Doorgaan naar inhoud
Lid worden?
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Onze agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact
YouTube
Facebook
Lid worden?
YouTube
Facebook
  • Vereniging
    • Bestuur
    • Lid worden
    • Gegevens wijzigen
    • Documentatiecentrum
    • Nieuwsberichten
    • Onze agenda
    • Verenigingsbladen
    • Foto’s activiteiten
  • Genealogieën
    • Uitgewerkte genealogieën
    • Geboorten
    • Huwelijken 1812 – 1935
    • Overlijdens
    • Genealogische links
  • Thema’s
    • Huis Scherpenzeel
    • Scherpenzeels Dialect
    • Scarpenzele
    • Historische kaarten
    • Terugblik op …
    • Kerken in Scherpenzeel
    • Winkels
    • Landgoed Scherpenzeel
  • Op de foto
    • Schoolfoto’s
    • Korte verhalen
  • Wandelingen
    • Door het dorp
    • Rondom het dorp
    • Mediatour
  • Oorlogsjaren
    • De laatste getuigen (film)
    • Mobilisatie
    • Scherpenzeel onder vuur
    • Evacuatie
    • Wederopbouw
    • Evacuees
    • Evacuee in Scherpenzeel
    • Bevrijdingsdag
    • Links 2e wereldoorlog
    • Grebbelinie artikelen
    • Links Grebbelinie
  • Contact

Verenigingsblad 2023-2



35E JAARGANG NR. 2 JUNI 2023






Van de bestuurstafel

Wandeling 30 juni 2023

Notulen algemene ledenvergadering

Wonen in Scherpenzeel in die “goeie” ouwe tijd

‘Heren gaan voor’

Willem Steelink Jr. (1856‐1928

Scherpenzeelse boerderijen en hun bewoners

Vergeten oorlogsslachtoffers

Pokken, difterie en andere ellende

Omslag:

Familie Roelofsen. Middelste rij Arisje en Gerrit, rechts daarnaast Netta Maria TalsmaRoelofsen en Egbert Roelofsen. Zittend v.r.n.l.: Ariana en Rens Talsma. ,zie artikel ‘Scherpenzeelse boerderijen en hun bewoners’, pag. 19 e.v.

VAN DE BESTUURSTAFEL

Wim van den Berg, voorzitter

Hoewel het uitbrengen van een verenigingsblad een dure aangelegenheid is, houden we vast aan vier edities per jaar. Wel hebben we afgesproken dat een uitgave niet meer dan veertig pagina’s mag tellen. Naast de druk‐ en papierkosten, zijn ook de portokosten behoorlijk opgelopen de afgelopen tijd. We hebben de keuze gemaakt die niet in rekening te brengen aan degenen die het verenigingsblad per post ontvangen. Gekscherend merkte ik tijdens de laatste bijeenkomst op ‘dat het voor hen al erg genoeg is dat ze niet in Scherpenzeel wonen’. We hopen met de aangekondigde contributieverhoging van €2,50, de steun van onze sponsoren en de gemeente Scherpenzeel onze financiële zaakjes op orde te houden. Als u lid bent van de Rabobank kunt u ons financieel ondersteunen door tussen 4 en 26 september op ons te stemmen tijdens Rabo ClubSupport. Bankiert u wel bij de Rabobank, maar bent u (nog) geen lid dan kunt u dat eenvoudig en kosteloos worden.

Op 24 maart is onze voormalige penningmeester Henk Beulenkamp na een kort ziekbed overleden. Henk is van 2006 tot 2021 penningmeester van onze vereniging geweest en is nadien nog als vrijwilliger actief gebleven. Hij coördineerde o.a. de distributie van de verenigingsbladen en was betrokken bij diverse markten waarop Oud Scherpenzeel vertegenwoordigd was. Henk was enthousiast, gedreven en had veel gevoel voor humor. Het verlies van Henk is een groot gemis voor onze vereniging. We wensen zijn echtgenote Bep en zijn familie veel sterkte toe.

Op 24 april is Peter Dupuis overleden. Peter was vrijwilliger bij Oud Scherpenzeel. Hij was medeverantwoordelijk voor het archiveren van oude voorwerpen. Daarnaast verzorgde hij rondleidingen tijdens Monumentendag in Huis Scherpenzeel en was hij betrokken bij het project Van Luchtkasteel tot Dassenburcht voor basisschoolleerlingen. Peter  bracht ook verenigingsbladen rond. Ook hem missen we. We leven mee met zijn vrouw Christine en zijn familie bij het verwerken van dit verlies.

Het zal u niet ontgaan zijn dat op de achterzijde van dit blad een advertentie van de VOA staat. VOA Scherpenzeel B.V. ’t beste voor de bouw, is een technische groothandel en afhaalcentrum voor de bouw en industrie. VOA is al jarenlang een begrip in Scherpenzeel en wijde omgeving. We zijn heel blij dat directeur Paul van der Poel zijn bedrijf voor het voetlicht wil brengen met een advertentie in ons verenigingsblad.

In de zomerperiode staan twee activiteiten op het programma. Op 30 juni is er een korte, maar daardoor niet minder interessante wandeling waarvoor u in dit blad een uitnodiging vindt en vervolgens starten we het nieuwe seizoen op 9 september met een Open Dag.

We prijzen ons gelukkig dat ook in dit verenigingsblad van meerdere leden bijdragen zijn opgenomen, zodat er een gevarieerde uitgave is ontstaan. Naast een mooie zomer wensen we u veel plezier bij het lezen van dit blad.

WANDELING 30 JUNI 2023

Op vrijdag 30 juni organiseren we een avondwandeling. We hebben de wandeling niet al te lang gemaakt (circa 3 kilometer), want er is wel veel te zien en te beluisteren tijdens de wandeling.

We lopen vanaf ’t Koetshuis naar het Flintstonepark.  Martin Klomp zal ons rondleiden over het park. Hij woont daar sinds 1986.

Hierna wandelen we naar het beheerderskantoor van Landgoed Scherpenzeel, waar we kennismaken met de nieuwe landgoedbeheerder Willem Horst. Willem heeft onlangs het stokje overgenomen van Govert Bos en zal ons vertellen over het Landgoed en zijn taak daarin.

Vervolgens wandelen weer richting het dorp en gaan aan bij biologische tuinderij Stuykgewas van Pieter Struyk. Pieter zal ons vertellen over de onlangs gerenoveerde druivenkas en over het systeem van strokenteelt. De wandeling start om 18.00 uur bij ’t Koetshuis. Het belooft een interessante wandeling te worden. Aanmelden kan tot 28 juni bij secretaris Jannie Hazeleger.

De organisatie van de wandeltocht, Henk en Jannie Hazeleger.

NOTULEN ALGEMENE LEDENVERGADERING

Jannie Hazeleger, secretaris

Dinsdag 21 maart 2023

Aanvang 19.30 uur

Locatie De Breehoek

Opening en mededelingen

Voorzitter Wim van den Berg opent de vergadering om 19.30 uur. Het is de eerste keer dat de ALV in de Breehoek wordt gehouden. We hebben een paar keer afscheid genomen van

Boschzicht, nu is het echt voorbij. Wim is blij dat er weer veel leden aanwezig zijn. 

Vaststellen notulen ledenvergadering d.d. 22 maart 2022

Er zijn geen op‐ of aanmerkingen en de notulen worden vastgesteld.

Jaarverslag secretaris

Het jaarverslag van de secretaris over 2022 wordt gepresenteerd. Er zijn geen vragen of opmerkingen.

Jaarverslag in beeld

Wim geeft een jaarverslag in beeld van de vele activiteiten, die we in 2022 hebben georganiseerd of waaraan we hebben deelgenomen. We publiceren ook regelmatig artikelen in diverse bladen. De kosten van het verenigingsblad (papier‐ en drukkosten) en het verzenden hiervan (portokosten) lopen op. Alle vrijwilligers worden bedankt voor hun inzet.

Jaarverslag penningmeester

Penningmeester José Reussink geeft een toelichting. Het aantal leden is met 23 toegenomen, eind 2022 had de vereniging 945 leden. José geeft een overzicht van de giften, die in 2022 zijn ontvangen. De huur en energiekosten zijn gestegen, evenals de kosten van het verenigingsblad. Het resultaat van 2022 is negatief, ook de begroting van 2023 toont een negatief resultaat. Daarom wordt voorgesteld de contributie te verhogen met € 2,50 naar € 17,50 in 2024. 15 jaar is de contributie niet verhoogd. De verhoging is akkoord.

Begroting 2023

De begroting voor 2023 wordt goedgekeurd.

Verslag kascommissie 2023

De kascommissie, Jan van de Wetering en Frans Braun, heeft de boeken gecontroleerd en akkoord bevonden. Aan de penningmeester en het bestuur wordt decharge verleend voor het gevoerde beleid. De kascommissie wordt bedankt.

Benoeming kascommissie 2024

Jan van de Wetering treedt af en Jaap van Donselaar volgt hem op. Frans Braun blijft nog een jaar.

Bestuursverkiezing

José Reussink, Martin Wassen en Jannie Hazeleger zijn aftredend en herkiesbaar, de leden stemmen hiermee in met applaus. De voorzitter staat stil bij het 50‐jarig jubileum in augustus 2023 van Martin Wassen als bestuurslid. Hij heeft in die jaren alle functies vervuld, behalve de functie van voorzitter. Hij krijgt een cadeaubon en bloemen voor dit jubileum. Hij is blij verrast.

Excursie

Bep Schimmel heeft vanaf 2003 de jaarlijkse excursie georganiseerd en vanaf 2005 doet zij dit samen met Cobi Schuur. Als dank hiervoor ontvangen zij een bos bloemen. Beiden organiseren de excursie in 2023 voor het laatst samen met Ina van den Berg en José Reussink. Zij gaan deze taak overnemen vanaf 2024. 3 juni 2023 gaat de excursie naar Amersfoort, op het programma staat een rondvaart door de stad en een bezoek aan Kamp Amersfoort.

Algemeen

Leden die hun e‐mail adres nog niet hebben doorgegeven aan onze vereniging, worden gevraagd dit te doen. Zo kunnen we iedereen op de hoogte houden van onze activiteiten.

Pauze

In de pauze is een doorlopende presentatie van historische beelden van Scherpenzeel te zien.

Burgemeesters van Scherpenzeel

Scherpenzeel heeft sinds december 2022 weer een kroonbenoemde burgemeester, Marieke Teunissen ‐ Willemsen. Dit is de aanleiding voor het thema van deze avond.

Wim van den Berg geeft een boeiende presentatie over de burgemeesters die Scherpenzeel heeft gehad. Het ambt van burgemeester is in de loop van de eeuwen veranderd. In het verre verleden hadden burgemeesters naast dit ambt ook diverse andere taken in een gemeente, zoals schout, secretaris en ambtenaar van de burgerlijke stand. Wim begint zijn verhaal bij Aart van Lutzenburg, hij was burgemeester van 1787‐1795. Van alle burgemeesters vertelt hij over de persoon, gebeurtenissen die in die tijd plaatsvinden en opmerkelijke feiten. Van de latere burgemeesters worden ook beelden getoond. Hij eindigt met foto’s van Marieke Teunissen uit haar jeugd en een beeldpresentatie van haar als burgemeester. Vanwege een congres kan zij deze avond helaas niet aanwezig zijn. Alle aanwezigen hebben genoten van de uitgebreide presentatie.

Hierna sluit om 22.10 uur de voorzitter de avond en wenst iedereen wel thuis.

WONEN IN SCHERPENZEEL IN DIE “GOEIE” OUWE TIJD

André Stuivenberg

In dit verhaal valt een stuk familiehistorie samen met wat sociale geschiedenis van Scherpenzeel in de jaren 1923 tot 1926, een niet in ieder opzicht goeie ouwe tijd.  Bij de voorbereiding maakte ik dankbaar gebruik van archiefwerk dat mijn neef Rien Stuivenberg al had verricht voor het samenstellen van een familiekroniek.

Mijn vader (‘rooie Aart’) verdiende met hard werken in de groente‐ en fruithandel een goed belegde boterham. Zijn dankbaarheid daarvoor was groot en voor iedere maaltijd dankte hij de Heere voor de ‘spijs en drank’ die op tafel stond. Maar wat moest ik als een in welvaart opgroeiende puber voelen bij ‘dankbaarheid’? Dat voldoende voedsel op tafel stond leek mij een vanzelfsprekendheid. Dat dit voor mijn vader anders lag blijkt uit wat hij soms vertelde en wat hij ook eens op schrift heeft gesteld: ‘(…) In vroeger jaren toen wij nog woonden in een oud huisje aan de dorpsstraat, is wel eens door die dan langs kwamen gezegd hoor hij is weer bezig dan bad de vader met moeder en kinderen voor kerk en maatschappij, voor gezin en arbeid voor brood in huis, wat voor onze Ouders vroeger niet altijd zeker was, zij hebben een zeer arme tijd gekend, een zeer afhankelijk leven, ook in het stoffelijke is hun deel geweest (…)’.

Het huisje waarover mijn vader spreekt, stond op het perceel waar nu juwelier Ter Maaten is gevestigd. In mijn jeugd bevond zich hier de elektrozaak van Jonker.

Mijn grootvader, Aart senior, was met vrouw Marie Mark en zoontje Gradus in 1907 vanuit Veenendaal naar Scherpenzeel gekomen om als koperslager te gaan werken in de smederij van

Martinus Berendse. Deze smid bood het gezin het huisje aan dat op bijgaande foto met een pijl wordt aangeduid: wijk A nr. 83.

Grootvader was een godvruchtig man en hij hield zich derhalve aan het Bijbelwoord uit Genesis

9:7 ‘Maar gijlieden, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde (…)’. Hij bezigde ook de ’tale Kanaäns’. Zo sprak hij niet over ‘de kinderen die ik verwekt heb’, maar over ‘kinderen uit mijn heup gesproten’! (Gen. 46:26).

In 1924 werd het laatste kind geboren en woonde het echtpaar Stuivenberg‐Mark met tien kinderen in ongeveer het kleinste huisje van Scherpenzeel. De jongens sliepen samen op stromatrassen op de lage zolder. De meisjes sliepen beneden in het achterhuis, op een rij naast elkaar. Met Berendse was een huursom van fl. 1,25 per week overeengekomen; dit lijkt een redelijk bedrag, zéker gezien de belabberde staat waarin de woning verkeerde. Maar voor een bescheiden weekloon was het evenwel een substantiële kostenpost.

In november 1923 ontving de gemeente Scherpenzeel van Gedeputeerde Staten van Gelderland een schrijven omtrent het maken van een inventarisatie van het woningbestand. Vast moest komen te staan wat de toestand van de woningen was en gebreken moesten worden hersteld. Burgemeester Royaards meende dat alles in orde was, omdat er in 1907 al eens was geïnventariseerd. Raadslid Veenvliet [S.D.A.P.] vond een onderzoek wél nodig, zo luidt het in de notulen van 13‐11‐1923: ‘Spreker haalt als voorbeeld zijn eigen woning aan. Deze is feitelijk volstrekt niet geschikt om als woning voor een gezin te dienen. Voor een heel blok huizen bestaat absoluut geen drinkwater, tenzij men slootwater daarvoor wil bezigen. En dit zal niet de eenige woning zijn die niet bewoonbaar is. Er zijn talrijke voorbeelden aan te halen, die bewijzen, dat het met de volkshuisvesting hier ter plaatse niet rooskleurig is (…)’.  Het lid Homoet [A.R.P.] wenscht de door het lid Veenvliet genoemde grieven onder de aandacht van de

Gezondheidscommissie te brengen’. Voor de familie Stuivenberg zou de uitkomst van deze raadsvergadering grote gevolgen hebben…..

Begin 1924 doet de Gezondheidscommissie woningonderzoek in onze gemeente. Op 11 juli brengt de cie. schriftelijk verslag uit van het gehouden onderzoek. Van 21 woningen zijn de nodige gebreken vastgesteld en genoteerd. Over de woning van de familie Stuivenberg wordt gemeld: ‘van de huurwoning is het geheele dak bouwvallig, de zijgevel aan de zuidwestzijde wijkt zeer bedenkelijk naar buiten uit, de binnenmuur met deurkozijn verzakt, in het achterhuis waar gewasschen en gestookt moet worden en dat van een gebrekkige vloer is voorzien, is een zeer onvoldoende slaapplaats aangebracht; het geheel maakt een zeer ongunstigen indruk’. De cie. is duidelijk en adviseert: ‘Omtrent de woningen (..), A 83, (..) deze voor onbewoonbaarverklaring aan den Raad voor te dragen’.

Van de 21 bekritiseerde woningen moeten bij 17 noodzakelijke verbeteringen worden aangebracht en vier worden onbewoonbaar verklaard: twee aan het begin van de Krommehoek Oostzijde (nu

Marktstraat) en twee aan de Dorpsstraat. In totaal gaat het om drie

aangekondigde ontruimingen, want het naast de woning van de familie Stuivenberg gelegen pand ‘Perceel A82, voor werkplaats en magazijntje ingericht, wordt niet bewoond, doch nog steeds als woning aangemerkt, het doet in gebreken niet voor [A83] onder’. Eigenaar is Arie Kluit, caféhouder van de ‘Hertog van Gelre’, perceel A81.

Verrassend is te ontdekken dat de zeer gelovige Aart Stuivenberg op 31 juli 1922 bij de geboorteaangifte van zoon Marinus Jacobus de ‘wereldse’ caféhouder Kluit mee vraagt als eerste getuige, terwijl dat bij vijf vorige aangiften steeds zijn werkgever Martinus Berendse was. Het is aannemelijk dat er rond die tijd een einde was gekomen aan hun ‘baasknecht‐relatie’. Begin 1924 schrijft Aart namelijk in een brief aan het gemeentebestuur ‘(…) daar ik een jaar zonder werk ben geweest en met een beetje handel voor mijn tarijk gezin hep moeten verzien (…)’.

Op 18 augustus 1924 sturen B & W de onheilstijding: binnen zes maanden moet het pand A83 zijn verlaten. Dit bericht moet als een mokerslag zijn aangekomen bij het gezin Stuivenberg. Eigenaar Martinus

Martinus Berendse

Berendse brengt in de onbewoonbaar verklaarde woning van de familie

enkele verbeteringen aan en tekent bezwaar aan bij Gedeputeerde Staten. Hij weet dat het uiterst moeilijk zal zijn om in Scherpenzeel vervangende woonruimte te vinden voor een twaalfkoppig gezin en grijpt daarom naar dit uiterste middel.

Op         28          oktober               komt     het         officiële antwoord dat het besluit, ‘vanwege de onherstelbare gebreken aan dak en muren’, gehandhaafd blijft en dat op 28 april 1925 de woning ontruimd moet zijn.

Als het einde van de gestelde periode nadert,   richt      Aart       zich        tot         de gemeenteraad met       het         klemmende verzoek om een halfjaar ‘uitstel van executie’. Het getuigt wel van grote vrijmoedigheid om met zo’n geringe schoolopleiding steeds weer de pen ter hand te nemen.

Ik neem één van zijn briefjes op in dit verhaal, vanwege de spelling van ‘De Heere’ van de gemeenteraad, door mijn godvrezende opa natuurlijk zéker niet zo bedoeld! Tot de correct gespelde HEERE (volgens Statenvertaling) heeft hij in zijn moeilijke situatie evenwel ook menig smeekgebed ‘opgezonden’.

Na behandeling van dit verzoek oordeelt de Gezondheidscie: ‘De wijze waarop het vrij groote gezin van A. Stuivenberg zich in de woning moet behelpen, vooral wat de inrichting van de slaapgelegenheid betreft, maakt spoedige verhuizing zeer gewenscht’. Het College van Burgemeester en Wethouders stuurt  het bericht dat het gezin nog drie maanden uitstel van ontruiming krijgt, i.p.v. de gevraagde zes, dus tot 28 juli 1925.

Na een jaar werkeloos te zijn geweest raakt hij weer aan het werk, als loodgieter, zij het niet in Scherpenzeel. ’s Avonds, na het naar huis fietsen (zelfs drie maanden naar Hilversum v.v.), begeeft hij zich naar zijn tuin om groenten te verbouwen, waarvan een deel voor de verkoop is bestemd. In tegenstelling tot zijn woninkje is de tuin ruim bemeten, maar liefst 800m2. Ook verdient hij bij met het matten van stoelen. Ondanks bij tijd en wijle behoeftige omstandigheden slaagt hij er zo in een spaarpotje te creëren.

De woonsituatie is nog steeds zo nijpend dat de Gezondheidscommissie Nijkerk in juli naar Scherpenzeel afreist om de woning van de familie te bezoeken. Omdat het hoogzomer is verlengt de cie. de termijn van ontruiming met nog drie maanden, maar schrijft in haar verslag: ‘Welwillende medewerking wordt aan Uw Gemeentebestuur verzocht A. Stuivenberg behulpzaam te zijn bij het zoeken naar een betere woning’.

Burgemeester Royaards van Scherpenzeel gaat zich nu intensief bemoeien met Aart Stuivenberg en zijn gezin en betoont zich een ware burgervader. Hij kent Aart al jaren via de vele werkzaamheden die deze voor hem heeft verricht. Hij heeft vertrouwen in hem; als hij hulp biedt zal hij niet teleurgesteld worden. Aart vertelt hem van zijn plannen om zich geheel te gaan richten op het tuindersvak. In het diepste geheim krijgt Aart van de burgemeester daartoe een ruim stuk grond aan de Smitssteeg aangeboden, 1555 m² voor fl. 466,50. Dit is waarschijnlijk de volledige inhoud van zijn spaarpotje. In ieder geval is het een

mr. Anton Royaards       vriendenprijs, want omgerekend betaalt hij fl. 0,30 per vierkante meter.

Maar…. in zijn armoede moet Aart nog zien een hypotheek te krijgen om een huis te bouwen en zijn plan verder uit te werken. Hij moet op zoek naar iemand met geld, die hem kent en vertrouwt dat het te lenen bedrag ooit zal worden terugbetaald.

Aart is in de zomermaanden te rade gegaan bij weduwe Meerveld, de boerin van Groot Sniddelaar (Voskuilerdijk 26) en werkgever van zijn zoon Cornelis (Knelis). Die werkt daar nu al weer bijna twee jaar tot volle tevredenheid van de boerin. Weduwe Meerveld zal zeker van Cornelis hebben gehoord met welk probleem het gezin te kampen heeft. Ook zal ze van haar knecht te weten zijn gekomen dat van het laatste geld een stuk grond is gekocht en er nu wegens geldgebrek geen huis gebouwd kan worden. Hoe alles is verlopen zullen we nooit precies weten, maar het resultaat is dat Aart bij haar een lening mag afsluiten: fl. 2.700,00 tegen een jaarrente van 5 % en een jaarlijkse aflossing van fl. 100,00.

Er kan gebouwd worden! Daarmee komt er een eind aan één van de meest schrijnende gevallen in de geschiedenis van de Scherpenzeelse volkshuisvesting. Wat een verandering heeft de familie doorgemaakt: van een krotwoning naar een nieuwbouwhuis. Een plek waar tenminste zes tweepersoons‐ledikanten kunnen staan. 1926 is én wordt voor de familie Stuivenberg een gezegend jaar.

De Stuivenbergen werpen zich na de verhuizing naar Smitssteeg 219 (thans Gaslaan 4) met volle energie op het kweken/verbouwen/verhandelen van aardappelen, groente en ook wat fruit. De zonen Isaac (Nieuwstraat) en Cornelis (Voskuilerweg) worden later zelfstandig tuinder en Gradus (Plein 1940) en Aart (Dorpsstraat) vestigen zich als handelaar in aardappelen, groente en fruit.

Aart en Marie Stuivenberg‐Mark poseren dankbaar en trots voor hun nieuwe woning,

Smitssteeg 219, nu Gaslaan 4

Aart Stuivenberg, zoals menigeen zich hem nog zal herinneren. Overleden in 1976 als toenmalig oudste inwoner van Scherpenzeel (96)

Bronnen:

Familiearchieven en mondelinge overlevering

Archief gemeentebestuur Scherpenzeel, in  het archief van Ede

hisgis.fa.knaw.nl

HISGIS, bestaat uit gedigitaliseerde kaarten van het oudste kadaster uit 1832

nl.wikipedia.org/wiki/Gezondheidscommissie – www.archieval.nl

Een tweetal advertenties uit ‘De Holevoet’

‘HEREN GAAN VOOR’

Dineke Vermeulen

Met veel plezier heb ik het artikel in Oud Scherpenzeel gelezen over Jan van Essen. Het gesprek met Gerrit Hoefakker over wie het eerste dood gaat is bekend. Het antwoord van Gerrit was een aanleiding van het voorval wat net daarvoor plaatsvond. Jan van Essen en Gerrit Hoefakker liepen terug van de jacht naar hun koets. Gerrit zou instappen, maar Jan tikte hem op de schouder en zei: “Heren gaan voor”. Eerst hoorden de deftige mensen in te stappen vond hij. Toen ze naar huis reden kwam de vraag van Jan over wie het eerste dood zou gaan. Vandaar het antwoord van Gerrit: “Heren gaan voor”. 

Het was bekend dat hij kon vloeken en onverschillig was. Rika Vermeulen die bij de familie Van

Essen heeft gewerkt was mijn tante. Later werkte een zuster van mijn moeder daar, Dina Gijsbertse. Zij was daar dienstbode of zoals ze dat toen noemden ‘in betrekking’. Waarschijnlijk was dat voor dag en nacht. Zij had het vaak over de oude mevrouw Van Essen. Die had toen veel zorg nodig, o.a. van de wijkverpleegster. Ik heb een foto waar mevrouw van Essen, zuster De Mild en tante Dina op staan.

Het huwelijk van Jan van Essen en zijn vrouw bleef in stand. Maar Jan maakte wel een slippertje met de verpleegster, wat niet onbekend bleef. Ik heb contact gehad met mijn oudste nicht van de ‘Vermeulensfamilie’. Zij is 98 en weet nog veel van Scherpenzeel van vroeger. Volgens haar heeft tante Rika bij de fam. Van Essen gewerkt en is tante Alie haar later opgevolgd. Zij is in die tijd bij de familie op bezoek geweest met tante Alie. In die tijd was het een erebaantje om daar te mogen werken.

Vlnr Mevrouw Van Essen, Dina Gijsbertse en zuster De Mild

WILLEM STEELINK JR. (1856-1928)

Gijs van Daatselaar

(deel 2 over kunstschilders die in Scherpenzeel en omgeving hebben gewerkt of gewoond)

In het eerste deel van deze reeks artikelen heeft Jan van Essen centraal gestaan. Een tijdgenoot en vriend van Jan van Essen was Willem Steelink jr., die ook een aantal jaren in Scherpenzeel heeft gewoond en gewerkt. Zij waren zelfs buren. Steelink wordt vaak genoemd als een (van de vele) navolgers van de schilder Anton Mauve (1838‐1888). Mauve is bekend geworden door het afbeelden van taferelen met schapen en dat is Steelink ook gaan doen. Dat ‘schapen schilderen’ deed Steelink in het Gooi, op de Veluwe en ook in Scherpenzeel. Tot het begin van de 20e eeuw werden hier veel schapen geteeld, wat samenhing met de wolproductie en de verwerking van wol in Scherpenzeel. Er werd zelfs

               Willem Steelink jr.          regelmatig een schapenmarkt gehouden naast de Grote Kerk.

(‘Wilm’),1 904

Beginjaren in Amsterdam

Willem Steelink Jr. (‘Wilm’) wordt op 16 juli 1856 geboren in Amsterdam. Zijn vader is staalgraveur en geeft hem ook les in het graveren. Wilm gaat naar de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en omstreeks 1881 ook nog even naar de Tekenacademie in Antwerpen. In 1883 trouwt hij met Anna Maria Elsina Colder. Het paar krijgt drie dochters.

Zijn werkzame periode begint hij als zelfstandig schilder en illustrator van historische onderwerpen. Verder illustreert hij een groot aantal kinderboeken. In navolging van zijn vader maakt hij daarbij ook staalgravures, o.a. voor een boek over Artis, ‘Kijkjes in den Dierentuin’. Verder wordt hij bekend door het reproduceren van beroemde schilderijen van grote meesters in de vorm van etsen, die in grote oplagen worden verkocht in binnen‐ en buitenland.

Omslag naar de Haagse school

Omstreeks 1870 ontstaat in Frankrijk het impressionisme als nieuwe kunststroming die zich afzet tegen de Romantische traditie. In Den Haag en omgeving ontstaat ongeveer in dezelfde tijd een andere, meer realistische schilderstijl die zich ook afzet tegen de Romantiek: de Haagse school, die later weer zal worden beïnvloed door het impressionisme.

Na zijn eerste succes als tekenaar, graveur, etser en schilder van de Romantische school, raakt Steelink omstreeks de tachtiger jaren van de 19e eeuw beïnvloed door de vernieuwende kunst van de Haagse school. Het leidt tot een definitieve omslag in zijn werk. Al enkele jaren eerder trekt hij regelmatig met zijn kunstvrienden Jan van Essen en Hendrik Kever naar de heidevelden van het Gooi, waarschijnlijk om zich te verdiepen in de nieuwe schilderstijl en het buiten schilderen. Het drietal maakt dan vooral schetsen en tekeningen van landschappen, dorpsgezichten en interieurs. In een later interview uit 1904 in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift blikt Steelink terug op die tijd. Hij vertelt dat de kennismaking met de ‘nieuwe kunst’ voor hem een openbaring is geweest. Als kunstenaar moet Steelink zich herscheppen en leren loslaten wat hij vroeger heeft geleerd. Dat hij daarin is geslaagd, blijkt uit het feit dat hij in 1891 tijdens een tentoonstelling  in ‘Arti’ in Amsterdam een schilderij van een heidelandschap in de stijl van de Haagse school kan verkopen aan het Koninklijk Huis.

Scherpenzeel (1892‐1898)

Het interview met Steelink in Elsevier’s uit 1904 bevat een aantal interessante wetenswaardigheden over Steelink en over Scherpenzeel. Steelink vertelt dat hij samen met Jan van Essen in 1892 tijdelijk een atelier betrekt in Renswoude en dat zij er veel buiten schilderen. Het bevalt de beide heren goed om te werken in deze omgeving, want ze besluiten om naar Scherpenzeel te verhuizen.

Wilm Steelink, Hoefsmid te Scherpenzeel             Wilm Steelink, Weg voorbij kerkhof, Scherpenzeel

“En toen Steelink als landschapschilder vaste grond onder de voeten begon te krijgen, werd een langduriger verblijf buiten beraamd en verhuisden beide artiesten, nadat de vrouwen vooruit waren gezonden om kwartier te maken, naar het rustieke Scherpenzeel, waarvan zij de eerste ontdekkers waren.”

Het interview vervolgt met een opmerkelijke karakterschets van Scherpenzeel rond 1890:

“Daar woonde Steelink zeven jaar, in den tijd dat dit Geldersche heidorp nog het type was van het met plaggenhutten overdekte boerenland. Sedert hebben vele andere Hollandsche schilders in dat pittoreske dorp een korter of langer verblijf gehad, o.a. ook Edzard Koning; zij waren er nog juist bijtijds, want er is in de latere jaren van het plaggendorp al veel schoons bezig te verdwijnen.”

Gedurende zijn Scherpenzeelse periode zwerft Wilm Steelink veel door de wijde omgeving om te schetsen en te schilderen. Behalve taferelen met schapen schildert hij ook landschappen, de Lunterse beek en de omgeving van Nunspeet en Elspeet, waar veel schilders verblijven. De verhuizing naar Scherpenzeel blijkt een goede beslissing te zijn geweest, want zoals in Elsevier’s is beschreven, is er veel vraag naar het werk van Steelink, ook uit het buitenland.

“In den eersten tijd van zijn verblijf in het Geldersche dorp had Steelink twee aquarellen (gezichten in Scherpenzeel) voltooid voor de heer Royaards van Scherpenzeel. Deze en andere aquarellen in dat genre brachten hem in relatie met de heeren Buffa en Tersteeg, met het gevolg dat er druk werk aan den winkel kwam en weldra geen schilderachtig plekje in den verren omtrek onbestudeerd bleef. Ook Nunspeet werd in studie meegenomen en langs de beek, die zich kronkelt van Lunteren tot de Eem bij Amersfoort, tochten gemaakt. Mesdag heeft in zijn collectie een superieur mooi doek van Steelink: een landschap aan de Lunterse beek met schapen onder het lage struikgewas, met fonkelend zonlicht over den vachten. Vanuit

Scherpenzeel werden ook werken gezonden naar buitenlandsche tentoonstellingen, te München, St. Petersburg, Antwerpen, enz., en meesttijds bleven de schilderijen daar in het bezit van liefhebbers.”

Naar verluidt, wonen de gezinnen Steelink en Van Essen als buren in ‘het Hooge Huis’ aan de

Dorpsstraat. Hoewel Steelink bekend is geworden van zijn schapen, is hij ook wel andere thema’s blijven schilderen. Een mooi voorbeeld daarvan is het schilderij ‘Bentie en Jantje van Essen’, dat is gedateerd 4 augustus 1892. De twee kinderen zijn zeer waarschijnlijk de neefjes van Jan van Essen en is gemaakt in Scherpenzeel. In het gemeentearchief komt de naam Steelink een aantal keren voor. Zo vermeldt       de          gemeenterekening         van

Scherpenzeel in 1892, betreffende Steelink: “Schoolrekening voor drie dochters”. Uit het archief blijkt ook dat Steelink in 1893 een portret van de nog jonge Koningin Wilhelmina aan de gemeente heeft geschonken, dat is

               Wilm Steelink, Bentie en Jantje van Essen,          bedoeld              om         de                Raadszaal           te           verfraaien

               Scherpenzeel, 1892        (Notulenboek B & W 1882‐1895):

“Verder deelt de Voorzitter mede dat bij het gehouden schoolfeest op den verjaardag der Koningin, een portret in olieverf van Hare Majesteit voor die gelegenheid vervaardigd was door den heer W. Steelink, kunstschilder alhier, welk portret door gemelden heer ter versiering van de Raadszaal aan de gemeente goedgunstig en belangeloos is afgestaan, en biedt hij, Voorzitter, dat portret als eigendom ter versiering van de Raadszaal aan de gemeente aan. De Vergadering, de mededeeling met ingenomenheid vernemende, wordt op voorstel besloten aan Burgemeester en Wethouders op te dragen, namens den Raad den heer W. Steelink innigen dank te betuigen voor zijne welmeenendheid door het belangeloos afstaan van een zoo prachtig geschilderd portret van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina dat steeds tot aangename herinnering aan den milden schenker blijven zal. De Voorzitter zegt dat Burgemeester en Wethouders het voornemen hebben om het portret van eene vergulde lijst te voorzien.”

Het is onbekend of dit portret van Wilhelmina bewaard is gebleven.

Steelink gaat ook op in het verenigingsleven van ons dorp. Zo wordt hij meteen al in 1892 samen met Jan van Essen toegelaten als lid van de Sociëteit en ook van het Leesgezelschap Scherpenzeel. In de bewaard gebleven notulen van de vergaderingen van het Leesgezelschap worden hun namen regelmatig vermeld. Het begint met een ballotage met dichtgevouwen stembriefjes onder de deelnemers aan de vergadering van 2 mei 1892. Beide heren worden met algemene instemming als lid aangenomen. Het gezelschap vergadert ongeveer tien keer per jaar en Steelink is bijna altijd aanwezig. Het Leesgezelschap heeft mannen en vrouwen als leden, echter alleen heren‐leden nemen deel aan de vergaderingen.

WSchilmer pSetenezelinelk, Achterstraat of Molenweg,               Vertrek uit Scherpenzeel

               In           1898     verhuist              het         gezin     Steelink               vanuit

Scherpenzeel naar Den Haag. Opvallend is dat ook Jan van Essen naar Den Haag verhuist. Daar is namelijk het episch centrum van de Haagse school met exposities en collega‐kunstenaars, wat veel kunstliefhebbers en ‐kopers aantrekt uit binnen‐ en buitenland. Steelink reist nog regelmatig naar de Veluwe om te werken en inspiratie op te doen, in het bijzonder naar Elspeet. Hij is dan voorgoed schapen‐ en landschapsschilder geworden.

Interessant is de vraag of hij na zijn verhuizing naar Den Haag nog wel eens Scherpenzeel heeft bezocht tijdens zijn reizen naar de Veluwe. Het lijkt

aannemelijk dat hij hier nog wel kwam, omdat zijn vriend Jan van Essen in 1913 vanuit Den Haag weer terugkeert naar Scherpenzeel en hier tot zijn dood in 1936 is blijven wonen.

Er zijn twee schilderijen bekend met daarop een afbeelding van de schapenmarkt naast de Grote Kerk in Scherpenzeel, die beide worden toegeschreven aan Steelink. Het ene werk is geschilderd met olieverf op linnen en is niet gedateerd. Het andere is een aquarel met daarop onder de signering het jaartal ‘04’ (1904), dus zes jaar na zijn verhuizing uit Scherpenzeel. Het gezichtspunt van beide schilderijen is ongeveer gelijk. Het tafereel is vrij uniek, omdat de bekende schapen van Steelink dit keer niet in de vrije natuur staan afgebeeld, maar middenin het dorp. Behalve dat de gebruikte techniek verschilt, is ook de schildertoets erg verschillend.

Wilm Steelink, Schapenmarkt naast de Grote Kerk, Scherpenzeel, olieverf en aquarel, 1904

Het olieverfschilderij heeft een vrij grove en schijnbaar gehaaste penseelstreek, de aquarel daarentegen is veel nauwkeuriger opgezet. Beide schilderijen zijn in Scherpenzeel bewaard gebleven, maar gelet op het jaartal van de aquarel is niet bekend of Steelink ze ook hier ter plekke heeft gemaakt. 

Wilm Steelink blijft van 1898 tot 1912 in Den Haag wonen en trekt van 1912 tot 1917 naar Laren (NH), waar ook veel kunstschilders wonen. De Larense school en de Haagse school zijn nauw verwant qua stijl. Daarna verblijft hij nog in Amsterdam en hij brengt zijn laatste jaren door in Voorburg.  Daar overlijdt hij op 27 november 1928 op 72‐jarige leeftijd. Wilm Steelink wordt wel gezien als een overgangsfiguur tussen de Romantiek en de Haagse school. Zijn schilderijen worden nog regelmatig te koop aangeboden, onder andere ook bij Amerikaanse veilinghuizen. Hoeveel werken Wilm Steelink heeft gemaakt is onbekend, omdat hij veel aan particulieren verkocht.

Bronnen, o.a.:

‐ Kunstenaars op de Noordwest Veluwe 1880‐1930 door K. Roodenburg

‐ Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, 1904

SCHERPENZEELSE BOERDERIJEN EN HUN BEWONERS

Het Dorp

Henk van Woudenberg / Wim van den Berg

In 1855 erft Benudine van Naamen het landgoed Scherpenzeel van haar jong overleden tante Margaretha Jacoba van Naamen. Een jaar daarvoor is zij getrouwd met Herman Royaards, een rijke Utrechtse notabel. Het echtpaar besluit om Huis Scherpenzeel grondig te verbouwen en ook de tuin opnieuw aan te leggen. Architect en tuinontwerper Samuel Adrianus van Lunteren geeft het een romantisch aanzien in neogotische trant1 . Zij

Boerderij Het Dorp (foto Willem van Leuveren). gaan er ook wonen. Dat wil zeggen: in de winter in Utrecht, Janskerkhof 13, en van mei

tot november in Scherpenzeel. Om verse zuivel en andere boerderijproducten dichtbij te hebben laten zij een boerderij vlakbij Huis Scherpenzeel bouwen. In 1868 is de boerderij klaar en zal later Het Dorp gaan heten. De naam Het Dorp wordt pas vanaf ca. 1960 gebruikt. Over deze boerderij gaat dit verhaal.

Maar eerst wat anders. Het Dorp is niet de eerste boerderij vlakbij Huis Scherpenzeel. Op oude tekeningen van na 1700 is er naast het Huis ook een fors gebouw te zien.

Huis Scherpenzeel met boerderij, 17e eeuw.      Kloostermoppen

Op een tekening uit 1749 is dit verdwenen. Het gebouw is te groot voor oranjerie of koetshuis. Dus waarschijnlijk een boerderij die het Huis voorzag van allerlei eerste levensbehoeften. Volgens overlevering is het puin van de boerderij gebruikt om het gedeelte van de gracht tussen het Huis en de vijver waarin nu de fontein staat te dempen. Johan Lagerweij heeft een aantal opgegraven stenen, kloostermoppen, bewaard.

Terug naar Het Dorp. Deze keer dus geen oude hofstede maar wel een bijzondere bouw. Een boerderij die na anderhalve eeuw nog origineel is aan de buitenkant. Daarom is het ook een rijksmonument. Het is volgens de Monumentengids een voor die tijd moderne boerderij met een hygiënische grupstal2 . In 1985 heeft P.Th.L. van Wijk voor de Stichting Historisch BoerderijOnderzoek te Arnhem de hele boerderij opgemeten en bouwkundig beschreven3 .

In de voorgevel zit de gedenksteen onder de rechterpilaster.

               Gedenksteen. W.H.J.R. betekent             Doordat het middendeel naar    Het WC‐‘raampje’

               Willem Herman Johan Royaards.             voren steekt is er op beide

In 1868 was hij 10 jaar oud.        hoeken een buitenruimte om te zitten. Aan de rechterzijde zit ook een deur.

Bovenraam met zogenaamde wenkbrauwen.

Op de deel de Boerderijwinkel “De Deel” van Stichting Parousie (alle werkdagen open) met het erkende Rustpunt (www.rustpunt.nu).

Opvallend is de breed overstekende kap met de windveren met gezaagde decoraties. Het midden van het voorhuis met de herenkamer steekt vooruit. Rechts daarvan is er een aparte toegangsdeur. De houten schuur heeft gepotdekselde planken en witte windveren. Het is nog steeds in goede staat en een plaatje om te zien.

Opvallend is dat er een tweelingbroertje/ zusje bestaat. In Stoutenburg staat de boerderij                De          Korte     Niep, Stoutenburgerlaan 9. Gebouwd in 1870, dus 12 jaar later dan Het Dorp.

Vergelijkt u zelf.

Er wordt een zetboer gezocht. Een zetboer is iemand die voor de eigenlijke eigenaar een boerderij beheert. Hij zorgt voor het huis, het vee en het land maar hijzelf heeft geen eigendommen in het bedrijf. Gerrit Roelofsen uit Ede wordt de eerste bewoner4 . Hij is bijna 27 jaar De schuur met de gepotdekselde planken. en nog vrijgezel.

               De Korte Niep, Stoutenburg.       Het Dorp.

De         eerste   negen   jaar        is            hij          alleen verantwoordelijk.              Hij                wordt    ongetwijfeld geholpen door een knecht en een meid. In 1867 trouwt hij met Evertje van de Munt, ook uit Ede. Na zeven jaar huwelijk overlijdt zij. Het echtpaar krijgt geen kinderen. Binnen het jaar trouwt Gerrit opnieuw. De bruid heet Arisje Davelaar en ze komt van Groot Ruwinkel. Ze is 18 jaar jonger dan Gerrit en schenkt hem zes kinderen. Bij de geboorte van de jongste is Gerrit inmiddels 55 jaar oud. Gelukkig mag hij zijn kinderen zien opgroeien, trouwen en kleinkinderen krijgen.

Gerrit en Arisje Roelofsen.

Inventaris Het Dorp

Na het overlijden van B.M. Royaards ‐ Van Naamen in 1892 worden de eigendommen getaxeerd ten behoeve van de successie. Daartoe wordt ondermeer een inventarislijst gemaakt van hetgeen in de boerderij Het Dorp aanwezig is5 .

Inventaris:

Van Gerrit en Arisje Roelfsen weten we niet zoveel, maar achter achterkleindochter Anja Tukker‐de Groot uit Leiderdorp heeft ons afbeeldingen en andere informatie toegestuurd waardoor we iets meer te weten zijn gekomen over familie Roelofsen. Gerrit en Arisje zijn in 1875 getrouwd in de Grote Kerk in Scherpenzeel.  Dominee F.J. van Stipriaan Luïscius heeft het kerkelijk huwelijk ingezegend. De trouwbijbel van Gerrit en Arisje is bewaard gebleven. Daarin zijn in 1891 hun zes kinderen bijgeschreven. Netta Maria Roelofsen was één van hun kinderen. Zij was het derde kind en het enige meisje in het gezin. Netta Maria is de overgrootmoeder van Anja Tukker‐

               Arisje Roelofsen.            de Groot, ze trouwde in 1902 met bakker Egbert

               Talsma uit          Amsterdam,       waar      het         echtpaar             na          hun                huwelijk              aan        de          Middenweg

(Watergraafsmeer) is gaan wonen. Op een familiefoto, genomen ca. 1913, waarvan we (behalve van Gerrit en Arisje) geen namen hadden, weten we nu wie op de foto Netta Maria, Egbert en hun twee kinderen Ariana (oma van Anja Tukker) en Rens zijn. Hendrikus Roelofsen, een jongere broer van Netta Maria en ook bakker in Amsterdam, had drie kinderen: Gerrit, Willem Frederik (Wim) en Annie. Geen van drieën is ooit getrouwd. Het verhaal gaat dat Wim bij zijn overlijden in 1981 een postzegelverzameling naliet die bij verkoop een fortuin waard bleek te zijn.

De opbrengst erfde zus Annie die daardoor schatrijk werd. Annie nodigde vaak de hele familie uit voor haar verjaardag, waarbij het gezelschap met een bus op kosten van haar het land in trok, ook naar Scherpenzeel. In de jaren negentig werd een foto van de familie voor boerderij Het Dorp gemaakt. Maar ook organiseerde Annie uitstapjes naar o.a. het KröllerMüller Museum in 2007. Haar broers Gerrit en Wim liggen in Scherpenzeel begraven, Wim in het graf bij zijn grootouders en Gerrit op begraafplaats Lambalgen.

Netta Maria Roelofsen  Gerrit overlijdt op Het Dorp in 1921, bijna 90 jaar oud.

Hij wordt op Glashorst begraven.

De Holevoet, Hij is dan natuurlijk allang geen boer meer. Hij zal met 16‐10‐1936.

Arisje een kamer van de boerderij hebben bewoond. Zij blijft er nog zeven jaar wonen en vertrekt dan naar Nieuwersluis bij Loenen aan de Vecht. Waarschijnlijk gaat zij bij haar zoon Frans wonen. Vandaar verhuist ze naar Putten waar haar zoon Wouter Evert Roelofsen woont. Daar overlijdt zij in 1936, 85 jaar oud. Zij wordt Gerrit Roelofsen. bij haar man op Glashorst begraven.

Inmiddels is de boerderij in november 1913 overgenomen door Adrianus Jacobus Gersen en Amelia van der Lee. Na hun huwelijk in 1909 gaan zij eerst in Wijk bij Duurstede wonen en daarna in Neede in de Achterhoek. Met drie kinderen komen ze naar Het Dorp en daar worden nog vier kinderen geboren. Gersen wordt secretaris van de Fok‐ en Controle Vereniging en is ook bestuurslid van de Pluimveevereniging. Op Het

Dorp worden Fokveedagen georganiseerd waar ook

Jachtklokje uit Het Dorp. demonstraties van nieuwe landbouwwerktuigen worden gegeven. Adri Gersen dient in 1926 met anderen een verzoek in om het verlengde van de Achterstraat die voor de boerderij langs gaat te verbeteren. In 1923 koopt burgemeester Anton Royaards, eigenaar van Het Dorp, voor 1050 gulden (in die tijd een astronomisch bedrag) stier Donald die op Het Dorp bij bedrijfsleider boer Adrianus Gersen wordt gestald. Voor 5 gulden kunnen boeren hun koeien door de bekende stamboek‐ en premiestier Donald laten dekken. Amelia overlijdt in 1934. In oktober 1936 vertrekt Gersen van Het Dorp. Er is een boeldag waarop

               Adrianus Jacobus            hij diverse eigendommen laat verkopen door de

               Gersen. deurwaarder. Adrianus Jacobus Gersen verhuist naar     D28e‐ H12o‐l1ev9o3e4t.,

Vlieterweg 116, waar hij in 1944 overlijdt. Op dat adres zijn in 2007 Jan en Maria van Donkelaar gaan wonen. 

Gerrit Jan van Donkelaar en Aartje Snitselaar

In november 1936 komt Gerrit Jan van Donkelaar als pachtboer naar Het Dorp. Hij is opgegroeid op boerderij De Breehoef in Woudenberg waar hij op 21 maart 1910 is geboren. In 1935 trouwt Gerrit Jan in Ede met Aartje Snitselaar uit De Valk, een buurtschap bij Lunteren (gemeente Ede). Ze is een half jaar ouder dan Gerrit Jan. Het echtpaar krijgt drie kinderen: Jan wordt in 1935 geboren in De Valk op de boerderij waar zijn moeder is groot gebracht. Zijn broer Maas is van 1939 en zus Luutje is in 1943 geboren. Maas en Luutje in Woudenberg, omdat Het Dorp tot 1960 op Woudenbergs grondgebied ligt. Een grensgeval, want de hoeve staat op de hoek van de Achterstraat en de Vlieterweg. De Achterstraat vormt de grens tussen Woudenberg en Scherpenzeel. Jan zal later het boerenbedrijf van zijn vader overnemen. Als de oorlog uitbreekt moet familie Van Donkelaar evacueren naar Noord‐Holland. Zodra de Duitsers hun intrek nemen in Huis Scherpenzeel wordt het park rond het Huis

Gerrit Jan en Aartje van

Donkelaar. met prikkeldraad versperringen afgezet en is het verboden gebied voor buurman Van Donkelaar.

Bij Het Dorp hoort in die tijd zo’n 16 ha grond. Daarop weidt Gerrit Jan zijn koeien. Hij heeft ook een paar fokstieren. Boeren uit de buurt komen naar Het Dorp als er een koe gedekt moet worden. Op de deel van de boerderij is plaats voor 16 koeien en ongeveer 8 paarden. Gerrit Jan heeft zelf twee paarden die hem helpen bij het werk op de boerderij. De overige paarden zijn van de familie Royaards. Later doet de tractor zijn intrede op Het Dorp. De paardenstallen worden omgebouwd, zodat er nu ruimte is voor 22 koeien op de deel. De

Gerrit Jan van Donkelaar. paarden staan dan in de zwarte, houten schuur die vlak langs de weg staat. Die schuur heeft aanvankelijk een potstal en heeft ook dienst gedaan als varkensschuur en verblijf voor het jongvee. Na de oorlog moet Gerrit Jan net als andere boeren op een deel van zijn grond koren verbouwen dat boven de deel wordt bewaard. Vanwege de vele bomen rondom de percelen wil het koren maar slecht groeien. De hoogstam fruitbomen die in de bongerd staan, worden rond 1950 verwijderd.

Jan van Donkelaar en Maria de Vries

Jan van Donkelaar gaat naar De Glashorst op school en volgt daarna een opleiding aan de landbouwschool, die toen nog in de gemeente Woudenberg stond. Jan gaat na zijn schooltijd thuis aan het werk op Het Dorp. Hij trouwt in 1960 met Maria de Vries, die ook uit De Valk komt. Maria woont alleen met haar moeder op een boerderij aan de Lage Veldweg, haar vader is al in 1950 overleden. Jan en Maria nemen die boerderij over. Gerrit Jan van Donkelaar besluit in 1979 na 42 jaar te stoppen met boeren. Hij moet van melkbussen omschakelen naar een melktank. Daar heeft hij geen zin meer in op 69‐jarige leeftijd. Samen met zijn echtgenoot verhuist hij naar een woning tegenover Het Dorp (Vlieterweg 72). Beiden blijven daar tot aan hun overlijden wonen. Gerrit Jan is in 1988 overleden, zijn vrouw in 1993. Jan en Maria van Donkelaar verlaten De Valk en komen naar Scherpenzeel waar ze hun (schoon)ouders opvolgen.

Ze laten vrijwel direct een melktank plaatsen. Inmiddels heeft het echtpaar zes kinderen: de tweeling Wilma en Gert wordt in 1961 geboren; Andrea het jaar daarop; Wout in 1965; in 1967 Jan en ten slotte Minke in 1972. Jan melkt ongeveer 30 koeien. In de houten schuur zijn zo’n 70 mestvarkens, terwijl hij in twee kippenhokken rond de boerderij plusminus 900 kippen houdt. De eieren verhandelt Jan niet zoals zijn vader op de markt, maar verkoopt hij aan een handelaar en voor een deel aan huis aan particulieren. Op het erf is één hooiberg die later plaatsmaakt voor een wagenloods en koeienschuur. Het hooi wordt dan op de zolder boven de deel opgeslagen.  Een groot deel van de bijbehorende grond ligt bij de boerderij. De voormalige Dorpsweide, waar dorpsfeesten als Koninginnedag werden gevierd, moet hij in 1966 afstaan als daar het Huis in de Wei, een aantal bejaardenwoningen en bungalows worden gebouwd. Ter compensatie krijgt hij op de plek waar nu sportpark De

Jan en Maria van

               Donkelaar.          Bree West is een stuk land. Als Cees van Ginkel van de Vlieterhoek in

1989 stopt met boeren krijgt hij een deel van zijn grond, gelegen aan

de Eikenlaan, in gebruik. Al met al heeft Jan dan zo’n 20 ha landbouwgrond waarvan het grootste deel grasland is. De grond is eigendom van Landgoed Scherpenzeel en een deel bij de Lunterse Beek is van de NH kerk in Scherpenzeel. Op ongeveer 1½ hectare verbouwt hij voederbieten en aardappelen. Een stuk grond bij de druivenkas van familie Royaards krijgt Van Donkelaar in gebruik als Jan de Geit van Klein Siberiën, die de grond tot 1949 pacht, emigreert. In 1982 wordt de oude tennisbaan die bij Huis Scherpenzeel hoort gesloopt en bij het land getrokken. Het puin wordt voor verharding bij de nieuwe koeienschuur gebruikt. In het maatschappelijk leven is Jan bestuurslid geweest van de Gelderse Maatschappij van

               Landbouw          en          de          plaatselijke

               Marktcommissie.            Boerderij            Het

Dorp komt met de ontwikkeling van       Plan       Zuid       en          het

Doornboomspark in de jaren zestig en later ook woonwijk de Maatjes steeds meer in de bebouwde kom van Scherpenzeel te liggen. Dat heeft overigens nooit tot problemen met buurtbewoners geleid, maar het beperkte wel de uitbreidingsmogelijkheden. vValnnr  😀 Goenrkte, lMaairnke, Jan jr., Maria, Jan sr., Wilma, Wout en Andrea

Oorspronkelijk zijn er in de boerderij drie bedsteden, één in de voorkamer en twee boven de kelderzolder, maar die worden door Jan en Maria van Donkelaar gebruikt als opbergkasten. Zowel boven als beneden zijn twee slaapkamers. Ook op zolder is een slaapkamer. Jan en Maria slapen beneden, hun kinderen boven.

               Jan van Donkelaar.          Veldnamen bij Het Dorp.

Op een nieuwe keuken na, blijft het rijksmonument in de tijd van Van Donkelaar zowel binnen als buiten in de oorspronkelijke staat. In 2007 besluiten Jan en Maria van Donkelaar na 28 jaar een punt te zetten achter hun werkzame leven op Het Dorp. Dan heeft familie Van Donkelaar bij elkaar 70 jaar op Het Dorp geboerd. Ze verhuizen naar een woning iets verderop aan de Vlieterweg. Daar overlijdt Maria in november 2022 op 85‐jarige leeftijd.

Parousie in Het Dorp 2013‐heden

De Stichting Parousie heeft in 2013 haar intrek in boerderij Het Dorp genomen. Deze christelijke organisatie biedt sinds 2005 24uurs zorg en begeleiding aan cliënten met een psychiatrische diagnose. Eerst in Wageningen, daarna in Doorwerth en sinds 2013 in Het Dorp. De naam Parousie betekent ‘toekomstverwachting’. Nadat familie Van Donkelaar Het Dorp in 2007 heeft verlaten, wordt door de eigenaren gezocht naar een nieuwe bestemming voor de hofstede. Tot die gevonden is,

Luchtfoto Parousie. wordt de boerderij tijdelijk verhuurd ter voorkoming van vernieling en verval. Buurtbewoners zijn benieuwd naar de plannen van de eigenaren. ‘Het Dorp was sinds 1978 eigendom van mevrouw B.M. van den Bosch (overleden in 2019). Met groot verantwoordelijkheidsgevoel heeft zij ervoor gezorgd dat de boerderij een sociaal‐maatschappelijke functie kreeg en dat Stichting Parousie het kon gaan huren. Woonstede is aangezocht als solide tussenpartij’, aldus Meta Daniëls, mede‐eigenaar van Landgoed Scherpenzeel in het jubileummagazine dat in 2020 t.g.v. het 15‐jarig bestaan van Stichting Parousie is uitgegeven6 . Als blijkt dat er plannen voor een zorgboerderij zijn, zorgt dat voor onrust bij omwonenden.

‘Onduidelijk was hoe de zorgboerderij was georganiseerd, wat voor soort bewoners er zouden komen, hoe de gebouwen eruit gingen zien en wat het zou betekenen voor de verkeersbewegingen,’ somt buurman Tonnis van Dijk in hetzelfde jubileummagazine op. ‘Via bijeenkomsten voor omwonenden en middels brieven aan de gemeente werd er geprobeerd daar duidelijkheid over te krijgen. De gemeente en Stichting Parousie hebben echt hun best gedaan om duidelijkheid te verschaffen. Uiteindelijk werd duidelijk dat Woonstede de gebouwen in erfpacht overnam van het Landgoed Scherpenzeel en dat de huurder Stichting Parousie zou worden.’ Toen kwam de grote verbouwing. ‘Behalve de boerderij en de ernaast staande schuur werden alle andere gebouwen gesloopt. Daardoor veranderde het zicht op de boerderij, met name vanuit zuidelijke richting. Vervolgens werden er woningen aan de zuid‐ en oostkant van het erf gebouwd, waardoor het zicht op de achterzijde van de boerderij weer verdween.’ Dat was even wennen. ‘Belangrijk voor omwonenden was vooral dat de woningen en ook de boerderij alleen voor maatschappelijke doeleinden mogen worden gebruikt. Dit heeft de gemeente overigens ook vastgelegd in het bestemmingsplan.’ ’Van de aanvankelijk door buurtbewoners gevreesde overlast is gelukkig totaal geen sprake’, vertelt Tonnis van Dijk. ‘Juist het omgekeerde gebeurde, Parousie bracht een stuk gezelligheid in de buurt! Op het terrein zijn uitgebreide tuinen aangelegd, met name groentetuinen. De producten uit die tuinen worden voor een groot deel verkocht in de eigen winkel. Veel buurtbewoners maken daar graag gebruik van.’ Woonstede is nu eigenaar van de opstallen en de grond waarop deze staan. De voormalige boerderij is vanbinnen grondig                verbouwd waarbij           historische         elementen bewaard zijn gebleven. In het vroegere woongedeelte zijn vier wooneenheden             gerealiseerd,     op ‘De Deel’ zijn activiteiten in het kader van de dagbesteding. Daar is ook de landgoedwinkel waar verse producten worden verkocht uit eigen    tuin.      De          oude,    houten, Schade door storm, 31 maart 2015. monumentale schuur die vlak langs de Vlieterweg staat wordt gebruikt als fietsenstalling. Tijdens een storm in 2015 is de schuur zwaar beschadigd door een omgevallen boom. Onder toeziend oog van de Monumentenwacht heeft Woonstede de schuur vakkundig laten herstellen. Een andere tegenvaller was de aanwezigheid van zwammen in de houten vloer in het woongedeelte van de boerderij. In 2021 zijn de vier bewoners van de boerderij tijdelijk elders gehuisvest en is de aangetaste vloer verwijderd en vervangen door een betonnen vloer. Om verdere aantasting van het gebouw door vocht te voorkomen is m.b.v. grind rondom de boerderij drainage aangebracht.

Op de plaats waar voorheen enkele bedrijfspanden stonden staan nu twee gebouwen waarin twintig bewoners in 4 wooneenheden zijn gehuisvest: 2 eenheden die elk ruimte bieden aan 6 bewoners en twee eenheden voor elk 4 bewoners. Elke wooneenheid heeft een eigen huiskamer en keuken. Bij elkaar wonen er 24 bewoners die worden begeleid door ongeveer dertig medewerkers (begeleiders en overig personeel). ‘De Schuur’, een oud en vervallen schuurtje, is opgeknapt en doet nu dienst als houtwerkplaats, terwijl daar ook een aantal konijnen van bewoners zijn ondergebracht. ‘De Hof’ bestaat uit ongeveer 2000 m2 moestuin bij het zorgcomplex. Daar wordt groente geteeld die in de landgoedwinkel aan bewoners en anderen wordt verkocht. De tuin wordt bijgehouden door Henry van Driel en twee vrijwilligers.

               Restanten oude schuur.               Herstelde schuur.

De Overtuin

In 1859 ontwierp S.A. van Lunteren een nieuwe moestuin in landschapsstijl als vervanging voor de toen bestaande moestuin die moest wijken voor de aanpassingen in de parkaanleg. De Overtuin is in de naoorlogse periode als weiland in gebruik genomen. De huidige Overtuin heeft nog zijn oorspronkelijke omvang en begrenzing uit 1859.

Het plangebied de Overtuin is eigendom van Stichting Landgoed Scherpenzeel. De Overtuin is globaal een driehoekig perceel en grenst aan de noordkant aan het huispark bij Huis Scherpenzeel, dat in beheer is bij Geldersch

Landschap & Kasteelen, en aan de westkant aan boerderij Het Dorp waar zorginstelling Parousie gevestigd is. De Overtuin wordt aan de oostzijde omsloten door een wandellaan die onderdeel is van het rijksmonumentale complex historische buitenplaats Scherpenzeel. De westgrens wordt gevormd door de

Vlieterweg. Het terrein was grotendeels in gebruik als weiland en deels als moestuin bij de zorginstelling.

De Overtuin.

In het kader van het Masterplan Park Scherpenzeel (20[1][2]6) zijn de afgelopen jaren diverse herstelwerkzaamheden binnen de parkaanleg rond Huis Scherpenzeel uitgevoerd. Een belangrijk onderdeel van het masterplan7  is het ontwikkelen en het uitbreiden van het moestuinengebied.

Sinds [3][4]021 zijn stappen ondernomen om te komen tot een inrichting, organisatie en gebruik van de Overtuin. De weilanden ten zuiden van de oude moestuin zijn sindsdien in gebruik genomen voor kleinschalige groenteteelt door

Pieter Struyk. pachter Pieter Struyk.

In de Overtuin zijn restanten van historische kweekkassen aanwezig. Er bevinden zich resten van een druivenkas en [5] broeikassen langs een tuinmuur. Alleen de achtermuur stond nog overeind en het metselwerk, pleisterwerk en ijzerwerk verkeerden in ruïneuze staat. Onlangs is de druivenkas gerestaureerd. Daarin zullen druivenplanten worden geplant en onderhouden, maar de kas gaat ook gebruikt worden voor de opkweek van planten. Pachter Pieter Struyk heeft samen met Landgoed Scherpenzeel en adviseurs een plan uitgewerkt voor een nieuwe toekomst voor de voormalige Overtuin. Struyk vindt het belangrijk om biologisch gecertificeerd te werk te gaan8 .

Op biologische tuinderij ’t Struykgewas verbouwt Struyk het jaar rond groenten voor de abonnees van tuinderij De Elzenkamp uit Voorthuizen. De oppervlakte van de tuin bedraagt 1,7 hectare. De grond van de moestuin bij Parousie wordt komende jaren bij ’t Struykgewas gevoegd. Pieter Struyk werkt met het systeem van strokenteelt, op twee naast elkaar gelegen stroken staan altijd verschillende gewassen, wat de biodiversiteit en het bodemleven ten goede komt. Het kan voorkomen dat ziektes en plagen zich verspreiden. De tuinderij is

Erf met schuur en boerderij. opengesteld voor wandelaars (zonder hond) die zo de groenten en andere gewassen kunnen bewonderen. Met subsidie kunnen een gemengde haag en hoogstamfruitbomen worden aangeplant. Tussen de groente komen laagstamfruitbomen, zodat schaduwminnende gewassen optimaal kunnen groeien en tegen de wind worden beschermd. Ook wordt er een snijbloementuin aangelegd. Naast tuinder is Struyk ook onderzoeker bij het kennisinstituut voor duurzame landbouw, voeding en gezondheid, het Louis Bolk Instituut in Bunnik9 .

VERGETEN OORLOGSSLACHTOFFERS

Piet Valkenburg

Op begraafplaats De Glashorst is de grafsteen te vinden van Jan van Aalten. Hij is overleden op 25 november 1944 en op de grafsteen staat de vermelding “hier ter plaatse door een bombardement om het leven gekomen”. De eerste vraag die dit misschien direct oproept is: “een bombardement in 1944? In Scherpenzeel? Waar dan?”. De oplettende bezoeker van de begraafplaats ziet misschien ook dat vóór deze grafsteen een grafsteen staat met exact dezelfde datum van overlijden. Dit is de grafsteen van Jan Vlaanderen. Reden genoeg om dit eens nader te onderzoeken. Hiervoor moeten we eerst even naar de Grebbelinie.

Pantherstellung

Ná de oorlogshandelingen in mei 1940 wordt de Grebbelinie een beetje aan z’n lot        over                gelaten.              Het        aanwezige oorlogsmateriaal wordt door de Duitsers opgeruimd         en          ander    achtergebleven materiaal wordt door de boeren in de omgeving dankbaar gebruikt om hun boerderijen weder op te bouwen en om beschadigingen                te           herstellen.          De Grebbelinie zelf wordt langzaam maar zeker weer door de natuur ingenomen.

Op dinsdag 6 juni 1944 vinden de geallieerde    landingen           in           Normandië plaats, de operatie Overlord, later bekend

Graf Jan van Aalten Graf Jan Vlaanderen als D‐day. Het is de grootste amfibische invasie in de geschiedenis en het begin van de bevrijding van West‐Europa. De Duitse supermacht realiseert zich dat zij direct gevaar loopt en Hitler geeft op 30 augustus 1944 het bevel aan Seyss Inquart om de verdediging van het Reich te moderniseren en de bestaande verdedigingslinie, de Westwall, ook wel Siegfriedlinie genoemd, te verlengen.

De Westwall loopt dan van Basel naar Kleef en houdt daar op. Juist omdat noordelijk van Kleef er geen verdedigingswerken zijn vormt dit gebied een onverdedigde toegang tot het Derde Rijk. De verlenging van deze         verdedigingslinie             krijgt     de naam                Pantherstellung.              Eigenlijk zorgt    het         frontverloop      van        de operatie Market Garden (17 – 25 september        1944)    ook        het uiteindelijke              verloop                van        de

Pantherstellung.

De linie begint bij Kleef in Duitsland, loopt langs de Rijn via Arnhem naar Wageningen om daar aan te sluiten bij de oude Grebbelinie en in noordelijke richting door de Gelderse Vallei door te lopen om bij Nijkerk het IJsselmeer te bereiken. De Nederlandse kazematten op de Grebbelinie kunnen echter niet voor deze verdediging gebruikt worden omdat deze op het oosten zijn gericht. De nieuw in te richten linie richt zich immers op een geallieerde opmars uit het zuiden en westen. De aloude Grebbelinie moet dus opnieuw ingericht en opgebouwd worden voor deze nieuwe functie.

Organisatie Todt

Om de gigantische bouwprogramma’s van het Derde Rijk te organiseren is al ruim vóór de oorlog een organisatie opgericht naar militair inzicht. Deze organisatie staat onder leiding van Fritz Todt en wordt ook naar hem vernoemd. De organisatie Todt begint relatief klein met de bouw van de Autobahnen. Naarmate de oorlog vordert wordt het echter een gigantische staatsonderneming. Tot aan het begin van de oorlog is de Organization Todt (OT) een onderdeel van het Ministerie voor bewapening en munitie, maar tijdens de oorlog wordt het bedrijf onafhankelijk van de rijksregering en de partij en krijgt zij zelfs verregaande bevoegdheden. De enige aan wie deze organisatie verantwoording moet afleggen, is de Führer zelf. 

Organisatie Todt wordt belast met het realiseren van de Pantherstellung en zij vestigten zich in het najaar van 1944 dan ook in de Vallei. De uitvoering van het werk aan de Grebbelinie laat Organisatie Todt over aan plaatselijke kleine en grote bouwbedrijven. De contracten die hiertoe afgesloten worden, worden niet onder dwang afgesloten en de bedrijven verdienen hier soms zelfs behoorlijk veel geld mee.

Dwangarbeid

Behalve het herstellen van de vernielde Grebbelinie moeten er ook nieuwe stellingen en bunkers aan de linie worden toegevoegd en hiervoor zijn aardig wat arbeidskrachten nodig.

Om aan voldoende arbeidskrachten te komen wordt de lokale bevolking benaderd. Vermoedelijk levert dat niet voldoende personeel op, want al snel wordt verordonneerd dat alle beschikbare mannen zich voor het werk aan de linie moeten melden. Wie niet komt opdagen loopt het risico dat zijn huis verbeurd wordt verklaard. De mannen worden tewerkgesteld voor 52 cent per uur. De uitbetaling geschiedt door de gemeente, die het bedrag weer declareert bij de Wehrmacht. Ook worden gevangenen uit het Kamp Amersfoort en uit Kamp Waterloo bij Leusden gedwongen om te gaan werken aan de nieuwe versterkingen op de Grebbelinie. Radio Oranje doet oproepen aan de burgemeesters om geen medewerking te verlenen aan de bouw van de vestingwerken, maar dit levert geen resultaat op.

Jan van Aalten en Jan Vlaanderen

Jan van Aalten is geboren te Woudenberg op 07 november 1898 als zoon van Cornelis van

Aalten uit Woudenberg, arbeider cq werkman van beroep en de uit Renswoude afkomstige Celia

Vlastuin. Jan trouwt op 18 april 1923 in Arnhem met Anna Striker. Zij is een dochter van Jan Striker en Willemina Hendrika Keppel. Anna komt uit Arnhem, maar heeft ook in Renkum gewoond. Het is in ieder geval de reden dat ze in Arnhem trouwen.

Jan geeft als beroep spoorwegbeambte op. In 1944 blijkt Jan conducteur te zijn. Het jonge echtpaar gaat in Arnhem wonen en maakt daar de 2e  Wereldoorlog mee. Als de luchtlandingen plaatsvinden die de Slag om Arnhem inluiden worden tienduizenden inwoners van Arnhem en plaatsen in de directe omgeving door de Duitse Wehrmacht gedwongen om te evacueren.  De Duitse bezetter besluit hiertoe om de stad makkelijker te kunnen verdedigen tegen de geallieerde aanval. Ook Jan van Aalten vertrekt met zijn gezin en komt hierbij terecht in de omgeving waar hij is opgegroeid; in Scherpenzeel.

               Jan van Aalten      Jan Vlaanderen is geboren te Scherpenzeel op 14 augustus 1904

Woudenberg als zoon van Willem Vlaanderen, een landarbeider en Berendina Snitselaar.

Over Jan van Aalten is eigenlijk niet zo veel bekend. Hij komt uit een arbeidersgezin met 8 kinderen, maar is zelf kennelijk nimmer getrouwd, althans hij wordt in 1940 op zijn identiteitsbewijs nog vermeld als “vrijgezel”. Jan werkt als knecht bij de brandstoffen‐handelaar Kees Valkenburg aan de Marktstraat. Op zijn identiteitsbewijs noemt hij zich “brandstoffenhandelaarsknecht”.

De beide mannen worden opgeroepen en verplicht tewerkgesteld aan Jan van Vlaanderen de Grebbelinie.

Zij komen aan het werk bij de versterkingen aan de linie bij de spoorlijn Amersfoort‐Kesteren nabij de Bruinenburgersluis. Ook nu nog ligt in de onmiddellijke nabijheid van de sluis een grote Duitse bunker van het type R703. Misschien hebben de beide Jannen wel aan deze bunker gewerkt?

Bombardement

Het gebied boven Bruinenburg is al eerder het toneel van oorlogsgeweld geweest. Op 3 februari 1943 stort de Engelse Stirling bommenwerper met registratie R9197 na een luchtgevecht met een Duits jachtvliegtuig neer in de weilanden nabij de Leusbroekerweg. De acht bemanningsleden kwamen bij de crash om het leven. In 2018 onthult de Historische Kring Leusden op deze plek het Short Stirling Monument.

Op 25 november 1944 om 16.30 uur worden de versterkingen in aanbouw langs de spoorlaan nabij de Bruinenburgersluis, nog net op grondgebied van Woudenberg, door de geallieerden beschoten dan wel gebombardeerd. Hierbij vallen een aantal gewonden en komen twee mensen om het leven, Jan van Aalten en Jan Vlaanderen. Zij waren of aan het werk in een loopgraaf of waren juist aan het schuilen in die loopgraaf. In ieder geval maakt een voltreffer in de loopgraaf een einde aan hun leven.

Uit een verslag van de Luchtbeschermingsdienst Woudenberg blijkt dat de hulpverlening moeizaam op gang komt. Pas een uur ná het bombardement vindt de alarmering plaats omdat een aantal arbeiders eerst naar Woudenberg moesten lopen. Er zijn nu eenmaal geen telefoons in de directe omgeving van Bruinenburg. De commandant van de Luchtbeschermingsdienst waarschuwt eerst de burgemeester en daarna de plaatselijke huisarts, dokter Geijskes.

De huisarts weet te vertellen dat er twee dodelijke slachtoffers zijn en hij heeft al 5 lichtgewonden behandeld. Deze lichtgewonden hebben de huisarts verteld dat er op de plek van het bombardement nog slechts enkele gewonden zouden zijn, zodat de arts het niet meer nodig vindt om ter plaatse te gaan. Dokter Zweers heeft ter plaatse al de eerste hulp verleend.

“Opdat wij niet vergeten”

Eigenlijk zijn Jan van Aalten en Jan Vlaanderen als oorlogsslachtoffers een beetje vergeten. De vermelding op zijn grafsteen maakt ons er op attent dat Jan van Aalten oorlogsslachtoffer is. In het NS Station in Arnhem blijkt een plaquette te hangen waar Jan van Aalten ook op                vermeld              staat.    Deze      plaquette           is aangebracht ter nagedachtenis aan veertien personeelsleden    van        de          Nederlandse Spoorwegen, die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. De plaquette is onthuld op 12 december 1948.

Over Jan Vlaanderen is eigenlijk helemaal niets terug te vinden. In Scherpenzeel of Woudenberg komen de namen van de beide mannen nergens voor op bijvoorbeeld een oorlogsmonument. De namen van de beide mannen komen zelfs niet voor op de website van de Oorlogsgravenstichting.

Met dank aan Martin Wigtman voor de aangeleverde informatie

Bronnen:

Archief ver. Oud Scherpenzeel

Grebbelinie.nl

grebbelinieinhetvizier.nl

d‐dayinfo.org

www.4en5mei.nl

Afbeelding Pantherstellung: Leo van Midden

POKKEN, DIFTERIE EN ANDERE ELLENDE

Elma ter Burg

Tijdens de coronapandemie leek het alsof onze levens nooit meer hetzelfde zouden zijn. Dingen die eerst vanzelfsprekend waren stonden ineens onder druk of mochten niet meer. Gelukkig kunnen we deze tijd achter ons gaan laten en gaan we de endemische fase in, het nieuwe virus hoort erbij en wordt als andere luchtweginfecties benaderd.

Ook in het verleden zijn er verschillende (verwoestende) epidemieën geweest. In Scherpenzeel zijn er meerdere periodes geweest dat een ziekte zorgde voor meer sterfgevallen dan gemiddeld. In dit artikel ga ik in op een aantal van deze periodes in de 19de eeuw waarin Scherpenzeel geteisterd werd door ziektes, ook ga ik in op een paar, individuele, schrijnende gevallen en we kijken naar hoe men in die tijd tegen geneeskunde aankeek en hoe men besmetting probeerde te voorkomen.

In de 19de eeuw was de levensverwachting niet hoog, mede door de slechte werk‐ en leefomstandigheden van de vele fabrieksarbeiders. Er was ook een zeer hoge kindersterfte. Dit kwam mede doordat de moeders moeite hadden hun kinderen, voldoende, te kunnen voorzien van moedermelk door de slechte lichamelijke conditie en er geen goed alternatief was als kunstvoeding. De Engelse econoom Robert Malthus adviseerde de bevolking begin 19de eeuw zelfs om laat te trouwen en dat alleen te doen wanneer men genoeg middelen had om in het levensonderhoud te kunnen voorzien, dit als noodmiddel om de hoge kindersterfte en de armoede terug te kunnen dringen.

Scherpenzeel, wat toen een voornamelijk agrarisch dorp was, had minder te maken met de problemen die fabrieksarbeiders hadden. Toch zijn er aanwijzingen dat ook voor ons dorp, op het gebied van volksgezondheid, de 19de eeuw niet makkelijk was.

Ziektes die veel in de 19de eeuw voorkomen waren cholera, dat vooral te wijten was aan de slechte hygiënische omstandigheden, difterie en pokken. Vooral deze laatste twee zal ik beschrijven in dit artikel.

Pokken

Dit was een zeer gevreesde ziekte. De ziekte veroorzaakte hoge koorts en de kans dat je een besmetting niet overleefde was behoorlijk groot ongeveer 10 tot 30 % stierf. De patiënt kreeg hoge koorts en na ongeveer een week rode uitslag die later veranderde in zweren (blazen) over het hele lichaam. De pokken waren een belangrijke oorzaak voor de kindersterfte, de ziekte was maar liefst verantwoordelijk voor 40 % van de sterfgevallen onder kinderen. Het werd daarom ook wel de ‘kinderziekte’ genoemd.

Lange tijd stond de mensheid kansloos tegen dit virus. Totdat de Engelse arts Edward Jenner in 1796 het allereerste pokkenvaccin ontdekte. Jenner was zeer geïnteresseerd in het boerenverhaal dat wie eenmaal koepokken had gehad (een onschuldige aandoening bij de mens met lichte huiduitslag) geen pokken meer kon krijgen. Melkmeisjes kregen regelmatig koepokken en toen een van hen zich bij Jenner meldde voor raad zag hij een kans om zijn theorie te testen. Hij infecteerde de zoon van de tuinman met het koepokkenvirus en de jongeman werd licht ziek en was met een week weer beter. Toen de jongen later aan pokken werd blootgesteld kreeg de ziekte geen vat op hem, het vaccin was een feit.

Ondanks de vaccinaties, welke zelfs verplicht worden door de overheid, is er in  de 19de eeuw  een grote uitbraak van de pokken in de jaren 1870‐1873. Deze epidemie is wereldwijd en kost alleen al in Nederland aan 23.000 mensen het leven. Scherpenzeel wordt ook getroffen door de pokken zo kunnen we lezen in de

Edward Jenner vaccineert een kind tegen de      Arnhemse Courant van 6 mei 1871 lezen: pokken. (DEA PICTURE LIBRARY Getty Images)

“Scherpenzeel, 4 mei. Door den raad dezer gemeente is eene commissie benoemd tot ondersteuning van lijders aan de kinderziekte (pokken) ; tevens is aan haar opgedragen het nemen van doeltreffende maatregelen om eene verdere uitbreiding der ziekte tegen te gaan”

In deze commissie nemen een aantal voorname heren, notabelen zoals ze in de krant genoemd worden, plaats. Zo bestaat deze uit een plaatselijke geneesheer, een notaris en een aantal leden van de kerkenraad. De commissie krijgt van de kerkenraad en de gemeente ieder een subsidie van 100 gulden om de ziekte te bestrijden en besmette dorpsbewoners te hulp te schieten. Ook wordt er in de kerk elke zondag gecollecteerd ten behoeve van de lijders van de ziekte. Niet alleen de ‘gewone’ maatregelen worden getroffen door het gemeentebestuur, namelijk het merken van besmette huizen en ongevaccineerde kinderen op school toelaten verbieden, ook aanvullende maatregelen worden getroffen;

“Zoodra de ziekte uitbreekt, worden de zieken zoveel mogelijk geïsoleerd; een oppasser wordt aangewezen en niemand mag zich uit het besmette huis naar anderen begeven. Om te voorzien in de moeijlijkheid van de laatste bepaling is een een booschaplooper aangesteld, die dagelijks eenige malen gaat vragen wat er noodig is en dan de booschappen bezorgt ; mogt de ziekte zich onverhoopt uitbreiden, dan is er voor een ziekenhuis gezorgd, waarin dienstbaren of anderen kunnen verpleegd worden. Bij overlijden of herstelling van zieken zorgt de commissie voor het reinigen en desinfecteren van woning, kleeding en huisraad en vernietigd die voorwerpen, die in onmiddellijke aanraking met lijders geweest zijn”

Dit zijn geen halve maatregelen. Men is er zeer van bewust hoe besmettelijk de pokken zijn en probeert de zieken en hun bezittingen zoveel mogelijk te isoleren en te desinfecteren. Het krantenartikel beschrijft ook de regels omtrent het overlijden van een pokkenslachtoffer. Zo krijgen de ziekenoppassers speciale kleding aangemeten. Voor het begraven van pokkenslachtoffers waren er vier personen aangewezen die de lijkkist aannemen. Zij mogen niet, zoals gebruikelijk, de kist dragen maar de kist wordt richting het graf gereden.

Behalve het voorkomen van besmetting en de zorg voor de zieken houdt de commissie in Scherpenzeel zich ook bezig met preventie. Zo is er te lezen dat de commissie ‘vaccinatie en revaccinatie bevordert’ Er wordt zelfs een inventarisatie gemaakt van niet‐gevaccineerden, waarvan de informatie persoonlijk, huis‐aan‐huis, is ingewonnen. Voor de inwoners van Scherpenzeel is een vaccinatie tegen de pokken gratis. En om van goede ‘pokstof’ voorzien te zijn stelt de commissie, de geneesheer dr. J. Versteeg, in de gelegenheid die van kalveren te nemen. Zo wordt duidelijk dat, bijna 80 jaar na de ontdekking van Jenner, nog steeds koepokken worden gebruikt voor het maken van vaccins.

Als laatste zin in het artikel staat dat de ziekte zich nog niet verspreidt, in twee gezinnen zijn nog ‘lijders’ en twee mannen en een kind zijn overleden.

Familie Gaasbeek

In het krantenartikel dat zojuist beschreven is staat dat er op dat moment (6 mei) twee mannen en een kind zijn overleden aan de pokken. Het blijkt dat één van die mannen Geurt Gaasbeek is en het kind is zijn zoon van 2 jaar Teunis Gaasbeek.

Geurt Gaasbeek werd geboren op 1 november 1816 in Woudenberg, hij wordt daar gedoopt in de grote kerk. Hij trouwt op 29 oktober 1852 met Maria (Marijtje) Veenendaal te Ede. Zij is geboren op 27 januari 1832 te Lunteren. Geurt is van beroep metselaar en is een zoon van een familie die al vele generaties woont in Woudenberg/Scherpenzeel. Geurt en Maria krijgen tijdens hun huwelijk maar liefst 10 kinderen. Twee daarvan een dochter Gerritje en een zoon Teunis sterven jong voordat de pokkenepidemie uitbrak.

Hoe weten we dat Geurt en zijn zoon Teunis slachtoffers zijn van de gevreesde pokken? Dat blijkt uit een krantenartikel van 8 juni 1871. Hierin staat de plaatselijke geneesheer dr. J. Versteeg opdracht heeft gegeven tot de onteigening van diverse spullen van weduwe Gaasbeek en haar kinderen. De reden hiervoor; de voorwerpen zijn in aanraking

Fragment uit de Arnhemsche Courant 8 juni 1871. Hierin staat

de lijst van de spullen die onteigend dienen te  worden. geweest met twee, aan de pokken, overleden en 3 van de

pokken herstelde personen. Als compensatie voor het in beslagnemen van de goederen krijgt het gezin een bedrag van 70 gulden. De goederen zullen na inbeslagname vernietigd worden. In het bericht staat ook dat moeder Maria hersteld is van de pokken. We weten dus dan van dit gezin de vader, hun op één‐na jongste kind zijn gestorven en dat de moeder en twee andere kinderen de pokken hebben overleefd. Helaas is voor ons niet duidelijk welke kinderen dit geweest zijn. Aannemelijk is dat een van de kinderen een zoon Matthijs is geweest. Hij werd geboren in 1861 en sterft in 1934, ongehuwd. Mensen die de pokken overleefden konden daar zeer ontsierende littekens aan overhouden. Een serieuze complicatie voor het vinden van een huwelijkspartner, maar vooralsnog is dit niet zeker.

Difterie

In tegenstelling tot de pokken wordt difterie niet veroorzaakt door een virus maar door bacteriën. Bij kinderen stond de ziekte (ook) bekend als kroep (hoewel daar ook een virale variant van bestaat), het werd ook ‘rotte keel’ genoemd. Vooral voor kinderen was difterie een gevaarlijke ziekte, door het inademen van druppels die door een besmet persoon d.m.v. hoesten worden verspreid raakte men besmet. Binnen een dag of 5 werd men ziek. De bacteriën maken gifstoffen (toxinen) aan die ervoor zorgen dat de hartspier aangetast kan worden. Onbehandeld was de ziekte vaak dodelijk, zeker bij kinderen.

In de herfst van 1886 krijgt Scherpenzeel met een golf van difterie te maken. In een tijd van twee weken sterven maar liefst 8 kinderen en een vrouw aan de ziekte. Zo staat er te lezen in meerdere artikelen van landelijke kranten.

Fragment uit de Vlaardingsche Courant 27‐10‐1886

Familie Blanken

Een ander tragisch verhaal is dat van de familie Blanken. In het krantenartikel wordt het al genoemd, één man verliest binnen een week (10 dagen: red) zijn beide kinderen en zijn vrouw.

Het gaat hier om Jan Blanken, geboren op 3 september 1834. Hij trouwde op 12 november

1881, met Jantje van Hussel, als zijn beroep staat er timmerman vermeld. De vrouw van Jan, Jantje is geboren op 19 november 1847 te Ede. Het echtpaar Blanken krijgt twee kinderen; een zoon Hendrik, geboren op 19 augustus 1883 en een dochter, Johanna, geboren op 26 april 1885. Tijdens de difteriegolf sterven binnen 10 dagen tijd, eerst zijn zoontje Hendrik op 3‐jarige leeftijd, dan zijn dochter Johanna op 1‐jarige leeftijd en als laatste zijn echtgenoot Jantje op 38jarige leeftijd. In de rouwadvertentie staat te lezen ‘zwaar beproefde vader’ daar kunnen we ons zeker wat bij voorstellen. In een korte tijd je hele gezin aan een nare ziekte verliezen is ongelooflijk tragisch.

Jan, 53 jaar, hertrouwt met zijn schoonzuster; Alberta Geertruida Sterk die dan 38 jaar is, in oktober 1887, een jaar dus na het verlies van zijn vrouw en kinderen. Alberta is dan weduwe van de jongere broer van Jan, Marinus die in hetzelfde jaar als zijn vrouw en kinderen is overleden. Het is onwaarschijnlijk dat Marinus ook slachtoffer is geworden van difterie want in de rouwadvertentie staat dat er een lange lijdensweg is geweest, en difterie sloeg relatief snel toe. Alberta en Marinus

hebben tijdens hun huwelijk een zoon gekregen; Hendrik, die dus de stiefzoon wordt van zijn oom.

Jan en Aleida krijgen nog maar liefst 5 kinderen samen; Maria Johanna geboren in 1888, Petronella Alida geboren in 1890, Jan Bertus geboren in 1891, Marinus geboren in 1893 en nog een zoon die Marinus heette geboren in 1896, Jan heeft dan als vader de respectabele leeftijd van 61 jaar. De kinderen Petronella en de eerste Marinus overlijden voordat ze de leeftijd van 1 jaar bereiken.

In 1911 komt Jan zelf te overlijden hij is dan 76 jaar oud, zijn tweede vrouw Alberta overlijdt in 1927. Jan wordt begraven bij zijn eerste vrouw Jantje en Alberta bij haar eerste man, Marinus.

Niet alleen de familie Blanken werd in de herfst van 1886 door difterie getroffen. Ook andere families kregen te maken met het verlies van hun kinderen. Het sterftecijfer in Scherpenzeel was in dit jaar hoger dan gemiddeld.

Het gezin Blanken: van links naar rechts, Jan‐ Bertus, Alberta Geertruida, Marinus, Jan, Maria Johanna (begin 20ste eeuw)

Bij de familie Hazeleger sterven er twee broertjes, Evert, 5 jaar oud, en Jan, 1 jaar oud. Tussen deze twee overlijdens zit precies een week. Ook bij familie de Jong is het verlies van twee kinderen te betreuren de broertjes, Anton, 6 jaar oud en Willem, 2 jaar oud. Anton is hoogstwaarschijnlijk een van de eerste slachtoffertjes van deze epidemie. Hij is op 30 september 1886 overleden. Zijn broertje Willem overlijdt 12 dagen later, op 12 oktober. Zo kunnen we met zeer grote waarschijnlijkheid 6 kinderen, van de 8 die in het krantenartikel werden genoemd, identificeren. Wie de twee overgebleven kinderen zijn is helaas niet duidelijk, het is zeer aannemelijk dat zij niet in Scherpenzeel maar in Woudenberg overleden zijn.

Corona

Toen Nederland in het voorjaar van 2020 werd geconfronteerd met een nieuw, gevaarlijk en onbekend virus genaamd corona leek het alsof de hele wereld ineens voorgoed was veranderd. Maatregelen werden getroffen, lockdowns en isolatie etc. Er waren felle discussies over het wel of niet vaccineren en of je daar onderscheid in mag maken in de samenleving. Het voelde voor ons allemaal zeer onwerkelijk.

We hebben hier nu kunnen lezen dat de 19de eeuwse inwoners van Scherpenzeel met dezelfde soort maatregelen te maken hebben gekregen als wij. Daar was ook discussie over wel of niet vaccineren en werden niet‐gevaccineerden geweerd. Ook toen moesten mensen in isolatie en werden zelfs de dodelijke slachtoffers anders behandeld tijdens hun begrafenis. Zij hebben als geen ander geweten hoe wij ons, in de ruim twee en een half jaar, dat de coronapandemie ons in zijn greep hield gevoeld hebben. Ziektes en maatregelen daartegen zijn van alle tijden.

[1] Verhalen van Scherpenzeel, R.H.M. van Immerseel                5 Landgoed Scherpenzeel, een geschiedenis van beheer

      (eindred.), uitgave Landgoed Scherpenzeel 2013, blz.        en exploitahte (1854‐1956), ing. N.M. Welle, Ruurlo,

[2] 1. Huize Scherpenzeel, drs. M.A. Prins‐Schimmel,                      2015. Bijlage 8 inventaris van boerderij Het Dorp in

      Scherpenzeel 1983, blz. 54‐65.                                                       1892.

[3] Jan Vredenberg, Monumentengids Scherpenzeel. Het 6 Jubileummagazine Parousie, uitgave Shtchhtng Gelders Genootschap, 2004, blz. 79.                    Parousie, Scherpenzeel 2020.

[4] Een uitgebreide beschrijving van Het Dorp in 1985        7 Park Scherpenzeel ‐Masterplan; Ank Bleeker en Anneke staat in: Drs. M.A. Prins‐Schimmel, Gemeentelijke               Nauta landschapsarchitecten BNT, 08‐02‐2016.

mSSccohhneeurrppmeeennnzzeeteeenll szeeoe rcnga g hinriee Snrcss,hg 1ee9rvp8ae6ln,,  Czbeolezm.l. 1 iItn4é:0 v G‐o1eo4zr4i c.ht op 82 P0a3r0k,  SSchthcehrhtpnegn zine eAl‐rIcnardicihë,ht 1n gasptruili n2 0D2e1 O. vertuin 2020‐

[5] Niet te verwarren met Gerrit Roelofsen, de kastelein   9 Scherpenzeelse Krant, 7 maart 2023. van De Zwaan in Scherpenzeel die in dezelfde htjd leeef.

  • Privacyverklaring
  • ANBI
  • Jaarstukken
  • Statuten
  • Verwante organisaties
  • Contact

© 2026 Oud Scherpenzeel

Scroll naar boven