De vroegste geschiedenis
In het jaar 998 stichtte bisschop Ansfried de Benedictijner abdij, een klooster op de Hohorst of Heiligeberg bij Leusden. Dankzij dit klooster werden de woeste en moerassige gronden in de Gelderse Vallei ontgonnen en in cultuur gebracht. Door de aanleg van dijken en de verbeterde afwatering konden er landbouwgronden worden aangelegd, waardoor de Gelderse Vallei een interessant gebied werd voor de machthebbers.
Dit gebied was in de 11e eeuw Stichts grondgebied en Henricus, afstammeling van het geslacht van Amersfoort, trad in die tijd als schout op. Gelegen op een zandrug, op de grens van het Stichtse en Gelderse gebied en vlakbij een voorde, een doorwaadbare plek in de Luntersebeek, was het latere Scherpenzeel een strategisch belangrijk punt en het is dan ook niet verwonderlijk dat op die plek een versterkt huis zou komen.
Algemeen wordt dan ook aangenomen dat de naam Scherpenzeel afgeleid is van de benaming van een versterkt huis omgeven door een palissade. Het laatste deel van het woord ‘zeel’ is afgeleid van ‘zale’ of ‘sale’, wat zaal of huis betekent. Het eerste deel ‘scherpen’ duidt op de aanwezigheid van scherpe staketsels (palen) oftewel een palissade. Dit versterkte huis is het prototype van een vroege burcht of kasteel in de vroege middeleeuwen. Rond zo’n vroege burcht ontstond meestal ook een dorp, het latere Scherpenzeel.


