aan de Industrielaan, bij ’t Witte Hek en de Polsche Steeg. Bij zijn boerderij hee hij een hooiberg. Echtgenote Kee raapt de eieren, vaak geholpen door andere familieleden. Rien draagt zorg voor varkens en de koeien. De eieren gaan naar de markt in het dorp. Voor eigen gebruik slacht Rien tegen de winter een varken. In de droogkast in de boerderij hangen de metworsten.
In 1962 verkopen Rien en Kee hun huis aan familie Bieshaar van boerderij De Wittenberg en vertrekken ze naar Glashorsterdijk 88. Ze blijven daar niet tot het eind van hun leven. Kee wordt later opgenomen in de Lisidunahof in Leusden waar ze in 1983 overlijdt als ze 80 jaar is. Rien verhuist kort voor zijn overlijden in 1994 naar het Huis in de Wei, daar overlijdt hij na enkele maanden op 95‐jarige leeftijd.
Melkboer Teus van den Broek
Teus van den Broek, zoon van Rien en Kee, treedt niet in de voetsporen van zijn vader. Na de mulo begint hij begin jaren vijftig een groothandel in snoepgoed. Eerst fietst hij door half Nederland heen om zijn waren aan de man te brengen. Hij klapt zijn monsterkoffer met snoepgoed open en neemt de bestelling op die hij kort daarna bezorgt. Later bezoekt hij zijn klanten met een T‐Ford. De snoepvoorraden heeft Teus in grote potten op de vliering
in zijn ouderlijk huis opgeslagen. Hij trouwt in 1953 met Tonny Bruggink die bijna zeven jaar jonger is. Tonny helpt haar schoonvader in de boomgaard, waar ze veel plezier in hee . Ze kan het erg goed vinden met haar schoonouders. Teus en Tonny verhuizen naar Baarn als ze daar een melkzaak kunnen kopen. Dat betekent het einde van de handel in snoepgoed. In Baarn vent Teus met zuivelproducten, terwijl zijn echtgenote de klanten in de winkel die bij de zaak hoort bedient. Teus hee twee melkwijken. De ene wijk neemt hijzelf voor zijn rekening en de andere laat hij aan een werknemer over. Helaas moet hij hem later vanwege diefstal ontslaan. Dat is een grote domper voor Teus en Tonny die veel vertrouwen in hun medemens hebben. Tonny herstelt daarnaast nylonkousen. Tot haar klanten behoort ook het Koningshuis. Ze repareert de kousen van Koningin Juliana en de prinsessen. Later komen ook veel Scherpenzeelse dames bij haar om de ladders in hun nylonkousen te laten herstellen.
Teus en Tonny verhuizen in 1959 naar Scherpenzeel. Ze kopen een stuk grond op de Glashorsterdijk van oom Herman van den Broek waarop een dubbel woonhuis wordt gebouwd waarin ze in 1960 gaan wonen. Tot die tijd wonen ze in een noodwoning naast het ouderlijk huis
van Teus. Teus en Tonny krijgen twee kinderen: HansPeter is in 1958 in Baarn geboren en Yvonne in 1959 in de noodwoning aan de Glashorsterdijk.
Teus begint in 1960 zijn melkhandel in Scherpenzeel. In het koele spoellokaal staan de melkbussen en andere zuivelproducten, in de garage de kratten met frisdrank en andere levensmiddelen. Regelmatig komen klanten aan huis met een melkkan. Tonny schept het kannetje vol met melk uit een van de melkbussen. De melk die Teus uitvent komt van De Vooruitgang. Melkrijder Niek Lagerweij levert de melkproducten af op Plein 1940 waar Teus en
andere melkventers de bestelling in ontvangst nemen. Tonny en Teus van den Broek
Als het ’s winters koud is, is de warme bakkerij van Van Engelenhoven een prima toevluchtsoord.
Eerst vent Teus met een bakfiets, daarna doet de ijzeren hond zijn intrede en vervolgens scha Teus een bestelbus aan waarmee hij de klanten in zijn wijk dagelijks bezoekt. In de zomervakantie wordt de bus tot camper omgetoverd. De melkwijk behelst het Oosteinde, de Hopeseweg, de Oude Barneveldseweg, het Musschennest, de Dorpsstraat,
vanaf het Oosteinde tot de kerk, Plein 1940 en de 1959 woningen rondom de grote kerk.
Boudewijn Kleinveld, kleinzoon van Rien en Kee van den Broek, helpt zijn ome Teus vanaf zijn 11e jaar. Dat doet hij jarenlang zaterdags en in de vakanties. Daarvoor betaalt oom Teus hem goed. Hoewel hij natuurlijk nog geen rijbewijs hee , vertrouwt Teus hem het rijden in de bestelwagen volledig toe. Zijn zwager Ma hijs Kleinveld hee een boekhoudkantoor waar Teus in drukke tijden nog weleens bijspringt. Teus maakt lange werkdagen en ‐weken. Hij hee soms geen tijd om een bestelling in Amersfoort
op te halen. Met een gerust hart laat hij
Glashorsterdijk 92
Boudewijn dat doen. Dat loopt maar net goed af, want bij een verkeerscontrole in Leusden wordt Boudewijn gelukkig niet aangehouden. In Scherpenzeel komt hij politieagent Hietbrink tegen als hij de auto bestuurt. Hietbrink steekt vriendelijk zijn hand op en fietst verder.
Teus verkoopt zijn melkzaak in 1968 aan Ben IJff voor twaalfduizend gulden. Huib Verkerk vent voor Ben IJff in de wijk die hij van Van den Broek hee gekocht. Teus’ gezondheid verhindert hem het zware werk nog langer goed te kunnen doen. Hij gaat bij zijn zwager Ma hijs Kleinveld werken. In 1974 krijgt Teus een harts lstand als hij in het ziekenhuis op de uitslag van een ecg (har ilmpje) wacht. De artsen zijn er snel bij en Teus wordt gereanimeerd. Een vriend van Teus is Joop van Asselt bij wiens accountantskantoor hij na zijn herstel gaat werken. In 1979 kopen Teus en Tonny een bungalow in Achterberg. Ze verhuizen dan van de Glashorsterdijk 92 naar Achterberg. Teus hee verschillende Scherpenzeelse klanten waar hij regelma g met veel plezier komt. Onder hen Autobedrijf Jan van Bennekom, Marius den Hartog van de Witte Pomp en schoenmaker Gerrit Geytenbeek. In 1993 vertrekken
Teus en Tonny naar Rhenen waar ze vlakbij dochter Yvonne Yvonne en Hans‐Peter van den Broek gaan wonen.
Teus overlijdt in 2004 op 82‐jarige leeftijd in het ziekenhuis. Zijn echtgenote Tonny is in 2014 op haar 85e verjaardag in een verpleeghuis waar ze vijf jaar gewoond hee overleden. Yvonne hee na haar opleiding zeven jaar bij de WSB Interieurbouw in Scherpenzeel naast haar ouderlijk huis gewerkt, nu woont ze in Kesteren. Hans Peter is al in 1989 naar Spanje verhuisd. Daar is hij nu universitair docent sociologie aan de universiteit van Oviedo.
Wim van den Berg
VERBORGEN VERLEDEN
Neeltje Ravenhorst
Proloog
Het is maart 2020 en ik ben eigenlijk van plan om op zijn vroegst in de winter van 2020/2021 maar weer eens in de geschiedenis te duiken. Maar dan………is er Corona, het regent en het waait. Dus je moet wat. Kiezen tussen beginnen aan de eindeloze klussenlijst of je verstoppen achter je laptop en roepen dat je heel druk bent met het wegwerken van administratieve achterstanden. U begrijpt, ik heb voor het laatste gekozen. Of het geloofd werd, is een tweede.
Zo kwam ik toch weer terecht bij mijn stamboom, die nooit af is en ook nooit af zal komen. En zo kom je ook weer terecht bij namen en jaartallen die op een gegeven moment ook niet zoveel meer zeggen.
Het wordt, vind ik, een stuk interessanter als je kijkt naar een tv‐serie zoals ‘HET VERBORGEN VERLEDEN’ (een absolute aanrader, red.). Door terug te gaan naar de plaatsen waar het allemaal gebeurde en met de verhalen er achter, komen geschiedenis en mensen als het ware weer tot leven.
In deze Corona‐ jd heb ik daarom een poging gedaan om de levensloop van Neeltje Ravenhorst ‘tot leven te brengen’. Omdat haar leven zich voor een heel groot deel afspeelt in en rondom agrarisch Scherpenzeel, leek het me ook wel wat voor ons verenigingsblad.
Even vooraf: Neeltje Ravenhorst is mijn oma van moederskant.
Genealogisch zit dat zo:
Tip: genealogie is in Corona jd een hele veilige hobby met weinig fysiek contact!
(Voor)ouders van Neeltje Ravenhorst
Neeltje is geboren op 5 januari 1892 in Soest. Haar vader was boerenzoon Lubbert Ravenhorst, zoon van Wijnand Ravenhorst landbouwer in de Groep op boerderij ‘t Groepje (toen gemeente Leersum) en Trijntje van Ginkel.
Wijnand van Ravenhorst ’t Groepje
(1822‐1915)
Uit het mili eregister blijkt dat Lubbert 1,646 m groot was. Op 13 maart 1882 krijgt hij vrijstelling van militaire dienst wegens broederdienst.
Registra e Lubbert in mili eregister
Lubbert trouwt op 24 mei 1890 in Scherpenzeel met boerendochter Gijsje Wolswinkel, dochter van Jan Wolswinkel, boer op Klein Orel in Scherpenzeel, en Neeltje ter M(a)aten (dochter van Peter ter Maaten en Gijsbertje Hooijer van Groot Dashorst.
Ook van Gijsje Wolswinkel heb ik geen foto’s kunnen vinden. Wel van haar vader Jan Wolswinkel voor de schouw op Klein Orel.
Klein Orel
Op de geboorteakte wordt vermeld dat de aangifte wordt gedaan in Scherpenzeel door Lubbert Ravenhorst van beroep landbouwer, wonende te Leersum (de Groep).
Hij verklaart dat ‘zijne echtgenoote Gijsje Wolswinkel op 20 oktober ’s morgens om 6 uur is bevallen van een dochter, ten huize van haare ouders op Klein Orel in Scherpenzeel’.
De verklaring geschiedt in het bijzijn van zijn schoonvader Jan Wolswinkel van Klein Orel die de akte mede ondertekent, overigens met de naam Jan Wolleswinkel (!)
Het jonge echtpaar had dus na hun huwelijk eerst nog geen eigen huis/boerderij.
Blijkbaar was die mogelijkheid er wel in Soest want het jonge gezin verhuist naar Soest. Hoe dat gegaan is, is niet bekend.
Aangi e geboorte Trijntje (oudste zus oma Neeltje)
Wellicht zijn ze ge pt door een familielid. Er woonden in ieder geval meer Ravenhorsten in
Soest.
Hoe dan ook, vader Lubbert, moeder Gijsje en zusje Trijntje betrekken in het voorjaar van 1891 een boerderij in Soest op het adres Achter den Eng, wijk C nr.23. In het bevolkingsregister staat genoteerd dat vader
Lubbert landbouwer is. Op het adres wonen ook een boerenknecht en een dienstmeid. Blijkbaar was het boerenbedrijf groot genoeg om er een knecht en een meid op na te houden. Grote weelde zal het overigens niet geweest zijn want op de website van Oud Soest vond ik de uitspraak: ‘Eens was Soest een boerendorp. De boerenstand van weleer was in grote lijnen verdeeld in rijke en arme boeren. De rijke boeren woonden aan de kant van de Eem en de arme boertjes op de zandgrond ‘n’achte de Neng’ , zei een oom van mij al jd en dan bedoelde hij achter de Eng het tegenwoordige Soester Veen’.
Op 5 januari 1892 wordt op dit adres (oma) Neeltje geboren.
Aangi e geboorte van Neeltje in Soest
Op 26 februari 1893 krijgen Trijntje (oktober 1890) en Neeltje (januari 1892) er een zusje bij: Wijntje. Weer een jaar later op 20 februari 1894 wordt broertje Jan geboren. Deze lee slechts 9 maanden. Hij overlijdt op 22 november 1894. Moeder Gijsje was op dat moment alweer 5 maanden zwanger want op 31 maart 1895 wordt Janna geboren. Ruim 2 weken na de geboorte van Janna op 18 april 1895 vertrekt het gezin uit Soest en wordt er verhuisd naar Renswoude, met als adres nr. 138.
Uit het Boerderijenboek van Egbert Wolleswinkel blijkt dat het adres nr.138 van toen (1895) nu Buursteeg 4 in de Schalm in Renswoude is, vlakbij Buursteeg 4 (2019) de voormalige camping de Ba erijen en het
huidige infocentrum van de Grebbelinie.
Blijkbaar konden Lubbert en Gijsje na 4 jaar heel dicht in de buurt van waar Lubbert vandaan kwam (‘t Groepje), iets anders/beters krijgen.
In de Schalm wordt op 14 maart 1896 broertje Wijnand geboren. Het gezin bestaat dan uit 7 personen.
Daarna slaat het noodlot toe en volgen de drama sche gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op:
‐ 7 november 1896 zusje Janna overleden (oud 1 jaar en 7 maanden)
‐ 6 januari 1897 Vader Lubbert overleden (oud 34 jaar)
‐ 12 januari 1897 Wijnand overleden (oud 10 maanden
In een jd van ruim 2 maanden overlijden na Jantje (in 1894 Soest) in Renswoude dus nog eens drie gezinsleden: vader Lubbert en 2 kinderen.
Uit de mondelinge overlevering van mijn oma heb ik begrepen dat de vele overlijdens te maken hadden met de ‘vliegende tering’. Vliegende tering was in de volksmond de aanduiding voor acute (snel verlopende) tuberculose. Op de website ‘Historische Rampen in Nederland’ wordt voor de periode 1887‐1910 aangegeven: ‘tuberculose epidemie in geheel Nederland’. Dus dat lijkt te kloppen.
| NB Een van de manieren waarop mensen konden worden geïnfecteerd is door consump e van voedsel dat tuberculosebacteriën bevat. Zo kunnen mensen besmet raken door het drinken van melk van koeien die lijden aan rundertuberculose. Rundertuberculose wordt veroorzaakt door Mycobacterium bovis. In Nederland kwam deze wijze van besme ng vroeger veel voor, maar dit werd met succes bestreden door het invoeren van gepasteuriseerde melk en het tbc‐vrijmaken van de veestapel. |
Hoe dan ook, moeder/boerin Gijsje is dan 34 jaar en blij achter op de boerderij in de Schalm met drie dochters: Trijntje (6 jaar), Neeltje (5 jaar) en Wijntje (bijna 4 jaar).
Dat was in het Nederland van 1897 zeker geen gemakkelijke opgave. Sociale voorzieningen waren er niet, dus ben je helemaal aangewezen op jezelf, de familie en hulp. Waar haal je hulp vandaan?
Ik doe een gok. Je informeert bij familie, vrienden of buren of iemand nog een jonge (goedkope) boerenknecht kent. En ja hoor, ze weten er één. Hij heet Paulus Klijer,19 jaar oud, kan werken als een peerd en komt, zoals in die tijd gebruikelijk, inwonen.
Uit de archieven blijkt dat Paulus niet alleen hard kon werken want op 18 februari 1898 –ruim 1 jaar na het overlijden van Lubbert‐ trouwen Gijsje en Paulus. Gijsje is dan 35 en al 7 maanden zwanger! Paulus is dan net 20 jaar. Op 14 april 1898 wordt zoon Jan Klijer geboren, hal roer dus van Trijntje, Neeltje en Wijntje. Bij de aangifte van de geboorte wordt als adres ook weer nr. 138 opgegeven.
Conclusie: de inwonende Paulus Klijer en Gijsje hebben in rap tempo van de nood een deugd gemaakt.
Hun geluk duurt echter niet lang want vier jaar na de geboorte van hal roer Jan Klijer is het weer mis. Op 20 april 1902 overlijdt moeder Gijsje (39 jaar oud) en blij Paulus Klijer alleen achter met een zoontje van 4 jr. (Jan) en 3 s efdochters van resp. 11 jr. (Trijntje), 10 jr.(Neeltje/ oma) en 9 jr. (Wijntje) oud. Paulus zelf is dan pas 24 jaar oud.
Blijkbaar was dat geen houdbare situatie en moest de familie iets doen met als resultaat dat de zusjes uit elkaar moesten. ‘Dat vond ik wel erg, heb ik mijn oma weleens horen zeggen’ maar dat was dan ook alles.
De oudste en jongste (Trijntje en Wijntje) werden ondergebracht in het Groepje op de ouderlijke boerderij waar Lubbert vandaan kwam. Daar woonde behalve opa Wijnand Ravenhorst (weduwnaar), tante Dirkje Ravenhorst, een zuster van Lubbert die getrouwd was met Willem van Ginkel. Dirkje en Willem van Ginkel namen de zorg voor Trijntje en Wijntje op zich.
‘t Groepje in 2016 met de huidige boer Jan van Ginkel. Voor de (vele) voetballiefhebbers onder u is het natuurlijk overbodig om te melden dat Jan van Ginkel een noeste middenvelder was in het 1e el al van Valleivogels dat in 1983 na een legendarische beslissingswedstrijd in Arnemuiden, promoveerde naar de hoogste afdeling in het amateurvoetbal. Voor de enkeling die hiervan niet op de hoogte is: bij deze. Jan is een achterkleinzoon van Willem en Trijntje.
De middelste (oma Neeltje) kwam op eenjarige leeftijd terecht op boerderij Klein Orel bij haar opa en oma van moeders kant, te weten de al genoemde Jan Wolswinkel die getrouwd was met Neeltje ter Maaten waar ze naar vernoemd is.
Opa en oma Wolswinkel waren op dat moment allebei 73 jaar en dus al behoorlijk op lee ijd. Bovendien zal de sfeer op Klein Orel op zijn zachtst gezegd zeer bedrukt zijn geweest. Want uit de archieven blijkt dat niet alleen hun dochter Gijsje in april is 1902 overleden maar een paar weken daarvoor ook haar broer Cornelis. Cornelis was de 40–jarige ongehuwde, nog op Klein Orel thuiswonende, zoon. Als beroep van Cornelis wordt ook landbouwer aangegeven. Van de drie kinderen die ze hadden lee dan alleen Breunis nog. Deze is getrouwd in 1884 en woont op Klein Kolfschoten. Wel vlak in de buurt.
Uit de mondelinge overlevering heb ik begrepen dat er op de boerderij ook nog een knecht woonde met wie oma Neeltje het goed kon vinden. Of ze in Scherpenzeel naar school is gegaan weet ik niet. Leerplicht bestond toen niet. Wel is uit de mondelinge overlevering ook naar voren gekomen dat Jan en Breunis Wolswinkel graag een borrel dronken, zeker op marktdagen.
‘Gooi de poorten maar open’ zou Jan richting knecht geroepen hebben als hij met paard en wagen Klein Orel naderde, terugkomend van de markt. Vele jaren later kregen neef Ma hijs Wiggeman en ik dat op een verjaardag lachend van oma te horen: ‘oh gut, net Jan van Klein Orel en Dolle Breunis’. (red. geen conclusies aan verbinden svp)
Op 24 oktober 1905 overlijdt Jan Wolswinkel. Na het overlijden wordt er ‘Er uis’ gehouden. De inboedel wordt bij opbod verkocht, de boerderij zelf was gepacht van het landgoed Scherpenzeel. Op 5 februari 1906 gaat Neeltje ter Maten als weduwe terug naar Voskuilen (Woudenberg) waar ze vandaan komt, naar Groot Dashorst dus. Haar kleindochter (oma Neeltje) gaat met haar mee en ook haar oudere zus Trijntje komt daar wonen. Oma Neeltje is dan net 14 jaar.
Groot Dashorst 2020
Hoe lang ze daar gewoond hee is niet bekend. Waarschijnlijk niet al te lang want Neeltje ter Maten overlijdt op 24 oktober 1908 op de lee ijd van 81 jaar. Oma Neeltje is dan bijna 17. Op jonge lee ijd ging ze ergens ‘dienen’. Dit hield in dat je ging inwonen bij het gezin (de boerderij) waar je ging dienen. Uit het dienstbodenregister blijkt dat ze eerst ging dienen in Amerongen en daarna van 1911‐1916 in Woudenberg bij J.Wolfswinkel en E ter Maaten.
In de periode dat oma Neeltje ‘diende’ ontmoet ze op een bepaald moment Ma hijs van
Kolfschoten. Toevallig of gekoppeld? Opmerkelijk is in ieder geval dat de jongere broer van Ma hijs: Antonie (Toon) van Kolfschoten trouwt met Trijntje Ravenhorst, de oudere zus van oma.
Neeltje Ma hijs
Op 7 januari 1916 trouwt Neeltje met Ma hijs van Kolschoten.
Wat weten we van Ma hijs van Kolfschoten?
Ma hijs van Kolfschoten (mijn opa dus) is een zoon van Jan van Kolfschoten (1859‐1933), getrouwd met Klaasje van Ginkel (1860‐1928).
Genealogisch zit dat zo:
Jan van Kolfschoten was landbouwer en veehouder op Groot
Jan van Kolfschoten en Klaasje van Ginkel Landaas, een hofstede die hij in 1910 hee gekocht (bron: genealogisch onderzoek Druijff‐Kolfschoten.)
Ma hijs groeit dus op, op Groot Landaas.
Op 20 december 1906 wordt hij gekeurd voor militaire dienst en goedgekeurd. Uit het mili eregister blijkt dat hij 1,635 m groot is. Hij krijgt lotnummer 13. Of hij later daadwerkelijk werd ingeloot is niet bekend.
Nooit gehoord in ieder
Kaartje Groot Landaas geval.
Net als zijn broers Antonie (Toon) en Lammert is Ma hijs in de handel in graan/veevoer terecht gekomen.
Uit de overlevering heb ik begrepen dat het veevoeder werd betrokken van de Utreghtsche Fouragehandel en voederkoekenfabriek Hooghiemstra uit Utrecht.
Broer Toon hee dat uitgebouwd tot een eigen mengvoederbedrijf.
Links Ma hijs en Rechts (waarschijnlijkToon) bij Hooghiemstra
Na hun trouwen in 1916 gaan Ma hijs en Neeltje wonen aan de Nieuweweg in Gelders Veenendaal (gemeente Ede) tegenover de voormalige RK‐kerk (des jds gemeente
Renswoude), net voorbij de spoorwegovergang als je vanaf de Klomp komt.
Kwam moet ik eigenlijk zeggen. Want sinds kort kom je er alleen langs als je met de fiets door de nieuwe fietstunnel gaat bij het infocentrum van de Grebbelinie. Hemelsbreed is dit op een paar honderd meter van de Schalm/Buursteeg. Als beroep van Ma hijs wordt vermeld landbouwer/graanhandelaar.
In 1917 wordt daar dochter Klazina
Opa Ma hijs, oma Neeltje en Jan Gijsje (Bep) en Klazina (Klazien)
Vier jaar later begint de 2e wereldoorlog. Weer een spannende jd met onderduikers en schuilen in de kelder vanwege de vele bombardementen die door de geallieerden werden uitgevoerd op de spoorlijn Utrecht‐Arnhem‐Duitsland. Die spoorlijn lag maar op een paar honderd meter afstand van de boerderij en de bombardementen waren bepaald niet al jd even nauwkeurig. Posi ef punt van de oorlog was wel dat oudste dochter Klazina, na de oorlog met onderduiker
Wim Wiggeman trouwde. Het jonge stel trok voorlopig (woningnood) in op de boerderij aan de Nieuweweg. Jongste dochter Gijsje (Bep) trouwt in 1949 met Jan van den Ham en gaat in Scherpenzeel wonen.
Opa Ma hijs overlijdt in februari 1951 op 64‐jarige lee ijd. Oma Neeltje is dan 59.
De volgende rampspoed voltrekt zich in februari 1955 als schoonzoon Wim Wiggeman door een motorongeluk overlijdt.
Zij en haar dochter (met 2 jonge kinderen) blijven achter op de boerderij aan de Nieuweweg.
In 1956 wordt de boerderij verlaten en verhuizen oma Neeltje en haar dochter en haar 2 kinderen naar een woning aan de Glashorst in Scherpenzeel.
Ergens halverwege de jaren ’60 krijgt ze daar nog bezoek van Jan Klijer, haar naar Amerika geëmigreerde hal roer die samen met zijn vrouw een bezoek bracht aan familie in Nederland.
Zij blij op Glashorst wonen tot aan haar dood in 1972 op tachtigjarige leeftijd.
Glashorst 48 Oma met hal roer Jan Klijer
voor het huis aan de Glashorst
Als je dat zo allemaal terugleest dan besef je eigenlijk pas goed dat oma Neeltje het lang niet altijd makkelijk moet hebben gehad.
Op vijfjarige leeftijd hee ze al 4 begrafenissen meegemaakt: haar vader, 2 broertjes en een zusje.
Op 10 jarige leeftijd verliest ze ook haar moeder en is ze wees – Als weeskind wordt ze gescheiden van haar 2 zussen.
Ze wordt ondergebracht bij haar grootouders op Klein Orel waar dan net haar oom Cornelis is overleden.
Als grootvader overlijdt, verhuist ze als 13‐jarige met haar grootmoeder Neeltje ter Maaten naar Voskuilen (Groot Dashorst), waar Neeltje ter Maaten vandaan komt
Als 16/17‐jarige, na het overlijden van haar grootmoeder, gaat ze ergens ‘dienen’
Ze trouwt ten tijde van de 1e wereldoorlog die gevolgd wordt door de crisis van de jaren 30.
In 1936 verliest ze haar 11‐jarige zoon
In 1940 volgt de 2e wereldoorlog met spanning, onderduikers en bombardementen op de spoorlijn.
In 1951 op 59 jarige leeftijd wordt ze weduwe – In 1955 verliest ze haar inwonende schoonzoon.
In 1956 verhuist ze als weduwe met dochter (en 2 kinderen) naar de Glashorst in Scherpenzeel.
Ik heb haar op de Glashorst niet anders gekend dan als een goedgemutste, meestal opgewekte oma, al jd kwiek in de weer in de tuin of krentenbrood bakkend (elke week).
Achteraf krijg je daar toch een ander beeld bij.
Hans van den Ham
MARKANTE SCHERPENZELERS
In de serie “Markante Scherpenzelers” belichten we dorpsgenoten die om wat voor reden dan ook een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten. Dat kan omdat ze voor de dorpsgemeenschap een bijzondere betekenis hebben gehad, maar dat kan ook omdat ze als persoon zelf bijzonder waren.
In deze aflevering:
Burgemeester Carel Paulus Hoytema van Konijnenburg.
Carel Paulus is burgemeester van Scherpenzeel van 1936 tot 1969. Hij wordt geboren op 15 februari 1904 te Bergambacht als zoon van Pieter Hoytema van Konijnenburg en Maria Louise
Frijlinck. Vader Pieter Hoytema van Konijnenburg (1868 – 1921) is een zoon van Jacobus van
Konijnenburg (1837–1909) en Aetske Pieters Hoytema (1842– 1900). Opa Jacobus is onder andere graanhandelaar en koopman. Vader Pieter heet bij zijn geboorte dus alleen Van Konijnenburg met de achternaam. In 1893 besluit hij kennelijk om een wat de iger achternaam aan te nemen. Hij vraagt en krijgt in 1893 de achternaam Hoytema van Konijnenburg en wordt daarmee ook de stamvader van de tak met deze naam.
Pieter Hoytema van Konijnenburg trouwt op 15 mei 1901 in Nijmegen met Maria Louise Frijlinck (1872–1950) en is burgemeester van beroep, achtereenvolgens van de plaatsen Bergambacht (1895–1907), Enkhuizen (1907–1915) en Naarden (1915–1921). Van vader Pieter is een fraai portret bewaard gebleven, waarop hij te zien is in ambtskostuum, compleet met degen en steek. Een ambtskostuum wat we later bij onze eigen burgemeester nog terug zullen zien…
Van de jeugd van Carel Paulus is niet veel bekend. Hij hee een twee jaar oudere broer: Jacobus. Als Koningin Wilhelmina in 1914 een bezoek brengt aan Enkhuizen of
Naarden krijgt zij een boeket aangeboden van de 10‐jarige Carel Paulus, netjes gekleed in een matrozenpakje. Zijn vader staat toe te kijken.
Op 20 april 1923 wordt Carel Paulus gekeurd voor militaire dienst. Hij is dan woonachtig in Naarden. Carel Paulus geeft als voorkeuren wielrijder en motorrijder bij de motordienst op. Hij wordt goedgekeurd voor de dienst, maar wordt vrijgesteld voor de dienstplicht vanwege broederdienst.
Op 25‐jarige leeftijd trouwt Carel Paulus Hoytema van Konijnenburg op 18 september 1929 in Brakel met de dan 21‐jarige Gerda van Dalen.
Gerda is geboren op 3 juni 1908 in Brakel als dochter van Steven van Dalen, burgemeester van Brakel en Poederoijen en Maria Hendrika Geertruida de Jongh. Er worden twee kinderen geboren uit het huwelijk tussen Carel Paulus en Gerda: dochter Marie Louise, geboren op 15 december 1931 en zoon Pieter Jacobus, geboren op 5 februari 1933. Beiden worden in Den Haag geboren.
Het Nationaal Crisiscomité
Ook in 1929 studeert Carel Paulus af in de rechten te Leiden waarna hij zich vestigt als advocaat en procureur in Den Haag. Of Carel Paulus als advocaat erg succesvol is, is maar de vraag. Hij komt vooral voor in faillissementszaken waarin hij als curator optreedt. Dat is misschien ook wel de reden dat Carel Paulus in 1933 secretaris wordt van het Nationaal Crisiscomité.
In 1931 richt prinses Juliana het Nationaal Crisiscomité op om de gevolgen van de toen heersende crisis te verzachten. Slachtoffers van de crisis die niet door al bestaande regelingen
kunnen worden ondersteund, vooral de kleine zelfstandigen, Penning van het Nationaal moeten door het comité uit de nood worden geholpen. Elke Crisiscomité grotere stad hee een lokale afdeling, aangestuurd vanuit Den Haag. Inwoners van het land kunnen het comité steunen door bijvoorbeeld mee te doen met prijsvragen. De antwoorden worden met de post verstuurd en door extra postzegels te plakken komt er extra geld binnen.
Als secretaris ziet Carel Paulus erop toe dat dit alles netjes verloopt.
In een bijna aandoenlijk krantenartikel wordt omschreven hoe Carel Paulus een stapeltje enveloppen toont, welke extra gevuld zijn met postzegels, soms wel met een waarde van een rijksdaalder….
Volgens een andere bron hee de crisis zelf ook niet veel om het lijf en als de belangstelling voor het comité vanuit de bevolking opdroogt, he het Nationaal Crisiscomité zichzelf op 2 mei 1936 op. Voor Carel Paulus is dan de vraag wat de volgende stap in zijn carrière wordt. Jacobus, de oudere broer van Carel Paulus, maakt ondertussen een fraaie carrière in het leger, hij is onder andere luitenant bij het regiment Huzaren en later bij de rijdende Artillerie in Amersfoort. Daarnaast schi ert Jacobus in de paardensport, onder meer in de veldcross, waar hij vaak eerste prijzen haalt en
lovende recensies in de kranten. Jacobus treedt hiermee in de spotlights en verbleekt hiermee misschien zijn jongere broer Carel Paulus?
Vanaf 1933 hee Carel Paulus ook een baan binnen de gemeentelijke administratie van Amsterdam, maar wat zijn exacte functie hierin is geweest, is niet duidelijk geworden.
Burgemeester van Scherpenzeel
In 1936 is jonkheer Frits Roëll burgemeester van Scherpenzeel. Roëll moet echter om gezondheidsredenen al vroeg het ambt vaarwel zeggen en er wordt gezocht naar een vervanger. Broer Jacobus Hoytema van Konijnenberg woont in die jd in Amersfoort en is hiervan misschien wel op de hoogte geweest.
In principe wordt een kandidaat voor een burgemeestersfunctie door de minister van Binnenlandse Zaken voorgedragen op aanbeveling van de betreffende gemeenteraad, maar na enig Haags lobbyen wordt Carel Paulus als enige kandidaat naar voren geschoven als zijnde een geschikte kandidaat. Als het Nationaal Crisiscomité is opgegeven is Carel Paulus dus niet lang werkeloos, want binnen twee weken, op 15 mei 1936, wordt hij benoemd als burgemeester van Scherpenzeel.
Op dinsdag 18 mei 1936 wordt de nieuwe burgemeester met feestelijk vertoon onthaald in het dorp. Om 2 uur ’s middags w arriveert hij aan de grens van het dorp waar een een “lange stoet belangstellenden en vereenigingen met hun vaandels” aanwezig zijn, aldus het krantenbericht. Hendrik Valkenburg, voorzitter van de Oranjevereniging, spreekt een welkomstwoord en na het spelen van het Wilhelmus trekt de stoet naar het toen nog nieuwe gemeentehuis. Het ereescorte wordt gevormd door 32
Valleiruiters en gekostumeerde
Het burgemeestersechtpaar wordt onthaald in het dorp ruiters van “De Toekomst”. Na een tocht door het dorp en een feestelijk onthaal bij het gemeentehuis vindt een openbare raadsvergadering plaats voor de officiële installatie. In zijn toespraak vermeldt de burgemeester – volgens de Barneveldse krant‐‐: “”met gevoelens van leedwezen gedenk ik hier het treurige heengaan van Jhr. Roëll””. Is de nieuwe burgemeester of is de krant slecht geïnformeerd? Of hee de krant de toespraak verkeerd geciteerd? Bijzonder is het wel, want Jonkheer Frits Roëll zal immers pas in 1984 overlijden….
De formele inhuldigingsfoto voor het toenmalige gemeentehuis
De nieuwbakken burgemeester wordt al op dezelfde dag aan het werk gezet. De feestelijkheden in het dorp verplaatsen zich in de avond naar de lokale cafés en in één café breekt een forse vechtpartij uit tussen Veenendaalse en Scherpenzeelse jongeren. Er vallen maar liefst 3 ernstig gewonden, waaronder de Scherpenzeler J. van D., die in de rug is gestoken. Het café wordt door de net geïnstalleerde burgemeester samen met de Rijkspoli e ontruimd. Meerdere personen worden ingesloten voor de vechtpartij, maar ook ter ontnuchtering.
Het gezin Hoytema van Konijnenburg gaat wonen in het Van Naamenhuis, op de hoek van de Dorpsstraat en Burg. Royaardslaan.
Aan de slag
Carel Paulus gaat voortvarend aan de slag als nieuwe burgemeester. Eén van de zaken die hij in de tweede hel van de jaren ’30 oppakt is de verbetering van de oude straatweg door het dorp, gevormd door Oosteinde, Dorpsstraat, Westeinde en Stationsweg. Deze doorgaande weg is één van de drukste wegen in het land en de hoofdverkeersweg tussen Arnhem en Utrecht. De wegis in slechte staat en eigenlijk te smal voor het steeds drukkere verkeer. Om de weg breder te maken moeten sloten worden gedempt, bomen gerooid en veel particulieren verkopen één tot anderhalve meter grond aan de gemeente. Hierdoor ontstaat een wegbreedte van 12 meter.
Ook gaat de burgemeester aan de slag met de verbetering van het afwateringskanaal, het Valleikaal. De afwatering van de Gelderse Vallei is namelijk nog steeds niet goed geregeld. Mede door toedoen van Carel Paulus komen er extra stuwen in het kanaal en een aantal nieuwe bruggen.
Alg. Handelsblad dd 04 febr. 1938: ”Een edelachtbare Geus – In Scherpenzeel is de geboorte van het prinsesje Beatrix o.a. gevierd met de opvoering van de inneming van Den Briel. Burgemeester Hoytema van Konijnenburg (zittend) hee hieraan als één der Geuzen meegedaan”
Bijzonder is dat de burgemeester al vroeg voorziet dat er een oorlog zal komen. Op 4 april 1938 houdt hij in de Sociëteit (in Boschzicht) een rede waarin hij oproept om verenigingen tot Luchtbescherming op te richten. Het is dan nog niet bekend dat de Grebbelinie een belangrijke rol zal gaan spelen in de aankomende oorlog en de burgemeester acht de kans klein dat er luchtaanvallen zullen komen in Scherpenzeel. De oproep slaat echter aan want in de pauze van zijn betoog melden zich al 51 deelnemers bij de burgemeester als lid van de plaatselijke Vereniging tot Luchtbescherming.
Het huwelijk loopt stuk
Het huwelijk tussen Carel Paulus en Gerda van Dalen verloopt ondertussen niet zo voorspoedig. Wat de precieze reden of aanleiding is, is niet bekend, maar op 29 januari 1938 wordt de echtscheiding uitgesproken in de gemeente Brakel. De kinderen zijn op dat moment 6 en bijna 5 jaar oud. Voor zover bekend zijn zij samen met hun moeder vertrokken uit Scherpenzeel en ook in dit verhaal verdwijnen zij uit het zicht.
Oorlogsdreiging
Velen hielden het voor onmogelijk maar in september 1939 maakt Nederland zich gereed voor een mogelijke oorlog met buurland Duitsland. De Grebbelinie wordt in ere gesteld, als er oorlog komt zal Scherpenzeel in de frontlinie komen te liggen. Het leger wordt gemobiliseerd en Scherpenzeelse mannen worden opgeroepen in dienst en verlaten huis en haard voor een onzekere toekomst. Honderden militairen komen vanuit alle streken, maar vooral uit Rotterdam naar het anders zo rus ge dorp en moeten onderdak krijgen. De gemeente met als woordvoerder de burgemeester vordert gebouwen en ruimtes om al die militairen te kunnen huisvesten. Als de dreiging van de oorlog nog groter wordt worden er plannen gemaakt om de gehele Scherpenzeelse bevolking te evacueren naar veiliger gebieden. Huis aan huis laat de burgemeester pamfle en verspreiden waarmee de bevolking wordt opgeroepen zich gereed te houden.
Kort vóór de oorlog zal losbarsten vindt er een ander drama plaats in het dorp: aan het Musschennest (nu: Oude Barneveldseweg) woont de familie Veer, een gezin met 8 kinderen. Op 24 april 1940 tre de 12‐jarige dochter Hendrika haar moeder levenloos naast het bed aan. Pas een dag later blijkt dat Heintje Veer‐Schreuder is vermoord en onder leiding van burgemeester Hoytema van Konijnenburg wordt een onderzoek ingesteld. Er wordt een revolver gevonden en al snel blijkt dat een zekere Hendrik van Raaij in de buurt is gezien. «Als Hendrik door de burgemeester wordt ondervraagd volgt al snel een bekentenis.
Oorlog
De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Als op 10 mei 1940 daadwerkelijk de oorlog uitbreekt worden de inwoners van Scherpenzeel en Woudenberg per trein geëvacueerd naar de Wieringermeerpolder. Waar de burgemeester naartoe gaat is niet bekend, maar vermoedelijk naar Den Haag.
Bij terugkomst blijkt een groot deel van het dorp verwoest te zijn. Een groot aantal inwoners hee geen dak meer boven het hoofd en zij worden jdelijk gehuisvest in noodwoningen. Een bijzonder gevolg van het oorlogsgeweld is dat alle fietsen uit Scherpenzeel zijn verdwenen, naar scha ng tussen de duizend en twaalfhonderd. Deze zijn gebruikt door militairen die zich terug moesten trekken. Er worden slechts een twintigtal fietsen onbeheerd terug gevonden en bij besluit van de burgemeester worden deze via een lo ng uitgedeeld aan diegenen die deze het hardst nodig hebben. De burgemeester haalt het landelijke nieuws met een oproep om elders aangetroffen fietsen terug te brengen naar Scherpenzeel. In diverse andere steden en dorpen worden er ac es opgezet om de daar aangetroffen en onbeheerde fietsen terug te brengen bij de feitelijke eigenaars, maar dat lukt slechts in enkele honderden gevallen. Het uit 1932 daterende gemeentehuis is volledig verwoest en ook het Van Naamenhuis, de woning van de burgemeester, was deerlijk gehavend door het oorlogsgeweld. “We gingen er met de paraplu op naar bed” zou de burgemeester hierover later vertellen.
Wederopbouw
De wederopbouw van het dorp wordt voortvarend opgepakt. Dat draagt niet bij aan de populariteit van de burgemeester want er worden maar liefst 34 onteigeningsprocedures gestart om mensen te dwingen hun grond te verkopen. Maar het gaat wel snel, al in 1940 legt de burgemeester de eerste steen voor het nieuw te bouwen gemeentehuis aan de Dorpsstraat. Het nieuwe gebouw wordt een stuk naar achteren geplaatst, zodat vóór het gemeentehuis een pleintje ontstaat. Het dorpscentrum wordt nieuw opgebouwd in de stijl van de Delftse School, waardoor het karakteristieke centrum ontstaat zoals wij dat nu nog kennen.
De vraag is maar in hoeverre de gemeenteraad en burgemeester Hoytema van Konijnenburg betrokken is geweest bij de bouwplannen. Voor de wederopbouw van de vele verwoeste boerderijen wordt een landelijk bureau “Wederopbouw boerderijen” opgericht en regionaal wordt voor Renswoude, Scherpenzeel en Woudenberg een Bouwbureau opgericht met als architect ir. Kraayenhagen en met de uitvoering wordt stedebouwkundige ir. J.A. Ringers belast. Bij eerste steenleggingen en tijdens de oplevering is de burgemeester vanzelfsprekend aanwezig, maar soms lijkt hij wat achteraan te staan of zien we hem, kennelijk ietwat verveeld, met zijn hoed spelen.
Groepsfoto ter gelegenheid van de opening van de wederopgebouwde bakkerij Van Engelenhoven aan het nieuwe Kerkplein.
Een tweede huwelijk
Misschien is de burgemeester wel ergens anders met zijn hoofd want nog in 1940, op 19 oktober, trouwt de 36‐jarige Carel Paulus met de 25‐jarige Sophia Maria Kolff. Zij is geboren op 8 november 1914 in Rotterdam en is een dochter van Cornelis Lauren us Kolff en Dina Cornelia van der Elst. Het huwelijk vindt plaats in Den Haag, mogelijk omdat Scherpenzeel dan nog volop in puin ligt, maar bijzonder is de keuze wel. Ook opvallend is dat er in de kranten geen melding wordt gedaan van het huwelijk. Slechts een kleine advertentie in de krant, van het echtpaar zelf, gee gelegenheid tot gelukwensen op 26 oktober 1940 in de woning van het echtpaar. Het wordt een redelijk ingetogen bijeenkomst, een drukke receptie met een door Caecilia gebrachte serenade. In 1941 verhuist het echtpaar alsnog naar “De Sonnenburgh”, de woning van de voormalige burgemeester Roëll, aan de Stationsweg. De burgemeester kocht zelf de woning van het echtpaar Roëll, maar na korte jd werd de gemeente voor dezelfde aankoopsom eigenaar, zodat er sprake was van een ambtswoning. De burgemeester vertelt later over de woning: “Het was een bijzonder mooi huis, fraai gelegen en we hebben er jarenlang met veel plezier gewoond”.
Nog in de oorlogsjaren worden er twee kinderen uit het huwelijk geboren: op 7 september 1941 wordt zoon Hendrik Franciscus (Hans) geboren en op 19 april 1944 dochter Dina Cornelia.
De oorlogsjaren
De eerste oorlogsjaren staan dus volledig in het teken van de wederopbouw van het dorp. De nieuwe burgemeestersvrouw wordt al snel opgenomen in de ambtelijke molen, want al op 12 november 1940 legt zij de eerste steen voor het nieuwe slagerspand van slager Inkenhaag. Zo af en toe is de burgemeester weleens té voortvarend. Hij volgt zogezegd graag zijn eigen weg. In de gemeenteraadsvergadering van vrijdag 28 februari 1941 vallen harde woorden als blijkt dat de burgemeester zelf al aannemer Van Elst in de hand genomen hee voor het herstel van de toren van de Grote Kerk voor een bedrag van 1500 gulden. Voor het opknappen van de Eierhal hee hij ook al een aantal lokale aannemers benaderd. Raadslid Berendse wijst de burgemeester er fijntjes op dat dit soort bedragen aanbesteed dienen te worden en wethouder Simon Valkenburg tekent protest op. De burgemeester reageert kennelijk nogal geprikkeld met opmerkingen als “Zegt u het dan maar” en later “u bent er zelf over begonnen, maar ik wil wel wachten”. In dezelfde raadvergadering komt de bouw van nieuwe woningen aan de orde en wordt ook de aversie tegen het ingestelde Bouwbureau door wethouder Simon Valkenburg verwoord: “het Bouwbureau was niet door ons ingesteld. Alles gaat maar buiten ons om….”. Ook steekt het dat er geen lokale aannemers in de arm genomen zijn voor de wederopbouw en de nieuwbouw. Daar wordt uitvoerig over gediscussieerd, maar opvallend is dat de burgemeester het officiële standpunt verdedigt, oftewel opkomt voor het Bouwbureau en zijn vertegenwoordigers. In de raadsvergadering vallen harde woorden, waarbij de burgemeester zelfs een keer zegt: “Laten wij niet in kankeren vervallen” en vervolgens oproept tot harmonie in de gemeenteraad. Dat lijkt ook te gebeuren, want de rest van het raadsverslag geeft een rustig gesprek weer, waarin een aantal besluiten vallen. Zo wordt bijvoorbeeld besloten architect Pothoven aan te nemen om het nieuwe gemeentehuis te bouwen.
Ondanks de oorlog neemt het leven in Scherpenzeel uiteindelijk weer z’n rus ge verloop. Het nieuwe kerkplein (het latere Plein 1940) ligt braak en op last van de burgemeester wordt het een roggeveldje, waarvan de oogst wordt toegewezen aan de behoeftigen. De burgemeester wordt ouderling bij de Nederlands Hervormde Kerk en zou later ook president‐kerkvoogd worden.
In 1943 zijn vader en zoon Cees en Geert Wesselink actief voor het verzet. De 18jarige Geert werkt in de smederij bij zijn vader. Naast de normale werkzaamheden maken Cees en Geert in het geheim ook onderdelen voor munitie die het verzet kunnen gebruiken. Ze worden echter verraden en gevangen gezet in de gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht. Zoon Geert wordt na een aantal dagen vrij gelaten, maar Cees wordt ondervraagd en mishandeld. Na enkele
Het roggeveldje weken wordt Cees Wesselink in Den Haag voor de rechtbank geleid. Er zijn een aantal getuigen opgeroepen, maar burgemeester Hoytema van Konijnenburg besluit ook naar Den Haag af te reizen en hee zijn best gedaan Cees vrij te pleiten van de aanklachten. Cees wordt vrijgesproken. De burgemeester komt vervolgens als eerste de rechtszaal uitlopen, terwijl hij met opgeheven armen luidkeels roept: “Hij is vrij, hij is
vrij, hij is vrij!”
Ná de oorlog
Als de oorlog is afgelopen is burgemeester Hoytema van Konijnenburg opeens enkele weken uit beeld. Cornelis Walraven van Ommeren oud‐burgemeester Blokzijl neemt in die weken het burgemeestersambt voor Scherpenzeel waar. Kwade tongen beweren dat hij is opgepakt voor zijn daden in de oorlog. Al op 23 mei 1945 gaan de vlaggen echter alweer uit, want dan treedt Carel Paulus Hoytema van Konijnenburg weer in functie. Is de burgemeester onderworpen aan een onderzoek naar zijn optreden in de oorlogsjaren? Als dat zo is, dan duidt de korte termijn van zijn afwezigheid er op dat er niets ten nadele van de burgemeester is gevonden. Kri ek zal er zeker zijn geweest op de burgemeester. Hij baant graag zijn eigen paden en zal daarbij zeker geen vrienden hebben gemaakt. Denk alleen al aan die 34 onteigeningsprocedures aan het begin van de oorlogsjaren.
Aan het einde van de oorlog krijgt het dorp nog wat klappen mee.
Zowel de eeuwenoude standerdmolen als de kerktoren van de Grote Kerk wordt door Nederlandse SS‐ers opgeblazen. De toren is eigendom van de gemeente en in 1946 kan begonnen worden met de herbouw. Op 4 mei 1947 onthult de burgemeester bij de heropening van de toren de gedenksteen. Er moet ook een nieuwe klok in de toren komen en de burgemeester komt met een pakkende tekst voor de klok: “” ‘k Verging, 306 jaar oud, door
Duits gespuis tot gruis. (22‐04‐1945). ‘k Ben thans jong en krach g In de eerste jaren ná de weer en dien opnieuw Gods huis (.. juli 1947)””. De odoorolro gd em voeerwsto eers, gnegd wvaonn gdeen “Rijkscommissie van Advies Klokken en Klokkenspellen” keurt deze toren + kerk, in de Eierhal tekst echter af. De burgemeester is in zijn wiek geschoten en is het gekerkt. Burgemeester absoluut niet eens met de voorgedragen alterna eve tekst. De klok Hoytema van Konijnenburg
aan het woord. is dan ook kaal gebleven.
De nasleep van de oorlog geeft nog veel rompslomp. NSB‐ers worden opgepakt en in kampen gevangen gezet, maar hun kinderen moeten worden ondergebracht en de bezittingen moeten worden beheerd. Dat beheer van die goederen gaat niet al jd goed. Als een woning van één van de NSB families wordt gevorderd, worden de meubels uit die woning “in bruikleen” gegeven aan een andere familie.
Hiervan zijn echter geen aantekeningen gemaakt, moet de burgemeester erkennen in een brief aan de zaakwaarnemer van de betreffende NSB familie. Het is niet bekend of dit een schadeclaim hee opgeleverd.
Er komen wel verschillende schadeclaims binnen bij de gemeente. Direct ná de oorlog wordt een “foute” inwoner door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten gearresteerd en naar het gemeentehuis overgebracht. Daar worden zijn bezittingen afgenomen en in bewaring genomen, waaronder een bedrag van ruim 367 gulden. Volgens verklaring van de gearresteerde hee hij dit geld overhandigd aan de burgemeester. De bezittingen en het geld raken echter zoek en komen ondanks een poli e‐onderzoek niet meer boven water. Het wordt een langlopende zaak, want in 1949 wordt de burgemeester hierover nog een keer ter verantwoording geroepen. Hij kan zich er echter op beroepen dat dit zich afspeelde toen Van Ommeren het burgemeestersambt waarnam. Van Ommeren zelf blijkt in 1946 te zijn overleden.
Er ontstaat ook discussie tussen de burgemeester en het Afwikkelingsbureau Militair Gezag over een rekening die een lokale aannemer hee ingestuurd. De aannemer hee in de oorlogsjaren kribben genummerd in Huize Scherpenzeel ten behoeve van de illegaliteit en hee bedacht dat de gemeente dit wel kan betalen. De gemeente weigert bij monde van de burgemeester en stuurt de rekening prompt naar het Militaire Gezag. Het wordt het bekende “van het kastje naar de muur” en de aannemer krijgt niet betaald.
De burgemeester krijgt ook verschillende hulpverzoeken. In het gevangenenkamp te Vught verblijft de prediker Felix Renders, van Belgische oorsprong, maar met zijn omvangrijke gezin woonach g op de Barneveldseweg. Renders is opgesloten omdat hij tijdens de oorlogsjaren als bewaarder in loondienst van de Duitsers was. De kamppredikant schrij een goed woordje voor
Renders aan de burgemeester met het verzoek om Renders ná zijn detentie weer te laten terugkeren in Scherpenzeel. De burgemeester weigert en de familie Renders wordt ‐na het inleveren van de bonkaarten die ze dan nog hebben‐ uitgewezen naar België. In België moeten ze door de kerk worden onderhouden.
Een ander, wellicht wat brutaal verzoek komt van een Duitser. Hij schrijft in 1948 de burgemeester aan met de mededeling dat hij in 1944 in Scherpenzeel werkte en nu als kolenarbeider werkt met een gezin van 5 kinderen en weinig te eten. De burgemeester wordt verzocht om – als betaling‐ een pakket te sturen met 5 tot 10 kilo meel, vet en chocolade. De man stuurt nog wel 1 gulden mee voor het antwoord….
Uitbreiding van het dorp
Langzaam maar zeker gaan de burgemeester en de gemeenteraad zich met reguliere zaken bezig houden. Zo ná de oorlog is er grote behoefte aan nieuwe woningen, maar dat komt maar mondjesmaat op gang. Tussen 1946 en 1950 worden er slechts 50 nieuwe woningen gebouwd, waar de wederopbouwwoningen deel van zijn. Vanaf 1950 wordt er echter vaart gemaakt. In de bomenbuurt komen bijna 100 nieuwe woningen, die in beheer zijn van de gemeente. Ook wordt er gewerkt aan de slechte toestand van de wegen. Scherpenzeel kent nog veel zandwegen, maar in de eerste hel van de jaren ’50 worden de meeste van bestraat.
Het is al eerder gezegd: burgemeester Hoytema van Konijnenburg wil nog weleens zijn eigen pad banen. Ook bij de woningbouw in de Bomenbuurt gebeurt dat. Als de toekomstig tandarts Cramer op zoek is naar grond voor de bouw van een woon‐ en praktijkpand in Scherpenzeel, worden ze bereidwillig geholpen door de burgemeester in eigen persoon. Hij neemt de kopers mee naar een stuk grond nabij de Eikenlaan en vraagt hoeveel grond men in gedachten hee . Als er geen duidelijk antwoord komt stelt de burgemeester voor dat dhr. en mevr. Cramer maar even moeten blijven staan aan de Eikenlaan. De burgemeester loopt vervolgens van hen weg en ze moeten maar “stop” roepen als ze menen dat het genoeg is. Het is nogal mis g weer en de burgemeester loopt weg en verdwijnt letterlijk in de mist….. Op goed geluk wordt er “stop” geroepen en de burgemeester slaat persoonlijk de piketpaaltjes. Het stuk grond blijkt maar liefst ruim 3000 m2 te zijn. Als de burgemeester ook aan de zijde Eikenlaan piketpaaltjes gaat slaan, merken de bewoners van een aantal van de gemeente gehuurde woningen aan de Eikenlaan, dat ze zelfs niet voldoende ruimte achter hun tuinen houden voor een pad achterom. De bewoners verplaatsen daarom de piketpaaltjes een meter of twee terug, richting het zuiden. Niemand die het merkt.
Behalve voor ergernis kan de burgemeester zeker ook voor hilariteit zorgen. Middenin een raadsvergadering, ergens in 1953, vraagt de burgemeester opeens om de voorzittershamer. Hilariteit alom wanneer de burgemeester met de houten hamer een uitstekende spijker aan zijn stoel te lijf gaat.
De jaren ’50 staan in het teken van de ontwikkeling van het dorp. Niet alleen komen er nieuwe woonwijken, een nieuw industriegebied en nieuwe wegen bij, ook zijn er volop plannen voor een nieuw zwembad wat in 1959 wordt geopend en wordt er met de buurgemeenten en de provincies overleg gevoerd voor eventuele grenswijzigingen. Al in 1956 gaat de gemeente Woudenberg akkoord met het afstaan van de “zelfkant”, maar het zal tot 1960 duren voordat de grenswijzigingen een feit zijn.
In 1956 wordt de familie Hoytema van Konijnenburg opgenomen in het “Nederland’s Patriciaat”. Het Nederland’s Patriciaat (a or ng: NP, ook wel het Blauwe Boekje genoemd) is een boekenreeks waarin
De burgemeester in genealogieën staan van Nederlandse families die bekend staan als boerenkostuum tijdens het
jubileum van de prominente bestuurders, wetenschappers, predikanten, medici, meisjesvereniging van de Ned. officieren, enzovoorts. Ook wordt burgemeester Hoytema van Hervormde Kerk. D.d. 13 okt
1955 Konijnenburg tijdens de lintjesregen in 1957 benoemd tot Ridder in
de Orde van Oranje‐Nassau.
Burgemeester Hoytema van Konijnenburg maakt ook deel uit van de zgn
‘’Ooievaarscommissie’’. Deze commissie verzorgt elk jaar de ooievaarshorsten in het buitengebied van Scherpenzeel. De foto is uit 1960. Op de foto v.l.n.r.: Vee‐arts Sto jn, de burgemeester, dhr. E. Blanken, schilder Adolf Bolk, Hendrik Valkenburg, dhr. J. Renes, dhr.
Verkerk
De jaren ‘60
De woonwagenbewoners zijn ondertussen niet zo blij met het beleid van burgemeester en de gemeente. Zij verblijven op een stuk grond aan de Oude Barneveldseweg zonder ook maar de meest elementaire voorzieningen. Water, elektriciteit en toilet en ontbreken. Ondanks klachten doet de gemeente helemaal niets en in 1958 worden de woonwagens vóór het gemeentehuis geparkeerd. De burgemeester is echter in het geheel niet van plan iets te doen. Wel wordt in 1959 het jaarlijks budget voor het onderhoud van het woonwagenkamp vereenvoudigd: van 25 naar 250 gulden. Dat klinkt goed, maar feitelijk gebeurt er op het woonwagenkamp weinig tot niets en ook in 1961 en 1963 worden de ac es herhaald. De burgemeester roept steeds dat hij niets kan doen omdat het gemeentegrond betreft, maar de zaak haalt de landelijke pers en langzaam maar zeker verbetert de situatie voor de woonwagenbewoners.
In 1960 vinden dan eindelijk ook de grenswijzigingen plaats. Scherpenzeel blij Gelders, de gemeenteraad wordt uitgebreid van 7 naar 11 zetels en burgemeester Hoytema van Konijnenburg begint aan zijn 5e termijn van 6 jaar. In 1961 viert hij zijn 25‐jarig ambtsjubileum met een rijtoer door het dorp. Van de bevolking krijgt de burgemeester een reis aangeboden. Het echtpaar reist met een vrachtboot langs allerlei havens van de Middellandse Zee en bezoeken onder meer Israël, Turkije en Italië. De door de burgemeester geschoten foto’s en dia’s worden later regelmatig tijdens bijeenkomsten getoond.
Ook in de jaren ’60 is er weer genoeg te doen voor de burgemeester. De uitbreiding van het dorp geeft extra werk. Zo zijn de woningen aan de Vlieterweg nog niet aangesloten op de waterleiding en wordt het hele dorp aangesloten op het gasnet. Op het terrein van de Landbouwschool wordt een ULO gerealiseerd, later MAVO ‘De Proe uin’. De burgemeester neemt zelf plaats in het schoolbestuur. Scherpenzeel breidt zich langzaam maar zeker uit.
Rijtour ter gelegenheid van het 25‐jarig jubileum van de burgemeester, hier in ambtskostuum met steek.
Het gezin Hoytema Konijnenburg jdens de recep e ter gelegenheid van het 25‐jarig jubileum van de burgemeester. Iedereen lijkt wel een beetje verveeld te kijken….
Opening van de ULO en terug in de schoolbankjes, wat wel wat hilariteit opleverde. Op foto v.l.n.r.: Dhr. J. v.d. Ham (wethouder), dhr. Hosang (burgemeester van Woudenberg en Renswoude), Burgemeester C.P. Hoytema van Konijnenburg, dhr. P.A. de Jonge (wethouder). Staand
rechts tegen het raam : dhr. Algera, directeur van de
MAVO
Oefenlokaal Caecilia
Dat is ook wel nodig, want in 1963 blijken er 181 woningzoekenden te zijn (op een inwoneraantal van 4000). Er komen 35 nieuwe gemeentewoningen bij en in het duurdere segment wordt het
Doornboomspark gerealiseerd. Daarvoor moet wel het verenigingsgebouwtje van Caecilia wijken. Dat staat aan het einde van het Jodensteegje (daar waar nu het Ben Goerionplein is). De besprekingen hierover in de gemeenteraad duren lang, maar de burgemeester hakt de knoop door en verkoopt zelfstandig het gebouwtje. Dat wordt een hele rel, want zelfs het bestuur van Caecilia is hier niet van op de hoogte. De kosten lopen voor de gemeente fors, want aan de Willaerlaan moet er een nieuw repetitielokaal worden gebouwd.
De burgemeester regeert dus als vanouds en dat wil ook nog weleens erg zuinig zijn.
Juist om die reden kunnen de gemeentesecretaris, Barend van de Brink en de burgemeester niet zo goed met elkaar overweg. Als de burgemeester met vakantie is regelt de gemeentesecretaris dat een aantal broodnodige gemeentelijk aankopen, zoals typemachines, worden gerealiseerd. De burgemeester is dus zuinig en dat merkt ook Chris Sangers als badmeester van het nieuwe zwembad. Nadat er een keer chloorgas is vrijgekomen moet er ademluchtbescherming komen. De burgemeester zoekt naar een goedkope oplossing en scha een afgedankt Duits gasmasker uit de Tweede Wereldoorlog aan voor de badmeester. Een geluidsinstallatie ontbreekt ook op het zwembad en dat kan leiden tot gevaarlijke situaties als de badmeester niet op zijn post is maar wel dringend nodig is voor bijvoorbeeld hulpverlening. Ook deze keer vindt de zuinige burgemeester een in zijn ogen adequate oplossing: hij koopt een oude megafoon uit het leger en levert deze in een groen kistje af op het zwembad.
In de jaren ’60 staat burgemeester Hoytema van Konijnenburg aan de wieg van de oprichting van een historische vereniging. Hij schrijft dan al ar kelen over de geschiedenis van Scherpenzeel in de kerkbode. De burgemeester is dan ook één van de aanjagers van een bijeenkomst van de Historische Vereniging “in oprichting” op 18 oktober 1966, wat zal leiden tot de oprichting van vereniging Oud Scherpenzeel op 25 maart 1968.
Afscheid
Als de burgemeester 65 jaar oud wordt, vindt hij het welletjes en besluit met pensioen te gaan. Er volgt een groots afscheidsfeest in het dorp.
Na zijn a reden koopt de burgemeester een stuk grond van de freule Ci ers aan de Brinkkanterweg. Daar wordt een nieuwe woning voor het echtpaar Hoytema van Konijnenburg gebouwd. De nieuwe burgemeester, Jan Heij, vindt de sta ge ambtswoning aan de Sta onsweg echter veel te groot, zodat de gemeente besluit deze te verkopen. Jan Heij gaat met zijn gezin in een nieuw gebouwde bungalow aan de Burg. Royaardslaan wonen. Het fraaie ambtskostuum van burgemeester Hoytema van Konijnenburg, inclusief degen en steek hee hij ooit nog eens geërfd van zijn vader Pieter Hoytema van Konijnenburg. Er wordt een goede bestemming voor gevonden, want het is opgenomen in de collectie van
Afscheidsspeech voor het het Rijksmuseum.
gemeentepersoneel
Het echtpaar Hoytema van De oud‐burgemeester jdens een presenta e voor de
Konijnenburg ná afloop van de bejaarden van SOS. D.d. 15 oktober 1975 feestelijkheden voor café Marktzicht.
Jubileumfoto van de Schietvereniging t.g.v. het 70‐jarig jubileum in 1970. Burgemeester Hoytema van Konijnenburg zit rechts van het midden (naast Arie Valkenburg (“Arie met de Blikken”)).
Ondanks dat de burgemeester na zijn a reden al zijn func es neerlegt verdwijnt hij niet helemaal uit het zicht, want zo af en toe gee hij nog presenta es, bijvoorbeeld in het bejaardenhuis of voor de SOS (S ch ng Ouderen Scherpenzeel).
Mr. Carel Paulus Hoytema van Konijnenburg overlijdt op Bevrijdingsdag in 1990 op 86‐jarige lee ijd. Zijn vrouw, Sophia Maria Kolff overlijdt 80‐jarige lee ijd op 31 maart 1995. Beiden liggen
begraven op Lambalgen.
Piet Valkenburg
Bronnen
“het Geheugen” van Delpher
www.parlement.com
www.inghist.nl
Wikipedia.nl
“Canon van Scherpenzeel”
Archief ver. Oud Scherpenzeel
Diverse kranten via Archival.nl en Delpher.nl
Foto’s: Foto‐archief ver. Oud Scherpenzeel,
Museum Ro erdam (penning Nat. Crisiscomité)Persfotobureau
‘S cht’ te Utrecht (foto opening Eierhal)
DE OORLOGSBELEVENISSEN VAN GERARD OP ’T HOF
Van Peter op ’t Hof ontvingen we een 6‐tal uitgetypte vellen papier met daarin de oorlogsbelevenissen van zijn vader, Gerardus Egbertus op ’t Hof. Gerardus is geboren in Tubbergen op 12 februari 1915 als zoon van Willem Hagens en Petronella Clasina Hagens.
Op 2O‐jarige lee ijd moet Gerard op 17 juni 1935 als dienstplich ge voor zijn nummer opkomen bij de Landmacht. Al op 1 februari 1936 wordt hij bevorderd tot sergeant‐ tulair om op 15 maart 1936 tot onderofficier met de rang van sergeant te worden bevorderd.
Op 6 april 1936 gaat Gerard met groot verlof en legt met goed gevolg het examen voor de Kweekschool en het Gymnasium A af. Vervolgens begint hij, waarschijnlijk nog vóór de uitbraak van de oorlog, een studie Duits aan de Universiteit van Amsterdam.
In aanloop naar de mobilisa e Gerard echter wederom als dienstplich g militair opgeroepen en daar begint zijn verhaal:
1939 – 1940: Grebbelinie
“Toen op 29 augustus de mobilisa e uitbrak, was ik nog maar net 14 dagen thuis in Ro erdam na een 5‐weekse fietstocht in Duitsland met mijn vriend Jan de Vos. Hij was sergeant bij het derde bataljon en lag in Woudenberg bij de molen die aan de Sta onsstraat stond. Hij is nu al lang overleden. In Aken hadden we meegemaakt hoe er heel wat jonge Duitsers zich bedronken uit angst, omdat b.v. hun vader in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld was. Wij konden in ieder geval zeggen dat het Duitse volk niet zo enthousiast was. Afgezien dan natuurlijk van de nazi’s.
‘Klein Orel’
Ik moest opkomen in Del in de school aan de Turfmarkt. Verder kan ik me er weinig van herinneren. Er is een foto van mij alleen gemaakt. Op 31 augustus trokken we naar het sta on. Officieel stond ik te boek als sergeant toegevoegd. Maar dat duurde maar heel even en ik kwam gelukkig bij de troep. Ik geloof niet dat we lang op de trein hebben moeten wachten. Van het stoppen in
Scherpenzeel en de mars naar de
Gemobiliseerde militairen komen aan op het sta on boerderij ‘Klein Orel’ aan de weg naar Scherpenzeel‐Woudenberg Barneveld, weet ik niets meer. Alleen is me bijgebleven dat ik ’s avonds, toen het al donker was, met boer Van de Pol heb staan praten. Hij sprak over uitgaan met de boerenbond onder leiding van de baron Taets van Amerongen van Renswoude.
De soldaten kwamen in de koestal op de grond te slapen. Er was stro gespreid. De korporaals en onderofficieren kregen hun kwar er op de hooizolder in de stal. De luitenant Hengeveld, waarnemend ambtenaar van het Openbaar Ministerie te Middelburg, sliep in een groot kippenhok, waarin een bed geplaatst was. Het werd ons hoofdkwar er. De luit was veel weg. We lagen met 2 sec es op ‘Klein Orel’, sec e 3 en 4. (Red.: Dit betrof het 15e Regiment Infanterie).
Boerderij Klein Orel jdens de mobilisa e
De rest lag op de boerderij van de schoonzoon van Van de Pol, ‘Groot Orel’. Het waren boerderijen van mevrouw Royaards, vrouwe van Scherpenzeel. Op ‘Groot Orel’ bivakkeerde ook de kok. De kapitein, la Foret, kwam elke morgen rond half elf naar onze boerderij vanaf ‘Groot Orel’ om koffie te drinken. Wij moesten in het begin exerceren met de soldaten. Zolang de kapitein niet aankwam, lieten de onderofficieren luide commando’s horen, zonder soldaten. Kwam de kapitein er aan dan was alles present en ging het model.
Onze soldaten kwamen voor het grootste deel uit Zuid‐Brabant en Noordoost Limburg, met enkele jonge Ro erdammers ertussen. De meeste soldaten waren 23 tot 25 jaar oud. Mijn schu er Jan van Vliet kwam op met het uniformjasje open. Het kon namelijk niet meer dicht. De verhouding onderling was goed. In het begin werd er ‘s nachts vaak een schot gelost. Vlak bij het hek waar de gewapende post stond, lag een waterpoel en midden in de nacht dook er vaak een rat in het water met een hevige plons. In het begin veroorzaakte dat schrik en werd er vaak een schot gelost. Het wemelde van grote ra en op de boerderij. Bij het naar bed gaan staken we vaak vlug een lamp aan en dan zag je ze bij hele sec es.
Bij de Luit kwam elke morgen een kip een bezoek brengen. Als de deur nog op slot was, was de kip hevig verontwaardigd. Als de deur open was, schoot zij het bed in en ging aan de onderkant zi en. Vaak lag er later dan een ei. De boer had ruim 2700 kippen. Deze kip werd zo mak dat wij, als we binnenkwamen, haar oplichten om te kijken of er een ei lag. Zij vond dat heel normaal en nam direct haar plaatsje weer in. De verhouding met de boerenfamilie was erg goed. Zaterdagavond kwamen de korporaals en onderofficieren naar het bakhuus, waar de familie in de zomer bivakkeerde, en we kregen dan koffie. Om 8 uur werd er geklopt en dan verscheen de dienstdoende kamerwacht uit de schuur en nam een ketel koffie mee voor de soldaten. Wie met verlof ging, ging ‘s middags op de thee in het bakhuus bij Moeke (Onze boer en vrouw waren bekend als Papa en Moeke).
De zoon Kees was in dienst bij het 22ste, Johan was thuis met een knecht en verder was er nog een tweeling, Jansje en Klaartje, die wij als onze kinderen beschouwden.
De boer werd geholpen met melken door soldaten. Als de toegangsweg naar de boerderij weer slecht werd, bleven er met toestemming van de luit soldaten achter om die op te
Dirk en Claartje v.d. Pol; Papa en
Moeke
knappen. Werden er eieren gevonden, dan werden die afgeleverd. Moeke maakte kaas. Zelf nam ik als ik met verlof ging, kaas en een kip mee. Een ei werd gebakken voor 5 cent. De kip werd door een soldaat schoongemaakt voor een pakje sigare en (25c), woog meestal 5 pond en kos e 60 cent. Zondags ging ik met de boerin naar de kerk en ging dan met haar op bezoek bij de metselaar Piet Osnabrugge, bij wie ik later ingekwar erd ben.
Stellingen bouwen deden we in de rich ng van Renswoude, aan de
Hopeseweg, dus vóór de voorposten. Een bekende figuur was Marietje, een meisje dat wegens tuberculose in een tentje lag en door de soldaten voortdurend bezocht werd. Na de oorlogsdagen kwam Ds.
Kalf van Renswoude op een damesfiets met wapperende jaspanden
Jfoothoa uni,t J 1a9n3s 3en Klaartje op een op de eerste dag dat hij terug was, haar opzoeken.
Marktstraat 7
Tegen de winter vertrokken we naar de Eierhal. Het was er koud, hoewel beneden een grote potkachel stond te loeien. De papieren wapperden aan de muur. Ik kreeg daardoor bronchi s, maar werd door de dokter goed behandeld. Toen ik wat beter was, mocht ik niet uit het ziekenverblijf, voordat er een betere legering voor mij was. Het slot van het liedje was dat ik ingekwar erd werd bij aannemer Piet Osnabrugge aan de Marktstraat 7.
De soldaten van de korpstrein die er sliepen, vertrokken. Bij Osnabrugge werd er elke zaterdagavond domino gespeeld. Er kwamen dan nog enkele andere soldaten, behalve de 2 vaste klanten en mijn persoontje. Tegen 10 uur rende de korporaal Jan Vergeer naar het Verenigingsgebouw waar koeken te krijgen waren, en kocht die van de opbrengst van het spel. Mijn inkwar eringsadres lag ongeveer tegenover de Eierhal. Vaak zat ik op wacht als oudste wachtcommandant met 35 soldaten. Ik mocht 24 uur niet slapen. Dat ging toen nog goed. Meestal om 2 uur in de nacht ging ik met een soldaat op patrouille. Dat brak de nacht en je slaap ging over. In het begin was het meestal een herrie bij de soldaten. Er werd gekaart. Al gauw heb ik een dam‐ en schaakspel en een kwartetspel laten halen. Toen was het geraas en ge er afgelopen. Je moest alleen wel eens gaan waarschuwen, dat ze ook nog op post moesten. Maar
Aan de thee bij Osnabrugge op de Marktstraat. Gerard op ’t Hof (rechts) ingekwar erd Gerard op ’t Hof zit 2e vancrechts (met bril). bij Osnabrugge.
de herrie en het ge er was voorbij. De volgende keer vroegen ze na de wachtparade onmiddellijk om de spelen. Van het gekaart was ik af. Ten slo e werd de legering daar toch afgekeurd en kwamen de soldaten in de oude openbare school, waar een verdieping in ge mmerd was.
Werkzaamheden
Pionieren deden we nu op onze eigen plaatsen waar we in de oorlog terechtkwamen. Dat was achter de Pothbrug. Onze compagnie was aangewezen als regimentsreserve. Het was een aardig eindje marcheren. Van de burgerij hadden we veel medewerking. De hervormde predikant ds. Westra Hoeksema had erg veel met de soldaten op. Hij kondigde een keer af van de kansel: er is dit jaar zoveel fruit dat jullie wel eens wat aan de soldaten mogen geven. Het gevolg was dat toen wij weer naar de stellingbouw trokken, er op verscheidene uiteinden van paadjes kisten met appels stonden, die wij meenamen.
Bij de stellingbouw werd een korporaal die mmerman was, opzichter. Hij verdeelde de troep in ploegen, die allemaal hun vaste taak kregen (ook onderofficieren en officieren). Draad trekken, planken sjouwen enz. We werkten niet erg hard. Als het moest konden we in 1 ½ dag een stelling klaar hebben. Meestal duurde dat 3 of meer dagen. IJs hakken hebben we ook moeten doen. Ik was nog steeds in het ziekenverblijf ingekwar erd. Op een keer deed ik een misstap en viel in het water. Het was niet diep. Omdat het vroor, bevroor mijn jas onder het hardlopen. Het was niet ver van het ziekenverblijf. Ik heb er geen schadelijke gevolgen van ondervonden. De bevroren spulsloten de warmte op.
Tijdens een van de verscheidene keren dat we alarm hadden en naar de stelling trokken, gebeurde het op een zondag dat er veel vrouwen op bezoek gekomen waren. Toen het alarm afgelopen was, liepen die dames in de stelling. De overste, De Bok, moet toen geroepen hebben: “Gooi die hoeren de dijk af”. Dat droeg niet bij tot zijn populariteit.
Uitbraak oorlog
IJs hakken Toen de oorlog uitbrak, lag ik ziek in mijn kwar er. Mijn kostbaas kwam me vertellen dat het oorlog was. Daar ik niet gewaarschuwd ben, ben ik op eigen gelegenheid naar mijn stelling gegaan. Mijn stelling was er niet meer. Was 5 cm te laag, zei men en helemaal opgeruimd. De korporaal die mij vervangen had, ging weg en ik zat bij mijn groep. We zijn gauw begonnen om manspu en te graven. Dan hadden we enige dekking. Terwijl we aan ’t graven waren, vlogen plotseling de kogels om ons hoofd. Wij doken naar onze geweren. Later bleek dat een patrouille in een auto, die op parachu sten moest le en, achter ons een ree in het prikkeldraad had gezien en daarop met scherp geschoten had. Onze kapitein, Isbrücker, die op een boerderijtje iets meer naar achteren zat, liet zeggen dat ik niet mocht schieten. Hij wist van niets want hij is nooit bij ons geweest. Als er een vliegtuig hoog in de lucht was, waagde hij zich prak sch niet naar buiten.
Ik had een winkelier uit Kockengen bij mijn groep gekregen. Hij had een breuk (met openslaande deuren, zeiden de soldaten) en wilde zich niet laten opereren. Daarom was hij bij het veldleger gekomen. Hij kreeg de angst te pakken en wilde weglopen. Dat was levensgevaarlijk, want overal stonden dubbelposten die onmiddellijk schoten. Ik heb hem toen een klap in zijn gezicht gegeven (ik had veel boeken over de Eerste Wereldoorlog gelezen) en door deze schoktherapie ging het over. Ik benoemde hem tot onze kok. Kopjes wassen en eieren koken. We zaten op een boerderijtje. De bewoners waren geëvacueerd. Wij hadden de schuur en de huisdeur opengemaakt en leefden daar netjes.
Op wacht bij geïnundeerd gebied
In Woudenberg waren veel NSB‐ers. Vaak
hebben we moeten patrouilleren op de afvuurders van lichtkogels, zonder resultaat. Er werd beweerd dat er parachu sten waren geland, vandaar die autopatrouille. Later zag ik mijn voorbuurman, Van Boven, achter 2 soldaten staan en die bevelen het magazijn te vullen en de bajonet op te ze en. Hijzelf liep erachter, wat ik laf vond. Hij moest ook patrouilleren. De eerste dag reden er nog vrachtwagens met zand. Het enige lijk dat ik in de oorlog gezien heb, was dat van de zoon van de veldwachter uit Woudenberg. Die was doodgeschoten als chauffeur van de zandauto toen hij niet stopte bij een dubbelpost. Hij moet een pistool in zijn vuist gehad hebben, dat gestolen was bij onze mitrailleurcompagnie, zei men. Het lijk lag in een garage.
Van onze helmen hadden we de leeuw met de bajonet er afgestoken, omdat als er een kogel loodrecht op het gedeelte kwam waar de blikken leeuw zat, hij steun vond en er door zou slaan, vertelde men. De wi e vlek maakten wij dof met klei.
Vliegtuig neergeschoten
Daar mijn stelling opgeruimd was, had ik een ladder in de grond laten ze en om een vliegtuig te kunnen beschieten. Hij stond vlak bij een hoge haag. Toen wij aan het koffie drinken waren, kwam de post voor geweer rond 11 uur aanlopen en riep: “Sergeant, er komt een vliegtuig aan”. Alles rende naar buiten. De mitrailleur hadden we met zijn steunen aan de ladder gehangen en jawel, het vliegtuig kwam laag aanze en. Blijkbaar al aangeschoten. Het kwam loodrecht boven de ladder. Iedereen vuurde, je kon duidelijk de inslagen van mitrailleur‐ en geweerkogels zien. Bij mijn buurman, Van Boven, die voor mij zat, schoot het vliegtuig door het dak. Even later sloeg ook de laatste motor af en toen viel het. Pas 40 jaar later hoorde ik dat de drie inzi enden niet dood waren, maar gevangen werden genomen. Mijn soldaten waren enthousiast. Ze vuurden op vliegtuigen zo groot als een spreeuw hoog in de lucht. Ik heb dat verboden. Na de oorlog, toen ik weer in dienst was en het oude leger bespot werd, heb ik het oorlogsherinneringskruis aangevraagd en kreeg er een ster bij omdat we het vliegtuig hadden neergeschoten. Dus in contact met de vijand waren geweest.
Beschoten en terugtocht
Een keer hebben we 3 duikbommenwerpers zien steken op een stuk 3 TL dat voor ons stond. Bij die gelegenheid is blijkbaar een facteur gedood (Red.: een stuk 3 TL is een luchtdoelkanon; een facteur is een postbode, een brievenbesteller). Op 13 mei kwamen we onder vuur te liggen. Men zei mor ervuur. De vorige dag was er een bevel gekomen “sneuvelen op de plaats”. Het beschieten duurde ongeveer 4 uur. De Duitsers schoten slecht. We zagen de projec elen wel in de buurt van de commandoposten vallen, maar geen enkele raak. Daarna kwam het bevel om terug te trekken. We zochten dekking in de sloot langs de weg. Ik deed een pas achteruit en hoorde een gezucht. Ik schrok erg, maar het bleek een dood biggetje te zijn, waar ik op stapte. Ik perste de lucht uit de maag en dat veroorzaakte het gezucht. Ik had zelf de mand met aanvalshandgranaten naar de weg gebracht. De soldaten waren er bang voor. In Woudenberg verzamelde het bataljon. De overste riep maar: “Hoofd koel houden”. Sommige soldaten, die vóór de oorlog vreselijk bang geweest waren als er over oorlog gepraat werd, wilden nu doorvechten. Na de ar lleriebeschie ng was iedereen nijdig en zou hard gevochten hebben.
In Woudenberg moesten we nog lachen. Een sec e van onze compagnie moest op vrachtwagens de muni ekisten vervoeren. Ze reden langs ons met doodsbleke gezichten. Tijdens de terugtocht heb ik een poos op een troepenverbandwagen gelegen. Ik was doodmoe, had weinig geslapen. Mijn soldaten hebben mij vastgehouden, anders was ik van het ronde dak gerold. Zo trokken we door Utrecht naar Jutphaas, de wielerbaan. Daar hadden mijn soldaten wat te roken, want ik had mijn schoenen uit mijn ransel gegooid en er 2 sloffen sigare en ingedaan. Op de wielerbaan is er nog sprake van geweest dat we stellingen moesten betrekken, maar dat ging niet door. De Duitse vliegtuigen vlogen laag over; het zou waanzin zijn geweest. Daarna de capitula e. Ook kwamen in de wielerbaan de verbrande papieren uit Ro erdam neer. Iedereen probeerde te weten te komen welk deel van Ro erdam was gebombardeerd. De stemming was zeer gedeprimeerd. Later zijn we teruggekeerd naar Scherpenzeel. Daarna volgde mijn demobilisa e.”
Student
Na de capitula e pakt Gerard zijn studie in Amsterdam weer op. Hij studeert Duits bij de bekende professor J. van Dam. Op 13 maart 1943 wordt door de Duitsers echter de loyaliteitsverklaring ingevoerd en Gerard is een van de studenten die weigert deze verklaring te ondertekenen.
Vermoedelijk meldt Gerard zich vrijwillig bij het Kamp Erika in Ommen om te voorkomen dat er maatregelen tegen zijn familie worden uitgevoerd. Kamp Erika is bekend als Arbeitseinsatzlager, geleid door Nederlandse SS’ers en Amsterdamse werklozen als bewakers. Het kamp hee een
slechte reputa e.
In 1943 wordt het kamp omgezet naar een Arbeitserziehungslager, een opvoedingskamp voor landlopers en bedelaars, maar ook voor mensen die zich hebben on rokken aan de arbeidsplicht in Duitsland. De bewakers treden nu kennelijk weliswaar iets minder hard op, maar geweld is een dagelijks terugkerend ritueel.
In Ommen krijgt Gerard de keuze: of als krijgsgevangene ‐hij hee immers deelgenomen aan de strijd in de Meidagen van 1940‐ of als student te worden behandeld. Gerard kiest voor het laatste en vermoedelijk is dat ‐ achteraf gezien‐ een goede keuze geweest.
Vanuit Ommen wordt Gerard afgevoerd naar Berlijn, waar hij op 15 mei 1943 aankomt. Hij komt
terecht in een verblijfskamp en wordt als Maschinenarbeiter aangesteld bij de firma Fritz Werner AG, “Maschinen‐ und Werkzeugfabrik” geves gd aan de Daimlerstraße 111 in Marienfelde, een voorstad van Berlijn. In het Einstellungs‐Schein (aanstellingsbewijs) wordt benoemd dat Gerard is aangenomen voor een loon van 73 Pfennig (70 cent). Onduidelijk is of dit het dagloon of weekloon betre .
Brieven van Gerard op ’t Hof, daterend uit de
een Arbeiterwochenkarte die werd gebruikt bij Fritz Werner AG. Vermoedelijk was er dus sprake van een weekloon van 73 Pfennig.
| Fritz Werner AG De machine‐ en werktuigfabriek is op 1 april 1896 door Fritz Werner opgericht. In de fabriek worden in aanvang hoogwaardige industriële machines ontwikkeld en vervaardigd. Tijdens de eerste Wereldoorlog wordt de fabriek een naamloze vennootschap onder patentschap van het Wapen‐ en Muni e‐aanbestedingsbureau van het Duitse Rijk. Het is onduidelijk of Fritz Werner AG dan ook al zelf wapens en/of muni e fabriceert, maar in 1923 wordt door de firma de wapenfabriek Solothurn in Zwitserland ingericht. Men maakt dan dus kennelijk machines om wapens en muni e te vervaardigen. In 1938 wordt aan Portugal nog een patronenfabriek geleverd. In vredes jd worden dus nog machines gefabriceerd voor de muni e‐ en wapenproduc e, maar jdens de 2e Wereldoorlog gaat Fritz Werner AG ook zelf wapens fabriceren. Deze wapens zijn te herkennen aan het ingeslagen stempel “CRV”. Voor deze oorlogsproduc e worden dwangarbeiders ingezet. De fabriek op de hoek van de Daimlerstraße met de Benzstrasse in Marienfelde hee onderaardse gangen met eigen strafcellen waarin “afvalligen” worden opgesloten. Het stadje Marienfelde hee in die jd nog onbebouwde velden en daar worden barakkenkampen opgebouwd, waar de arbeiders kunnen verblijven. | |||
| De fabrieksgebouwen van Fritz Werner worden jdens de Tweede Wereldoorlog erns g beschadigd, maar direct ná de oorlog wordt het bedrijf weer opgebouwd. Duitsland hee immers weer nieuwe industrie nodig om er bovenop te komen. Al in het begin van de vij iger jaren expandeert de firma naar het buitenland. Ook fabriceert de fabriek weer machines voor wapen‐ en muni eproduc e. Er wordt in de tweede hel van de 20e eeuw geleverd aan landen als Griekenland, Turkije, Iran, Argen nië en Mexico. Een van de uitspraken van de direc e van het bedrijf is dat men geen verschil ziet met de bouw van bijvoorbeeld een naaimachinefabriek. Bij Amnesty Interna onal staat de firma dan ook slecht bekend. Na meer dan 100 jaar in Berlijn te zijn geves gd verhuist Fritz Werner eind 20e eeuw naar het plaatsje Geisenheim, | |||
| een bewaard gebleven celdeur uit de fabriek van Fritz Werner AG | een idyllisch wijnbouwstadje in Hessen. Marienfelde is tegenwoordig volledig opgenomen in de stad Berlijn. De buitenzijde van de oorspronkelijke fabriek is bewaard gebleven. Op die plek wordt nu een hotel gebouwd. | ||
Het vooraanzicht van de bedrijfsgebouwen van Fritz Werner AG, kort vóór dit omgebouwd zou gaan worden naar een hotel.
periode van 11 mei 1943 tot en met 19 september 1943, geven veel informa e over de omstandigheden in de fabriek. Kennelijk ervaart Gerard een redelijke mate van vrijheid. Hij slijpt “Kammräder” (kamraderen?), een heel nauwkeurig werk: het duurt enkele maanden voordat hij hierin zelfstandig kan werken. Het is wel zwaar werk: het is 10 uur per dag staande werken. Gerand vertelt expres heel langzaam te werken, min of meer om de Duitsers dwars te zi en. Van het geld dat hij verdient, koopt hij onder meer boeken en deze gaat hij dan op z’n gemak op het toilet zi en lezen. De boeken stuurt Gerard ook naar huis en er zijn een aantal boeken nog in de familie bewaard gebleven.
Uit de brieven blijkt dat er ook wel gebrek aan goederen is, zoals suiker en kleding en daar vraagt hij dan ook om in zijn brieven. Tijdens zijn verblijf nabij Berlijn maakt
Gerard talrijke zware bombardementen mee. Vanaf maart 1944 wordt de stad Berlijn met grote regelmaat door de geallieerden gebombardeerd. De arbeiders gaan bij de bombardementen de schuilkelders in, maar Joden meestal niet, die mogen niet schuilen. Bij een van deze bombardementen komen bij een voltreffer op de fabriek 4 of 5
Coenraad Temminck‐Groll, ook een bij Fritz Werner AG Russische dwangarbeiders om het tewerkgestelde student, maakte deze tekening van een leven.
maschinenarbeiter
Mei 1944: Ontsnapping uit Berlijn
Gerard op ’t Hof vervolgt zelf weer zijn verhaal:
”Met Pinksteren 1944 zijn wij uit Berlijn gevlucht. Professor Oranje was tevoren clandes en in Berlijn geweest en toen was het vluchten van de studenten afgesproken. (Red.: Jacobus Oranje was hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en jdens de Tweede Wereldoorlog een bekende Nederlandse verzetsstrijder).
Ik zou eerst met Wim Doorman vertrekken, maar die kon met een binnenschipper mee. Ik ging nu met Engel de Boer. Met de S‐Bahn (Red.: Stadtschnellbahn) gingen we tot 40 km ten westen van Berlijn. Daar stapten we uit en stapten over in de interna onale trein, die daar ongeveer 5 uur ‘s middags aankwam. De conducteur liep de hele trein door en verdween. Wij sprongen erin en kropen op de wc. Toen het donker werd, stapten we uit en kropen in de ijzeren laadbak onder de wagon.
De trein werd later schoongemaakt en gerangeerd en reed uiteindelijk naar het Anhalter Bahnhof. Wij hadden al ons ondergoed aan en een overall. ‘s Morgens kwam er luchtalarm. Engel wilde het sta on op, maar dat wilde ik niet. Er vielen bommen vlak bij het sta on, maar gelukkig niet op de trein.
Om 12 uur ‘s middags vertrok de trein. Toen we eenmaal Berlijn hadden verlaten, gingen we aan de rand van de bak zi en en konden zelfs roken. Bij de grens te Bentheim schoven we zo ver mogelijk naar het midden. In de wand zat een schroefgat. Als ik mijn vinger er doorgestoken had, had ik de douaneambtenaar in zijn broek geprikt. Zij merkten ons niet op. De trein reed tot onze grote opluch ng verder. In Amersfoort vroegen enkele Duitsers aan een krantenjongen waar de trein naar toeging. Het antwoord was: “To Emsterdem”. Ongeveer 2 uur ‘s nachts kwamen we in Amsterdam op het Centraal Sta on aan. Een krantenjongen bukte zich, keek en zei: “er zi en er weer 2 in”. We stapten uit en
het fraaie interieur van het Anhalter gingen in een coupé zi en, waar ons gevraagd werd of
Bahnhof we naar Berlijn moesten. Wij zeiden: “Nee”.
We moesten tot 4 uur wachten voor we weg konden. Tot 4 uur was het Sperr jd. Na vieren probeerden we het sta on af te komen. We hadden immers geen kaartje en je moest toen minstens een perronkaartje hebben. We zijn naar beneden geklommen. Ik heb me nog even verborgen in een openbare wc, omdat er mensen aankwamen voor Engel eraf was. Daarna zijn we gaan lopen naar het adres dat Engel wist. Onderweg kwamen we 2 poli eagenten tegen, die ons eerst nogal vreemd opnamen, maar later zeker dachten dat we werkjongens waren die van ons werk kwamen. We zagen er vuil genoeg uit. Engel wilde eerst weglopen maar dat wilde ik niet. Als ze ons aangehouden hadden, had ik ze vermoord. (Er waren veel NSB‐agenten in Amsterdam). We kwamen behouden op ons adres aan, waar ons persoonsbewijs vervalst werd. Geboortejaar vervroegd. Daarna zijn we naar Monnikendam vertrokken, waar we enkele dagen zijn gebleven. Ik ben toen naar huis gegaan, waar ik sliep bij Staal, onze bovenburen. Daarna ben ik ondergedoken in Amsterdam bij de weduwe Boot. Tot vlak voor de spoorwegstaking. Verder ben ik thuis geweest. Geprobeerd wat eten te krijgen op fietstochten. Vanuit Berlijn hebben we onze koffers en kleren laten oversturen. Alles is goed aangekomen. Thuis hebben ze van geen instan e iets gehoord”.
Ná‐oorlogse situa e
Ná de oorlog trekt Gerard weer in bij zijn ouders in Ro erdam. Hij is dan al 30 jaar, maar rond eerst zijn studie af en wordt vervolgens leraar Duits aan het Groen van Prinstererlyceum te Vlaardingen.
Op 5 maart 1946 wordt Gerard voor de 3e keer opgeroepen voor de dienst, nu in verband met de situa e in Nederlands‐Indië. Hij moet zich melden bij de Stormschool in Bloemendaal, geves gd in het voormalig bejaardentehuis “Wildhoef”. Hier is het 6e Koninklijk Infanterie Depot geves gd voor kaderopleidingen en gevechtstraining, door Gerard omschreven als “een soort commandoopleiding”.
Groepsfoto op de Stormschool in Bloemendaal
Op bijzondere wijze is Gerard alsnog niet naar de strijd in Nederlands‐Indië gestuurd. In de week vóór de uitzending mag Gerard nog een keer naar huis, voor een laatste bezoek aan zijn familie. Op zondag moet hij zich weer melden op de kazerne in Ommen. Gerard is echter diepgelovig en reist om die reden niet op zondag, maar op maandag terug naar de kazerne. Zijn peloton is dan al afgemarcheerd naar de haven van Ro erdam. Gerard is dus veel te laat en verwacht een strenge straf te moeten ondergaan. De kazernecommandant is echter zo onder de indruk van de diepgelovigheid van Gerard dat hij hem de hand boven het hoofd houdt. Er volgt geen straf.
Gerard pakt hierna zijn vak als leraar weer op. Op 23 september 1946 trouwt hij met Cornelia Petronella Adriana Hagens, geboren in Oudenbosch op 23 juli 1912. Ze krijgen 5 kinderen, allen zoons en allen geboren te Ro erdam: Willem Jan, Cornelis Gerardus, Pieter Huibregt (Peter), Cornelis Gerardus en Jan Cornelis. In 1955 verhuist het gezin naar Vlaardingen.
Zoon Peter op ’t Hof volgt het beroep van zijn vader op: hij wordt leraar Duits. Peter trouwt in
1976 en woont dan ook in Vlaardingen totdat het reformatorische Van Lodensteincollege in
Amersfoort uitbreidt en leerkrachten zoekt. Peter solliciteert en wordt aangenomen. Omdat
Peter en zijn vrouw niet naar een grote gereformeerde gemeente willen, komen ze terecht in Scherpenzeel om op de Grebbelaan te gaan wonen (later op de Koepellaan). Uiteindelijk zal Peter 41 jaar op van Lodensteincollege werken als docent Duits.
Vader Gerard komt in de jaren ’80 trouw naar de veteranenreünies in Scherpenzeel. Hij logeert dan bij zijn zoon Peter op de Grebbelaan en bezoekt ook al jd nog even mevrouw Osnabrugge, die dan in het Huis in de Wei woont. In de nacht van 3 op 4 mei 1988, de dag vóór Gerard weer naar de veteranenreünie zal gaan, overlijdt Gerard in zijn slaap in Vlaardingen.
Piet Valkenburg.
Bronvermelding:
‐ Brondocument G.E. op ’t Hof
‐ Familie‐overlevering via Peter op ’t Hof (met dank!)
‐ Archief familie Op ’t Hof
‐ Archief ver. Oud Scherpenzeel
‐ Wikipedia
‐ Fritz‐Werner.com
‐ boek “Alltag Zwangsarbeit 1938‐1945 (Dokumenta onscentrum NS‐Zwangsarbeit) ‐ website NS‐zwangsarbeit.de
BOERDERIJNAMEN
Scherpenzeel 4 maart 2021
Toen ik vanmorgen met coronabeperkingen wat kilometers rondfietste in onze omgeving en nadacht over onze boerderijnamen op Voskuilen, Groot Wolfswinkel en Dashorst kwam de vraag bij me naar boven of die boerderijen zo werden genoemd vanwege de dieren die daar huisden. Ook Ooievaarshorst, Ravenhorst en de Ganzenkamp zullen ongetwijfeld van vogels zijn afgeleid.
Hoe lang geleden zijn die namen al gegeven aan die landerijen?
Veel boerderijnamen zijn al 900 jaar oud en in onze jaren komen die namen weer naar voren. Dassen komen steeds meer voor. Ja, entallen in onze directe omgeving. En vossen komen we ook veel vaker tegen dan 25 jaar geleden en nu er wolvenprenten zijn afgedrukt in zand en speursneeuw op Rumelaar, Breeschoten en ’t Leersumse Veld, komen die boerderijnamen weer in onze gedachten.
Het weiland de Ganzenkamp op Bruinhorst zag onlangs grijs van de kolganzen, nijlganzen en grauwe ganzen met ook nog wat canadaganzen. Deze vogels broeden hier ook op meerdere plaatsen.
De Leeuwerikenpol is ook al een eeuwenoude benaming van een boerderij aan de Lunterse beek, maar leeuweriken (hemelklimmers, zo noemen we ze ook wel) zien we evenmin net als patrijzen en fazanten. Maar ooievaars des te meer. Kieviten, gru o’s en tureluurs zijn zeldzaam geworden.
Een beetje triest fiets ik op huis aan en denk ik nog na over de woorden van Joop Nijland de jachtopzichter: ‘We zullen het met de herinneringen moeten doen.’ En gelijk had en hee hij.
Johan Lagerweij
Boerderij Ooievaarshorst, Leusden

