De eerste naamsvermelding
De eerste vermelding van de naam Scherpenzeel zou moeten stammen uit het jaar 1229. Een Jan van Scherpenzeel zou als leenman van de Sint Paulusabdij op een archiefstuk van dit klooster vermeld moeten staan. Vermoedelijk wordt met deze ridder Jan van Lockhorst bedoeld, afstammeling van het geslacht van Amersfoort. Helaas is deze oorspronkelijke bron niet meer terug gevonden. Wel is er een oorkonde uit 22 februari 1254 bekend (zie afbeelding), voorkomende in het Archief van het Huis Lokhorst.
In dit archiefstuk wordt gesproken over de ‘iurisdictioni in Scarpenzele’ oftewel de gerichten te Scherpenzeel. Ook wordt er gesproken over ‘goederen’ en een ‘leen’ in Scherpenzeel. Dit betekent dat er in 1254 al behuizingen en zeer waarschijnlijk ook al een versterkt huis moet hebben gestaan.
In de archieven van de Sint Paulusabdij komen lijsten met bezittingen uit o.a. de jaren 1300 en 1318 voor, waarin de goederen worden genoemd die de heren van Lockhorst in leen hadden van de abdij. Op deze lijsten komt ook de naam Scherpenzeel voor. Rond 1300 was Scherpenzeel in handen van Adam, de kleinzoon van Adam van Lockhorst, broer van de eerder genoemde Jan van Lockhorst (Jan van Scherpenzeel). Tot aan de reformatie (2e helft van de 16e eeuw) blijft het kerspel Scherpenzeel eigendom en onder het kerkelijk gerecht van het aartsbisdom Utrecht.


